Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
26 mei 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 3 december 2007 tijdens een politieachtervolging met zijn auto opzettelijk heeft geprobeerd politievoertuigen met daarin politieambtenaren aan te rijden, met het oogmerk hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het hof Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld voor poging zware mishandeling en tevens aan hem een schadevergoedingsmaatregel opgelegd wegens immateriële schade aan de benadeelde politieambtenaren, gebaseerd op het oordeel dat de verdachte het oogmerk had ander nadeel dan vermogensschade toe te brengen.
De Hoge Raad oordeelt dat het enkele feit dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft geschapen waarin de politieambtenaren ernstig vrees moesten hebben voor hun gezondheid, niet voldoende is om het vereiste oogmerk voor het toebrengen van ander nadeel dan vermogensschade aan te nemen. Ook het opzettelijk aanrijden van dienstauto’s met politieambtenaren daarin is onvoldoende om dit oogmerk te veronderstellen. Hierdoor kan ook de opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof Amsterdam uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening van die onderdelen, en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof voor toewijzing immateriële schadevergoeding en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.