Uitspraak
1.De procedure
- de pleitaantekeningen van [eiser] en [gedaagde] .
Rechtbank Noord-Holland
In deze civiele zaak vordert een broer een immateriële schadevergoeding van €15.000 van zijn zus omdat hij op haar verzoek de afscheidsdienst van hun overleden moeder moest verlaten. De broer stelt dat hem hierdoor de mogelijkheid ontnomen is om afscheid te nemen, wat emotionele schade heeft veroorzaakt.
De kantonrechter oordeelt dat het ontnemen van de mogelijkheid tot afscheid nemen onrechtmatig kan zijn, maar dat alleen aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat indien er sprake is van een oogmerk om schade toe te brengen, lichamelijk letsel, aantasting van eer of goede naam, of een andere persoonsaantasting. In deze zaak is niet komen vast te staan dat de zus het oogmerk had om nadeel toe te brengen; het verzoek om de dienst te verlaten was ingegeven door de wens een waardige dienst te waarborgen.
Verder is niet gebleken dat de broer geestelijk letsel heeft opgelopen dat objectief kan worden vastgesteld. Ook is de uitzondering op de eis van aantoonbaar letsel niet van toepassing, omdat de normschending niet ernstig genoeg is. De broer had bovendien zelf kunnen proberen vooraf afspraken te maken over zijn aanwezigheid. De vordering wordt daarom afgewezen en iedere partij draagt zijn eigen proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat geen onrechtmatig handelen met oogmerk is vastgesteld en geen geestelijk letsel is aangetoond.