De rechtbank Noord-Holland behandelde het beroep van eiser tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, dat handhavend wilde optreden tegen een hobbykas gebouwd zonder vergunning op het perceel van eiser.
Het college had een last onder dwangsom opgelegd om de hobbykas te verwijderen omdat deze in strijd was met het bestemmingsplan en de maximale vergunningvrije oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken werd overschreden. Eiser maakte bezwaar, maar het college handhaafde het besluit. De voorzieningenrechter schortte de handhaving op, waarna de rechtbank de zaak inhoudelijk behandelde.
De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijk hoofdgebouw het woonhuis uit 1922 is en dat de hobbykas vergunningplichtig is. Er was echter sprake van concreet zicht op legalisatie, omdat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom het niet wilde meewerken aan afwijking van het bestemmingsplan en de impact van de hobbykas onvoldoende had onderzocht. Hierdoor mocht het college niet handhavend optreden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept de last onder dwangsom. Tevens veroordeelde zij het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De vergunning van rechtswege was ontstaan omdat het college niet tijdig had beslist op de aanvraag van eiser, waardoor geen overtreding meer bestond.