ECLI:NL:RBNHO:2025:11905

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
16 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/359210 / FA RK 24-5905
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling voor minderjarige na scheiding van ouders

In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 13 oktober 2025 uitspraak gedaan in een familiezakenprocedure betreffende de wijziging van de zorgregeling voor de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum]. De vrouw, vertegenwoordigd door haar advocaat mr. I.M. Thieme, verzoekt de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen en een zorgregeling vast te stellen. De man, die geen verweerschrift heeft ingediend, woont momenteel in [plaats] en heeft de zorg voor de minderjarige om het weekend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vrouw de meeste zorg voor de minderjarige draagt en dat de man, vanwege zijn werk, niet altijd in staat is om de zorgregeling na te komen zoals afgesproken.

De rechtbank heeft in haar beoordeling gekeken naar de belangen van de minderjarige en de bestaande zorgregeling. De vrouw heeft aangevoerd dat het in het belang van de minderjarige is dat hij goed contact onderhoudt met beide ouders. De rechtbank heeft besloten dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn, omdat hij daar in de praktijk woont en ingeschreven staat. De rechtbank heeft ook een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige om de week van vrijdag uit school tot zondag bij de man verblijft, met de mogelijkheid voor de man om hem eerder op te halen indien zijn werk dat toelaat. Daarnaast is er een regeling voor de vakanties en feestdagen vastgesteld, waarbij de minderjarige ook tijd bij de man doorbrengt.

De rechtbank heeft benadrukt dat het belangrijk is dat de man zijn verantwoordelijkheden als ouder serieus neemt en dat de minderjarige niet teleurgesteld mag worden. De rechtbank heeft de partijen geadviseerd om hulpverlening te zoeken om de communicatie en samenwerking te verbeteren, gezien de slechte verstandhouding tussen de ouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zorgregeling en hoofdverblijfplaats
zaaknummer: C/15/359210 / FA RK 24-5905
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 oktober 2025
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. I.M. Thieme, kantoorhoudende te Zaandam,
tegen
[de man],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man.
betreffende
de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 14 november 2025;
- de beschikking van deze rechtbank van 20 maart 2025 over de kinderalimentatie.
1.2.
De man heeft bij de rechtbank binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
1.3
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 23 september 2025. Ter zitting waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij (tussen)beschikking van 20 maart 2025 is bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 500,00 per maand dient te voldoen, met ingang van 25 september 2024 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen. De behandeling van de overige verzoeken van de vrouw is aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
2.2.
De rechtbank moet nog beslissen op het verzoek van de vrouw om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw te bepalen.
Ook moet de rechtbank nog beslissen op het verzoek van de vrouw om een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat [de minderjarige] om de week op van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft, waarbij de man [de minderjarige] ophaalt uit school en de vrouw [de minderjarige] op zondag weer ophaalt bij de man.
Tot slot moet de rechtbank nog beslissen op het verzoek van de vrouw om een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen, inhoudende dat [de minderjarige] bij de man verblijft gedurende de helft van de feestdagen en vakanties:
- Meivakantie & kerstvakantie: in even jaren: de eerste helft bij de man. In de oneven jaren: de tweede helft bij de man.
- Zomervakantie: [de minderjarige] verblijft gedurende de helft van de vakantie bij de man, waaronder in ieder geval de laatste week van iedere zomervakantie.
- Herfstvakantie: in de even jaren bij de man.
- Krokusvakantie: in de oneven jaren bij de man.
- Pasen & Pinksteren: in de even jaren bij de vrouw. In de oneven jaren bij de man.
- Kerstdagen: in de even jaren de eerste kerstdag bij de vrouw, tweede kerstdag bij de man. In de oneven jaren de eerste kerstdag bij de man, tweede kerstdag bij de vrouw.
- Oud & Nieuw: in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw.
De hoofdverblijfplaats
2.3.
Als onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat [de minderjarige] sinds het uiteengaan van de ouders bij haar in [plaats] woont. De man woont momenteel in [plaats] . Met instemming van de man is [de minderjarige] op het adres van de vrouw ingeschreven. Het is daarna echter nooit meer gelukt om tot een ouderschapsplan te komen. Omdat [de minderjarige] in de praktijk bij de vrouw woont, verzoekt de vrouw de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen.
2.4.
De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw.
2.5.
Uit artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter kan, gelet op artikel 1:253a, tweede lid aanhef en sub b, BW, een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag omvattend de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
2.6.
De rechtbank bepaalt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw. Het is in het belang van [de minderjarige] dat tussen zijn ouders vaststaat dat [de minderjarige] bij de vrouw woont en op haar adres staat ingeschreven.
De zorgregeling
2.7.
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat zij het in het belang van [de minderjarige] acht dat [de minderjarige] goed contact onderhoudt met beide ouders. Op dit moment draagt de vrouw nagenoeg alle zorg voor [de minderjarige] en neemt de man om het weekend de zorg voor [de minderjarige] op zich. De vrouw wil deze bestaande regeling voortzetten, maar wil de regeling ook enigszins uitbreiden. De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 17:00 uur. Hierbij verzoekt de vrouw dat de man [de minderjarige] op vrijdag uit school ophaalt en de vrouw [de minderjarige] op zondag om 17:00 uur bij de man ophaalt.
2.8.
Ter zitting heeft de vrouw daaraan toegevoegd dat partijen na het einde van hun relatie zijn overeengekomen dat [de minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot zondagavond bij de man zou verblijven. Dat de man deze overeenkomst niet nakomt, is een wijziging van omstandigheden. Subsidiair stelt de vrouw dat partijen geen afspraken hebben gemaakt op dit punt, zodat de rechtbank de verzochte regeling moet vaststellen. De vrouw vindt het in het belang van [de minderjarige] dat de man [de minderjarige] eens in de twee weken op vrijdag uit school ophaalt. [de minderjarige] krijgt op school van zijn klasgenootjes de vraag of hij wel een vader heeft, omdat zijn moeder hem altijd uit school haalt. De vrouw gunt het [de minderjarige] dat de man die tijd vrijmaakt voor hem. De vrouw vindt het belangrijk dat de man meer betrokken is in het leven van [de minderjarige] . Door [de minderjarige] op vrijdag uit school op te halen, heeft de man ook eens per twee weken contact met de leerkracht van [de minderjarige] . De man kan die paar uurtjes als zelfstandige zonder personeel (ZZP’er) gemakkelijk vrijhouden om [de minderjarige] op te halen. De vrouw bestrijdt dat de man zoveel werkt dat dat onmogelijk is. In de hoger beroepsprocedure over de kinderalimentatie heeft de man gesteld dat zijn werkzaamheden juist tegenvallen.
2.9.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. De man bestrijdt dat is afgesproken dat hij [de minderjarige] op vrijdag uit school zou ophalen. Het is de vrouw altijd duidelijk geweest dat contact tussen de man en [de minderjarige] afhankelijk is van de werkverplichtingen van de man. De periode dat [de minderjarige] op vrijdagmiddag bij de man verbleef, was een periode dat de man weinig werk had. Wanneer de man gelegenheid heeft, ziet haar [de minderjarige] extra. De man zou [de minderjarige] het liefst altijd bij hem hebben, maar zijn werkzaamheden laten dat nu niet toe. De man werkt meer dan veertig uur per week en gaat altijd maar door. Hij is werkzaam als glaszetter, maar heeft ook zijn diploma gehaald om met elektriciteit en water te mogen werken. De man is al jaren niet met vakantie geweest, dat kan hij zich niet veroorloven. Hij ziet [de minderjarige] elke twee weken in het weekend. Het is nou eenmaal zo dat [de minderjarige] een vader heeft die veel werkt en die hem daarom niet kan ophalen uit school. Dat is het leven. De man is werkzaam door het hele land, waardoor het hem meer dan een paar uurtjes zou kosten om [de minderjarige] om de week op vrijdag uit school te halen. De vrouw is bovendien vrij op vrijdagmiddag, zodat het logisch is dat zij [de minderjarige] ophaalt, aldus de man.
2.10.
Uit artikel 1:253a, tweede lid en onder a, van het BW volgt dat de rechtbank op verzoek van een van de ouders de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken aan ieder van hen kan vaststellen. Artikel 1:253a, vierde lid, van het BW bepaalt dat artikel 1:377e van het BW van overeenkomstige toepassing is. In artikel 1:377e van het BW is bepaald dat een tussen de ouders onderling getroffen zorgregeling kan worden gewijzigd indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
2.11.
De rechtbank stelt vast dat partijen van mening verschillen over de inhoud van de tussen hen overeengekomen zorgregeling. Vaststaat dat [de minderjarige] om de week het weekend bij de man verblijft, maar wanneer dat weekend begint, staat tussen partijen ter discussie. De vrouw stelt dat partijen hebben afgesproken dat de man [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt, maar de man bestrijdt die afspraak en stelt dat het moment van ophalen afhankelijk is van de werkzaamheden van de man. Nu de vrouw haar stelling niet verder onderbouwt, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen zijn overeengekomen dat [de minderjarige] om het weekend bij de man verblijft, waarbij het aanvangsmoment in onderling overleg wordt afgestemd. De vrouw verzoekt wijziging van deze regeling, door de rechtbank te verzoeken te bepalen dat de weekendregeling altijd op vrijdagmiddag uit school aanvangt. Dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, heeft de man niet de bestreden, zodat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw.
2.12.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw op dit punt af. Hoewel de rechtbank het met de vrouw eens is dat het in het belang van [de minderjarige] zou zijn dat de man hem om de week op vrijdagmiddag uit school zou ophalen, is het nog meer in het belang van [de minderjarige] dat hij niet wordt teleurgesteld. Uit de houding van de man ter zitting is duidelijk geworden dat de man niet bereid of niet in staat is zijn werkzaamheden aan te passen. Dat brengt het risico met zich dat de man [de minderjarige] op vrijdagmiddag niet of niet op tijd ophaalt. De rechtbank bepaalt in plaats daarvan dat [de minderjarige] op vrijdag uiterlijk vanaf 19.00 uur bij de man verblijft. De rechtbank benadrukt met klem dat het voor [de minderjarige] leuk is als zijn vader eerder tijd voor hem maakt. De rechtbank bepaalt daarom ook dat de man uiterlijk de voorafgaande donderdag voor 19.00 uur aan de vrouw moet laten weten als hij [de minderjarige] de volgende dag eerder kan ophalen en zo ja, hoe laat dan. Als de man geen bericht stuurt, haalt hij [de minderjarige] dus op vrijdag om 19.00 uur op. Op die manier kan de vrouw [de minderjarige] voorbereiden op wie hem uit school komt ophalen of hoe laat zijn vader er zal zijn.
De vakantie- en feestdagenregeling
2.13.
Ter onderbouwing van haar verzoek stelt de vrouw dat zij [de minderjarige] gedurende alle schoolvakanties opvangt sinds het uiteengaan van de ouders. De vrouw acht het echter van belang dat ook de man [de minderjarige] zal opvangen in de schoolvakanties. Ook dit betreft immers een gedeelde verantwoordelijkheid.
2.14.
Ter zitting heeft de vrouw daaraan toegevoegd dat zij leerkracht is en daarom in beginsel alle schoolvakanties vrij is, met uitzondering van de laatste week van de zomervakantie. In die laatste week kan de vrouw geen vrij nemen en heeft zij ook geen andere mogelijkheden om [de minderjarige] op te laten vangen. Het afgelopen jaar heeft de man [de minderjarige] in de kerstvakantie vijf dagen opgevangen en de laatste week van de zomervakantie.
2.15.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw. Hij vangt [de minderjarige] op wanneer hij kan en heeft hem het afgelopen jaar meermaals bij hem gehad in de vakantie. De man kan niet garanderen dat hij [de minderjarige] kan opvangen, omdat dat afhankelijk is van zijn werkzaamheden. De vrouw is bovendien vrij in de vakanties, zodat het niet nodig is voor haar werk dat de man [de minderjarige] opvangt.
2.16.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw gedeeltelijk toe. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij niet alleen om het weekend bij de man verblijft, maar ook gedurende een deel van de schoolvakanties. Op die manier brengt [de minderjarige] een wat langere aaneengesloten periode bij de man door, wat hen in staat stelt hun band te versterken en behouden. Vaststaat dat de man in het afgelopen jaar in staat is geweest [de minderjarige] in de kerstvakantie vijf dagen en in de zomervakantie een week op te vangen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [de minderjarige] in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie, met uitzondering van 25 december van 10:00 uur ’s ochtends tot 26 december 10:00 uur ’s ochtends, bij de man verblijft en in de oneven jaren de tweede helft, waarbij het aanvangsmoment van de kerstvakantie bepalend is voor de vraag of de kerstvakantie in het even of oneven jaar valt (de kerstvakantie in het schooljaar 2025-2026 geldt dus als een kerstvakantie in het oneven jaar). In de oneven jaren verblijft [de minderjarige] van 26 december 10:00 uur tot 27 december 10:00 uur bij de man. Daarnaast zal [de minderjarige] in het even jaar de eerste week van de meivakantie en in het oneven jaar de tweede week van de meivakantie bij de man verblijven. Tot slot verblijft [de minderjarige] elk jaar in de laatste week van de zomervakantie bij de man. Ook ten aanzien van de vakanties geldt dat de rechtbank het [de minderjarige] gunt dat hij meer tijd met de man kan doorbrengen, maar dat belangrijker is dat [de minderjarige] niet wordt teleurgesteld. Bovendien wil de rechtbank voorkomen dat [de minderjarige] tijdens de vakanties wordt opgevangen door derden.
2.17.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ter zitting is gebleken dat de verstandhouding tussen ouders slecht is. De man heeft liever helemaal geen contact met de vrouw en de vrouw ervaart geen respect van de man en zou door hem met de dood zijn bedreigd. De rechtbank adviseert partijen nogmaals met klem hiervoor hulpverlening aan te gaan, om te voorkomen dat [de minderjarige] tussen zijn ouders klem of verloren raakt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijzigt de tussen de vrouw en de man mondeling overeengekomen zorgregeling en bepaalt deze als volgt:
de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] verblijft bij de man:
  • om de week op vrijdag vanaf uiterlijk 19.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man de vrouw uiterlijk de voorafgaande donderdag om 19.00 uur informeert als hij [de minderjarige] uit school of vóór 19.00 uur kan ophalen;
  • gedurende de laatste week van de zomervakantie vanaf vrijdag 19.00 uur tot een week later zondag 17.00 uur;
  • in de even jaren in de eerste week van de kerstvakantie, vanaf vrijdag 19.00 uur tot een week later zaterdag 17.00 uur, met uitzondering van 25 december 10.00 uur tot 26 december 10.00 uur;
  • in de oneven jaren van 25 december 10.00 uur tot 26 december 10.00 uur en de tweede week van de kerstvakantie, vanaf zaterdag 17.00 uur tot zondag een week later 17.00 uur;
  • in de even jaren de eerste week van de meivakantie, vanaf vrijdag 19.00 uur tot een week later zaterdag 17.00 uur;
  • in de oneven jaren de tweede week van de meivakantie, vanaf zaterdag 17.00 uur tot een week later zondag 17.00 uur;
waarbij de man [de minderjarige] steeds bij de vrouw of uit school ophaalt en de vrouw [de minderjarige] bij de man ophaalt.
3.2.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3.
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam . De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.