17.1.Eiser heeft in het gesprek van 19 mei 2022 vermeld te vermoeden dat hij in de periode 2013 tot 2022 ongeveer € 500,00 per maand heeft verdiend met de verkoop van motoronderdelen. Eiser heeft in datzelfde gesprek vermeld een overzicht van zijn verdiensten te zullen gaan maken. Een dergelijk overzicht is nooit overgelegd. Eiser heeft zijn inkomsten ook niet op een andere wijze inzichtelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kon het UWV dan ook aansluiten bij het bedrag dat door eiser zelf is genoemd en dat bedrag dan ook gebruiken als schatting van de omvang van de werkzaamheden.
18. Eiser stelt dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Eiser heeft vanaf het begin af aan melding gemaakt van de verkoop van privégoederen en hobbymatig klussen. Het UWV heeft daar onvoldoende op doorgevraagd. Eiser heeft niet of in verminderde mate verwijtbaar gehandeld. Ook is sprake van persoonlijke omstandigheden die maken dat van terugvordering moet worden afgezien. Het gaat om ernstige gezondheidsklachten die als gevolg van de terugvordering verergeren. Eiser heeft een verklaring van 27 augustus 2025 van een medisch maatschappelijk werker overgelegd, waarin staat vermeld dat de hele situatie rondom het WIA-traject en de hoge terugvordering die boven zijn hoofd hangt enorm stressvol is en niet helpend is voor zijn herstel. Dit dient als een zwaarwegende individuele omstandigheid bij de belangenafweging over de terugvordering te worden meegenomen. Ter zitting is door de gemachtigde van eiser hier nog aan toegevoegd dat eiser sinds 1 december 2024 een bedrag van € 300,00 per maand aflost, waardoor ook sprake is van een financiële noodsituatie, omdat eiser bij vrienden moet lenen om rond te komen.
19. De rechtbank is van oordeel dat het UWV in de situatie van eiser, zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering, alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen.
In wat door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Ook het standpunt dat UWV zelf een aandeel heeft in de terugvordering slaagt niet. Eiser heeft nagelaten melding te doen van de op geld waardeerbare werkzaamheden en inkomsten. In het toekenningsbesluit van de WIA-uitkering van 12 december 2012 en het toekenningsbesluit van de toeslag op de WIA-uitkering van 24 oktober 2012 staat vermeld dat hij wijzigingen moet doorgeven aan het UWV. Het had eiser duidelijk moeten zijn dat hij zelf de wijzigingen door moest geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV dan ook geen aandeel in het ontstaan of het oplopen van de terugvordering. Dat een terugvordering veel stress oplevert en daardoor het herstel van zijn gezondheidsklachten vertraagt, zoals de medisch maatschappelijk werker heeft vermeld, is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van ontoelaatbare of onevenredige gevolgen. De stelling ter zitting dat sprake is van een financiële noodsituatie is niet nader onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het UWV geen aanleiding heeft hoeven zien op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien.
20. Omdat eiser zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen, was het UWV op grond van artikel 91, eerste lid, van de Wet WIA verplicht om aan eiser een boete op te leggen. Het UWV is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en is daarom uitgegaan van een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag (€ 5.466,67). Rekening houdend met het gebrek aan aflossingscapaciteit van eiser heeft het UWV in de beslissing op bezwaar de boete verlaagd naar het minimumbedrag van € 40,00.
21. Eiser heeft de hoogte van de boete niet bestreden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat dit bedrag niet juist zou zijn. Het UWV heeft dan ook terecht een boete van € 40,00 aan eiser opgelegd.