ECLI:NL:CRVB:2008:BF2376
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat- van Dijk
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering Ziektewetuitkering met terugwerkende kracht ondanks beroep op vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
Appellante was sinds 29 mei 2001 ziek en ontving een Ziektewetuitkering die later met terugwerkende kracht werd herzien en teruggevorderd door het Uwv. Zij voerde aan dat zij op basis van telefonische mededelingen van het Uwv mocht vertrouwen op de hoogte van haar uitkering en dat de herziening in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank wees het beroep af, stellende dat het Uwv terecht de uitkering had herzien en teruggevorderd, en dat er geen dringende redenen waren om hiervan af te zien. In hoger beroep bevestigde de Raad dat mondelinge toezeggingen onvoldoende zijn voor het vertrouwensbeginsel en dat appellante redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de uitkering onjuist was vastgesteld.
De Raad stelde echter vast dat het besluit tot herziening en terugvordering niet op de juiste wettelijke grondslag was gebaseerd, omdat de Wet Arbeid en Zorg niet was betrokken. Daarom vernietigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot herziening en terugvordering van de Ziektewetuitkering wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.