ECLI:NL:RBNHO:2025:12310

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
11719166 \ CV EXPL 25-3282
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige beëindiging van een overeenkomst van opdracht tussen Daistech B.V. en HeadFirst IT B.V.

In deze zaak hebben Daistech B.V. en HeadFirst IT B.V. een overeenkomst van opdracht gesloten, waarbij Daistech werkzaamheden zou verrichten voor een derde partij, Viterra B.V. HeadFirst heeft deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd, onder het voorwendsel dat er een verstoorde verhouding was tussen Daistech en Viterra. Daistech stelt dat deze opzegging onrechtmatig was, omdat er een opzegtermijn van drie weken gold, die HeadFirst niet in acht heeft genomen. De kantonrechter oordeelt dat Daistech's meer subsidiaire vordering slaagt, omdat HeadFirst onvoldoende heeft onderbouwd dat zij een beroep kon doen op een uitzondering op de opzegtermijn. Hierdoor is HeadFirst verplicht om de schade te vergoeden die Daistech heeft geleden door de opzegging, te weten de inkomsten die Daistech in de periode van drie weken is misgelopen. De kantonrechter wijst de vordering van Daistech tot schadevergoeding toe en veroordeelt HeadFirst tot betaling van € 11.700,00, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11719166 \ CV EXPL 25-3282
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Daistech B.V.
te Amstelveen
eisende partij
hierna te noemen: Daistech
procederende bij monde van [gemachtigde]
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HeadFirst IT B.V.
te Hoofddorp
gedaagde partij
hierna te noemen: HeadFirst
gemachtigden: mr. A. Ishimwe & mr. T. ten Veldhuijs
De zaak in het kort
Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten, waarbij zij hebben afgesproken dat Daistech werkzaamheden zou verrichten voor een derde. HeadFirst heeft de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd omdat er sprake zou zijn geweest van een verstoorde verhouding tussen Daistech en de derde. Daistech stelt dat HeadFirst door deze opzegging haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. Aan haar vordering legt zij onder meer (meer subsidiair) ten grondslag dat er een opzegtermijn van drie weken gold. HeadFirst betwist dit. De meer subsidiaire vordering van Daistech slaagt. HeadFirst heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat zij een beroep kon doen op een uitzondering op de opzegtermijn van drie weken en dat zij de overeenkomst op grond daarvan met onmiddellijke ingang mocht opzeggen. Daarom moet zij de schade vergoeden die Daistech daardoor heeft geleden, te weten de inkomsten die Daistech in de periode van drie weken is misgelopen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 23 juli 2025 waarin mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte van vermeerdering van eis en overlegging producties van Daistech van 18 september 2025, ontvangen 19 september 2025;
- de mondelinge behandeling van 30 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de aanvullende producties van HeadFirst die zij tijdens de zitting heeft overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
HeadFirst is een onderneming op het gebied van arbeidsbemiddeling.
2.2.
Op 29 november 2024 is tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen via het digitale platform van HeadFirst (hierna: de overeenkomst). Partijen hebben daarin afgesproken dat Daistech werkzaamheden zou (laten) verrichten voor Viterra B.V. (hierna: Viterra). De aanvangsdatum van de opdracht was 2 december 2024 en de einddatum van de opdracht was 1 juni 2025. De facturering vond plaats op basis van een uurtarief.
2.3.
Op de overeenkomst zijn de ‘Algemene voorwaarden voor intermediaire dienstverlening Zelfstandigen’ van HeadFirst (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.
2.4.
Op 12 maart 2025 heeft HeadFirst de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd.

3.Het geschil

3.1.
Daistech vordert – samengevat – na vermeerdering van eis, voor recht te verklaren dat de beëindiging van de opdracht onrechtmatig en ongeldig was. Daarnaast vordert zij:
  • primair veroordeling van HeadFirst tot betaling van € 25.000,00, tot welk bedrag zij haar vordering beperkt, onder uitdrukkelijke reservering van haar rechten op het meerdere, te weten € 42.120,00 (de gemiste verdiensten van 13 maart t/m 1 juni 2025), vermeerderd met rente en kosten;
  • subsidiair veroordeling van HeadFirst tot betaling van € 19.500,00, vermeerderd met rente en kosten;
  • meer subsidiair veroordeling van HeadFirst tot betaling van € 11.700,00, vermeerderd met rente en kosten;
3.2.
Daistech legt – samengevat – aan de vordering ten grondslag dat HeadFirst tekort is geschoten in het nakomen van haar verplichtingen uit de overeenkomst door de overeenkomst eenzijdig en per direct op te zeggen. Daardoor heeft zij schade geleden, namelijk de misgelopen inkomsten doordat de overeenkomst ten onrechte niet door is gelopen.
3.3.
HeadFirst voert verweer. HeadFirst concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Daistech, met veroordeling van Daistech in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
HeadFirst heeft op de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de door Daistech ingediende akte van vermeerdering van eis. Zij voert aan dat zij zich hierdoor onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling.
4.2.
Het staat een partij echter vrij om haar vordering te vermeerderen, zo lang er nog geen (eind)vonnis is gewezen, tenzij deze vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [1] De vermeerdering van eis van Daistech is gebaseerd op reeds eerder ingenomen stellingen. Bovendien heeft zij deze tijdig ingediend en heeft HeadFirst tijdens de mondelinge behandeling de mogelijkheid gehad om op (de onderbouwing van) de vermeerdering van eis te reageren, zodat aan het beginsel van hoor en wederhoor is voldaan. Daarom is het bezwaar van HeadFirst ongegrond en wordt de akte van vermeerdering van eis toegelaten.
4.3.
Daistech heeft verzocht om schriftelijk te kunnen reageren op de producties die HeadFirst op de mondelinge behandeling in de procedure heeft gebracht en om zich daarbij nader uit te laten over de toepasselijkheid van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden.
4.4.
Het nemen van een akte na mondelinge behandeling wordt alleen toegestaan als dit noodzakelijk is met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor of een goede instructie van de zaak. Naar het oordeel van de kantonrechter leiden deze zaken in dit geval niet tot een noodzaak van het nemen van een akte door Daistech. Op de mondelinge behandeling heeft Daistech zich namelijk al uitgebreid uitgelaten over de producties van HeadFirst en de toepasselijkheid van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden. De beginselen van hoor en wederhoor brengen daarom niet mee dat het Daistech nog moet worden toegestaan om een nadere akte te nemen. De kantonrechter is voldoende voorgelicht door partijen om een beslissing te kunnen nemen.
De vervangingsregeling is niet van toepassing
4.5.
De kantonrechter begrijpt dat Daistech, na vermeerdering van eis, primair het volgende aan haar vordering ten grondslag legt. HeadFirst heeft de overeenkomst onterecht per direct opgezegd omdat zij Daistech niet in de gelegenheid heeft gesteld om [betrokkene], die de werkzaamheden voor Daistech zou uitvoeren, te vervangen. Weliswaar heeft HeadFirst aangevoerd dat haar opdrachtgever Viterra niet tevreden was over de samenwerking met [betrokkene] – waarop later in dit vonnis in zal worden gegaan – maar de overeenkomst voorziet in een recht van vervanging. Op deze manier had de overeenkomst door kunnen lopen. HeadFirst heeft echter direct opgezegd. Hierdoor heeft Daistech schade geleden, namelijk het gehele bedrag dat zij is misgelopen doordat de overeenkomst voortijdig is beëindigd, aldus Daistech.
4.6.
HeadFirst betwist dit. Zij voert aan dat het recht op vervanging is geregeld in (artikel 3.14 en 3.15 van) de algemene voorwaarden. Deze regeling is echter met name bedoeld voor gevallen van ziekte of vakantie en zo wordt de regeling in de praktijk ook gebruikt. Ook is de regeling bedoeld om de overeenkomst te onderscheiden van de arbeidsovereenkomst. De regeling is dus niet bedoeld voor gevallen waarin er discussie is over de uitvoering van de overeenkomst.
4.7.
De vordering van Daistech slaagt niet. Daistech heeft de toelichting van HeadFirst op de vervangingsregeling niet concreet weersproken, zodat het er allereerst voor dient te worden gehouden dat de overeengekomen mogelijkheid van vervanging aan de orde is in andere situaties dan hier voorligt. Weliswaar is voorts in de door Daistech ondertekende ‘Assignment description for Self-Employed Professionals’ vastgelegd dat zij vrij is zich te laten vervangen en bevatten de algemene voorwaarden een regeling op dat punt, maar aan deze regeling is voor Daistech de verplichting verbonden om HeadFirst voorafgaand aan de vervanging te melden dat zij hiervan gebruik wenste te maken en wie de werkzaamheden na de vervanging zou uitvoeren. Gesteld noch gebleken is dat Daistech HeadFirst heeft aangeboden of gemeld dat zij [betrokkene] wenste te vervangen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het HeadFirst niet verweten worden dat zij Daistech niet (proactief) heeft gewezen op deze eventuele mogelijkheid. Daarmee is zij niet op deze grond tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de overeenkomst.
De ongelijke opzegtermijn is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en er gold daarom geen opzegtermijn van vijf weken voor HeadFirst
4.8.
Daistech legt subsidiair het volgende aan haar vordering ten grondslag. In artikel 4.4 van de algemene voorwaarden hebben partijen afgesproken dat er bij tussentijdse opzegging een opzeggingstermijn van drie weken gold voor HeadFirst en van vijf weken voor Daistech. De kantonrechter begrijpt dat Daistech stelt dat deze bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en daarmee niet van toepassing is. Volgens haar is het onevenwichtig dat er een langere opzegtermijn gold voor HeadFirst dan voor haar. Uit de redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat er ook een opzegtermijn van vijf weken moet gelden voor HeadFirst. Daarom vordert zij subsidiair vergoeding van de misgelopen inkomsten van de werkzaamheden die zij zou hebben verricht als HeadFirst een opzegtermijn van vijf weken in acht zou hebben genomen.
4.9.
Deze vordering slaagt echter evenmin. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt de enkele omstandigheid dat er verschillende opzegtermijnen zijn afgesproken voor partijen, niet zonder meer dat het opzeggingsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het wettelijk uitgangspunt is immers dat een overeenkomst van opdracht te allen tijde door de opdrachtgever kan worden opgezegd, terwijl een opdrachtnemer slechts een opzegbevoegdheid heeft bij gewichtige redenen. [2] In dit geval hebben partijen daarvan afgeweken door af te spreken dat de overeenkomst zonder opgaaf van redenen door beide partijen tussentijds kan worden opgezegd en dat daar een opzegtermijn van drie weken voor HeadFirst en van vijf weken voor Daistech voor gold. Mede gelet op het wettelijk uitgangspunt en omdat Daistech geen andere omstandigheden heeft aangevoerd die tot dit oordeel moeten leiden, geldt dat dit beding Daistech niet zodanig benadeelt, dat instandhouding daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit betekent dat geen opzegtermijn van vijf weken voor HeadFirst gold.
De opdrachtgeverspecifieke voorwaarden zijn van toepassing op de overeenkomst
4.10.
Meer subsidiair legt Daistech aan haar vordering ten grondslag dat HeadFirst tekort is geschoten door ook de hiervoor genoemde opzegtermijn van drie weken niet in acht te nemen. HeadFirst heeft de overeenkomst immers met onmiddellijke ingang opgezegd. Hierdoor is Daistech inkomsten misgelopen in die periode van drie weken. Daistech vordert vergoeding van deze gemiste inkomsten.
4.11.
HeadFirst betwist dit. Zij voert aan dat op de overeenkomst ook de ‘Opdrachtgever Specifieke Voorwaarden – Viterra – Zelfstandigen – v2 - HeadFirst’ (hierna: de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden) van toepassing zijn. Artikel 5 lid 2 van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden luidt als volgt:
‘2. Intermediair is gerechtigd de Opdracht met onmiddellijke ingang te beëindigen via een schriftelijke kennisgeving aan Zelfstandige, indien:
(…) c. de relatie tussen Opdrachtgever en de Zelfstandige naar het oordeel van Opdrachtgever dusdanig verstoord is dat de Opdracht niet voortgezet kan worden.’
HeadFirst voert aan dat zij bij de opzegging gebruik heeft gemaakt van deze bepaling. De samenwerking tussen Daistech en Viterra verliep moeizaam. Viterra is daarover meermaals in gesprek gegaan met Daistech. Uiteindelijk werd de situatie echter onhoudbaar en kon het vertrouwen niet worden hersteld. Daarop heeft Viterra besloten de opdracht te beëindigen, hetgeen HeadFirst heeft uitgevoerd.
4.12.
Daistech heeft daar tegenin gebracht dat de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden niet van toepassing waren op de overeenkomst. Deze zijn namelijk niet als bijlage aan de overeenkomst gehecht, niet inhoudelijk besproken en ook niet afzonderlijk geaccordeerd. Weliswaar heeft zij die op 24 oktober 2024 op het digitale platform van HeadFirst aangevinkt als ‘gelezen’, maar deze handeling vond plaats ruim voor enige gesprekken met Viterra, voor het doen van een aanbod en daarmee ook voordat er sprake was van enige contractuele binding.
4.13.
HeadFirst voert aan dat haar digitale platform zo werkt dat de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden moeten worden geopend en gelezen en vervolgens expliciet moeten worden aangevinkt als gelezen en akkoord, alvorens het voor een opdrachtnemer mogelijk is om zich in te schrijven voor een opdracht. Dit heeft Daistech op 24 oktober 2024 gedaan bij het inschrijven voor de opdracht van Viterra. Daarmee heeft zij de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden afzonderlijk geaccordeerd. Daarnaast volgt de toepasselijkheid van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden ook uit de overeenkomst zelf, die Daistech heeft getekend. Daarin staat immers het volgende:
‘Op deze Opdrachtovereenkomst zijn van toepassing:
1. Opdrachtgever Specifieke Voorwaarden Viterra – Zelfstandigen v2 – HeadFirst
(…) Deze stukken zijn digitaal ter hand gesteld en voor akkoord bevestigd door de Zelfstandige. Met de ondertekening van deze Opdrachtovereenkomst wordt dit nogmaals bevestigd en maken deze stukken integraal onderdeel uit van deze Overeenkomst van Opdracht. (…)’.
Ook uit de algemene voorwaarden volgt dat de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden van toepassing zijn. Daarin staat namelijk:
‘2.2 Op de Opdracht zijn naast deze AV ook de Opdrachtgever Specifieke Voorwaarden van toepassing.’Dit betekent dat Daistech meermaals akkoord is gegaan met (de toepasselijkheid van) de opdrachtspecifieke voorwaarden.
4.14.
De kantonrechter oordeelt dat bij beantwoording van de vraag of de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn geworden de discussie tussen partijen over de vraag of Daistech de opdrachtspecifieke voorwaarden op 24 oktober 2024 alleen heeft aangevinkt als ‘gelezen’ of ook als ‘akkoord’ heeft getekend, in het midden kan blijven. Vast staat immers dat zowel in de overeenkomst zelf, als in de algemene voorwaarden is vermeld dat de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. Met de ondertekening van de overeenkomst en de algemene voorwaarden is Daistech daarom ook akkoord gegaan met de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden. Het betoog van Daistech dat er een andere versie van toepassing zou kunnen zijn, slaagt evenmin omdat de overeenkomst expliciet bepaalt dat het om versie 2 van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden gaat.
Het opzeggingsbeding is niet onredelijk bezwarend
4.15.
Daarnaast stelt Daistech dat artikel 5 lid 2 sub c van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden onredelijk bezwarend en daarmee vernietigbaar is. [3] Het beding maakt het namelijk mogelijk voor HeadFirst om de overeenkomst eenzijdig en op basis van een subjectief oordeel direct te beëindigen. Daarom wijkt het beding ten nadele van Daistech af van het evenwicht dat in commerciële overeenkomsten mag worden verwacht.
4.16.
HeadFirst betwist dit. Zij voert aan dat een opdrachtgever moet kunnen rekenen op een werkrelatie met de opdrachtnemer waarin sprake is van wederzijds vertrouwen, goede communicatie en een professionele samenwerking. Als die samenwerking wordt verstoord, is het niet redelijk om de samenwerking te forceren. Dergelijke bedingen zijn tevens gebruikelijk in de branche.
4.17.
De kantonrechter overweegt dat bij de beoordeling of een beding in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is, moet worden gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval. Zoals hiervoor overwogen, is de wettelijke regeling dat een opdrachtgever een opdracht te allen tijde kan opzeggen. [4] In dit geval hebben partijen daarvan afgeweken door af te spreken dat in beginsel een opzegtermijn van drie weken geldt voor de opdrachtgever (HeadFirst). Daarop wordt in het onderhavige beding weer een uitzondering gemaakt voor
– samengevat – gevallen van een verstoorde relatie. In zoverre wijkt het beding dus niet af van de wettelijke regeling en is de mogelijkheid van eenzijdige opzegging door HeadFirst op zich niet onredelijk bezwarend.
4.18.
Ook voor het overige ziet de kantonrechter onvoldoende reden om het beding als onredelijk bezwarend aan te merken. Weliswaar heeft het tot gevolg dat Daistech hierdoor zonder opzegtermijn geconfronteerd kon worden met een plotseling einde van de overeenkomst, maar op dat risico is zij in het beding ook expliciet gewezen. Dat zij hierdoor in één keer haar inkomsten kon verliezen is weliswaar bezwarend, maar naar het oordeel van de kantonrechter niet in onredelijke mate. Aan zelfstandig ondernemerschap is verbonden dat de ondernemer zelf bepaalde risico’s draagt, zoals het risico op verlies aan inkomsten bij beëindiging van een opdracht. Bovendien wordt in het uurtarief van een ondernemer doorgaans al een bepaald ondernemersrisico meegenomen.
4.19.
Voor zover Daistech met haar stellingen over het aanvinken van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden bedoeld heeft een beroep te doen op artikel 6:233 onder b van het BW oordeelt de kantonrechter dat Headfirst met haar toelichting op het aanmeldproces en de daarbij overgelegde stukken voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat Daistech een redelijke mogelijkheid is geboden om kennis te nemen van deze opdrachtgeverspecifieke voorwaarden. Bij dit oordeel is het verschil tussen tekenen voor ‘gelezen’ of tekenen voor ‘akkoord’ niet relevant. Al met al wordt het beroep van Daistech op vernietiging van het beding daarom verworpen.
HeadFirst heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de verhouding dusdanig verstoord was dat de overeenkomst niet voortgezet kon worden
4.20.
Ten slotte stelt Daistech dat geen sprake was van een dusdanige verstoring van de verhouding dat de overeenkomst niet voortgezet kon worden. Daarom komt HeadFirst geen beroep toe op artikel 5 lid 2 van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden. Zij erkent dat de samenwerking met Viterra moeizaam verliep en dat er op 11 maart 2025 een stevige discussie was tussen [betrokkene], een medewerker en de manager van Viterra. Daarop heeft de manager besloten om een apart overleg in te plannen. Dit was echter een constructief overleg, waarbij afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop de samenwerking zou worden voortgezet. Ter onderbouwing verwijst zij naar een e-mail van de medewerker van Viterra, waarin deze afspraken worden bevestigd. Dit betekent dat geen sprake was van een verstoorde relatie maar juist van een continuering van de samenwerking, met concrete verwachtingen en acties. Vervolgens is Daistech pas de dag erna gebeld door de manager van Viterra met de mededeling dat Viterra de samenwerking niet voort wenste te zetten. Dit was niet in het overleg ter sprake gekomen, aldus Daistech.
4.21.
HeadFirst heeft daar tegenin gebracht dat zij overleg heeft gehad met Viterra, waarbij aangegeven werd dat er steeds botsingen waren met [betrokkene]. Dit werd ook bevestigd door de manager van Viterra in een verklaring en blijkt mede uit de door Daistech overgelegde e-mails en de titel ‘opklaringen vereist’ van het digitale overleg tussen Daistech en Viterra. Omdat de situatie niet verbeterde, heeft Viterra besloten de overeenkomst te beëindigen, aldus HeadFirst.
4.22.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft HeadFirst, gelet op de stellingen van Daistech en de ter onderbouwing daarvan overgelegde stukken, onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat sprake was van een verstoorde verhouding tussen Daistech en Viterra. Weliswaar heeft zij op de zitting desgevraagd toegelicht dat dit volgt uit verklaringen van de manager van Viterra, die zouden zijn medegedeeld aan medewerkers van HeadFirst, maar zij heeft nagelaten om concreet te stellen wat deze personen zouden hebben verklaard en zij heeft nagelaten om verklaringen van die manager of van haar betrokken medewerkers in het geding te brengen. Uit de stellingen en stukken van Daistech komt naar voren dat er nog overleg en afspraken waren over de voortgang en het doorzetten van de werkzaamheden, hetgeen niet duidt op een verstoorde verhouding en de onmogelijkheid om de uitvoering van de opdracht voort te zetten. Weliswaar is in artikel 5 lid 2 onder c van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden opgenomen dat het oordeel over de verstoorde verhouding is voorbehouden aan HeadFirst, maar daaruit volgt niet dat zij zich zonder enig concreet aanknopingspunt op het standpunt kan stellen dat sprake is van een verstoorde verhouding. Dit betekent dat het beroep van HeadFirst op artikel 5 lid 2 sub c van de opdrachtgeverspecifieke voorwaarden niet slaagt en er in beginsel een opzegtermijn van drie weken voor haar gold.
Er was geen sprake van een dringende of daaraan gelijk te stellen reden voor opzegging van de overeenkomst
4.23.
Op de mondelinge behandeling heeft HeadFirst aangevoerd dat de onmiddellijke opzegging ook gegrond kan worden op artikel 4.5 aanhef en lid 6 van de algemene voorwaarden. Deze regeling houdt – samengevat – in dat HeadFirst een onmiddellijke opzeggingsbevoegdheid heeft in gevallen van dwingende redenen, zoals bedoeld in artikel 7:678 BW, of daarmee gelijk te stellen redenen.
4.24.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft HeadFirst echter op geen enkele manier concreet gemaakt, laat staan onderbouwd, dat (ook) sprake was van een dwingende reden voor het beëindigen van de samenwerking met Daistech, zoals bedoeld in artikel 7:678 BW. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt evenmin in te zien waarom de schijnbaar moeizaam verlopende samenwerking tussen Daistech en Viterra aan dergelijke redenen gelijk te stellen zou zijn. Daarom slaagt het beroep van HeadFirst op deze bepaling evenmin.
HeadFirst heeft onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de overeenkomst tussen haar en Viterra ook is geëindigd
4.25.
Tot slot voert HeadFirst aan dat zij de overeenkomst ook met onmiddellijke ingang mocht opzeggen op grond van artikel 4.5 lid 5 van de algemene voorwaarden. Dat luidt als volgt:
‘4.5 Intermediair is voorts altijd gerechtigd (…) met onmiddellijk[e] ingang en zonder rechterlijke tussenkomst door middel van een schriftelijke kennisgeving de Opdracht geheel of gedeeltelijk te beëindigen, indien: (…)
5. de Opdrachtgever de met Intermediair gesloten opdrachtovereenkomst betreffende de inzet van een Zelfstandige beëindigt; (…)’.
Volgens HeadFirst heeft Viterra de opdracht aan haar beëindigd, waardoor er sprake is van een situatie zoals bedoeld in dit beding. Omdat zij slechts een tussenpersoon is, kan het niet van haar verlangd worden om de overeenkomst met Daistech voort te zetten als haar opdrachtgever Viterra de achterliggende opdracht heeft opgezegd.
4.26.
Daistech heeft gesteld dat van een beëindiging van de opdracht geen sprake was en heeft er in dat verband op gewezen dat enkele dagen na de opzegging tegenover haar via HeadFirst een nieuwe opdracht werd uitgezet voor hetzelfde werk en dat zij korte tijd later via een ander platform ook is benaderd om de betreffende opdracht in te vullen.
4.27.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft HeadFirst onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat door de opzegging van HeadFirst aan Daistech, ook de achterliggende opdracht tussen HeadFirst en Viterra is geëindigd. Op de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden van HeadFirst geen, althans ontwijkende antwoorden gegeven op de vraag of de opdracht van Viterra geheel ten einde was gekomen en de vraag of de opdracht niet door een ander dan Daistech is ingevuld. De omstandigheid dat er enkele dagen na de opzegging een nieuwe opdracht voor werkzaamheden bij Viterra op het platform van HeadFirst verscheen, lijkt eerder op het tegendeel te wijzen. Dit betekent dat ook dit betoog van HeadFirst niet slaagt.
HeadFirst moet Daistech de misgelopen inkomsten tijdens de opzegtermijn betalen
4.28.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat HeadFirst, door niet de opzegtermijn van drie weken in acht te nemen, tegenover Daistech tekort is geschoten in de nakoming haar verplichtingen uit de overeenkomst. Resteert de vraag wat de schade is die Daistech daardoor heeft geleden. Daistech vordert betaling van de uren die zij in die drie weken zou hebben gewerkt, tegen het overeengekomen uurtarief.
4.29.
HeadFirst betwist dat dit de schade is die Daistech heeft geleden. Zij voert aan dat op grond van de overeenkomst uitsluitend gewerkte en goedgekeurde uren voor vergoeding in aanmerking komen. Daistech heeft na de beëindiging echter geen werkzaamheden meer verricht en heeft daardoor ook geen schade geleden, aldus HeadFirst.
4.30.
Dit betoog slaagt niet. Niet valt immers in te zien waarom Daistech bij een opzegging door HeadFirst met een termijn van drie weken, gedurende die opzegtermijn geen werkzaamheden meer zou hebben kunnen verrichten bij Viterra. Dat in beginsel uitsluitend gewerkte uren door HeadFirst worden betaald, doet er niet aan af dat de gedurende de opzegtermijn niet gewerkte uren als schade in aanmerking kunnen komen. HeadFirst heeft niet anderszins betwist dat de meer subsidiaire vordering van Daistech het bedrag betreft dat Daistech aan inkomsten is misgelopen doordat HeadFirst geen opzegtermijn van drie weken heeft gehanteerd. Dit betekent dat de meer subsidiaire gevorderde hoofdsom toewijsbaar is.
Overige vorderingen
4.31.
De gevorderde verklaring voor recht wordt bij gebrek aan belang afgewezen.
4.32.
Daistech heeft wettelijke handelsrente over de hoofdsom gevorderd vanaf 2 juni 2025. HeadFirst heeft deze vordering niet betwist. Omdat het echter gaat om een vordering tot schadevergoeding vanwege de beëindiging van een handelsovereenkomst, is artikel 6:119a BW niet van toepassing. [5] Dit betekent dat de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar is. Daarom zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.
4.33.
HeadFirst is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Daistech worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40;
- griffierecht
1.461,00;
- verletkosten
50,00;
Totaal
1.630,40

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt HeadFirst om aan Daistech te betalen een bedrag van € 11.700,00 (exclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente het toegewezen bedrag, met ingang van 1 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt HeadFirst in de proceskosten van € 1.630,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als HeadFirst niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.

Voetnoten

1.Artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Artikel 7:408 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 6:233 BW.
4.Artikel 7:408 lid 1 BW.
5.HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:70.