Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:13332

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
24-7007
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 13 Bestemmingsplan Heiloo Middengebied
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning garage vanwege strijd bestemmingsplan niet redelijk

Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een garage van 5 meter breed op hun perceel en een aangrenzende strook grond in Heiloo. Het college weigerde de vergunning omdat een garage breder dan 4 meter volgens hen het open en groene karakter van de wijk zou schaden en in strijd zou zijn met het bestemmingsplan.

De rechtbank stelt vast dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is en dat het college de weigering niet in redelijkheid kon baseren op strijd met de goede ruimtelijke ordening. De strook heeft de bestemming 'Verkeer', waarop ook andere bebouwing en verharding is toegestaan, en de koopovereenkomst staat de inrichting als erf toe.

De rechtbank concludeert dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een garage van 5 meter breed onevenredig nadelig zou zijn en waarom de grens van 4 meter is gesteld. De weigering is daarom onterecht en het bestreden besluit wordt vernietigd. Het college moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van het college en beveelt een nieuw besluit te nemen waarbij de omgevingsvergunning voor de garage van 5 meter breed niet geweigerd mag worden wegens strijd met de goede ruimtelijke ordening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit Heiloo, eisers

(gemachtigde: mr. K. Hollenberg),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo

(gemachtigde: mr. A. Guarracino).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een garage. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag om een omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren op grond van de goede ruimtelijke ordening. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden en de inhoud van het bestreden besluit. Onder 4 staat het toetsingskader. Onder 5 en 6 volgt de bespreking van de beroepsgronden. Daarbij gaat de rechtbank in op de strijdigheid met het bestemmingsplan en de volgende vraag: Is sprake van een goede ruimtelijke ordening? Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een garage. Het college heeft deze vergunning met het besluit van 6 februari 2024 geweigerd. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de weigering gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eisers hebben een nader stuk ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden en het bestreden besluit
3. Eisers zijn eigenaars en bewoners van het perceel [perceel] in Heiloo (hierna: het perceel). Zij zijn ook eigenaars van een stuk grond (hierna: de strook) gelegen op zo’n 3,5 meter naast de zijgevel van hun woning op het perceel. De strook heeft een breedte van ongeveer 2 meter. Eisers hebben hiervoor een koopovereenkomst met de gemeente Heiloo afgesloten op 7 november 2023. In de koopovereenkomst is opgenomen dat eisers de verkochte strook als siertuin en/of erf, behorende bij de woning, dienen in te richten en als zodanig ingericht dienen te houden. Daarbij is opgemerkt dat de huidige enkelbestemming van het verkochte volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Heiloo Middengebied’ de bestemming ‘Verkeer’ is. [1]
3.1.
Op 17 september 2023 hebben eisers een omgevingsvergunning gevraagd om op hun perceel en de strook een garage te realiseren.
3.2.
De aanvraag heeft betrekking op de activiteiten bouwen [2] en planologisch strijdig gebruik [3] . Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de beoogde garage in strijd is met artikelen 12.2, onder a, 13.1, 13.2, onder a, aanhef en onder 1, en 14.2, onder b, aanhef en onder 2, van het bestemmingsplan. Op het perceel en de strook gelden de bestemmingen ‘Tuin’, ‘Verkeer’, ‘Wonen’ en ‘Waarde-archeologie-2’. Het college heeft getoetst aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Volgens het college zorgt een garage van 5 meter breed ervoor dat het straatbeeld onevenredig nadelig wordt verstoord en wordt de groenstrook naast de woning dusdanig beperkt dat dit het karakter van de wijk nadelig beïnvloedt. Het college trekt de grens bij een garage van maximaal 4 meter breed. Daarom wil het college niet medewerken aan het verlenen van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 6 februari 2024 in stand gelaten. Het college heeft naar aanleiding van de opmerkingen van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Heiloo het bestreden besluit wel voorzien van een aanvullende motivering. Deze luidt – samengevat – als volgt. Het college erkent dat de strook valt binnen de restcategorie ‘overig structurerend groen’ van de hoofdgroenstructuur. Binnen deze categorie mag geen garage gerealiseerd worden. De verkoop van de grond is een privaatrechtelijke aangelegenheid. Hierbij is de gemeente, vertegenwoordigd door de burgemeester, partij en dus niet het college. Er gelden andere bevoegdheden en wettelijke eisen. Omdat inwoners met één overheidsorgaan, de gemeente, te maken hebben en voorstelbaar is dat zij niet weten van de verschillende hoedanigheden van dit orgaan, is in artikel 9 van Pro de koopovereenkomst expliciet een zinsnede opgenomen over de inrichting van de strook. De strook heeft de enkelbestemming ‘Verkeer’ en bebouwing is uitgesloten. Er is geen tegenstrijdigheid tussen de koopovereenkomst en dat wat wordt nagestreefd met de vergunningprocedure. Toch is het college bereid mee te werken aan het bouwen van een garage op een deel van de grond met de bestemming ‘Verkeer’. Hiermee komt het college tegemoet aan de wens voor een garage. Er wordt echter geen medewerking verleend aan een garage breder dan 4 meter.
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Eisers hebben op 17 september 2023 een omgevingsvergunning gevraagd. Dit betekent dat op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing blijft tot het bestreden besluit onherroepelijk wordt. Dit betekent dat op deze procedure de Wabo en bijbehorende regelingen van toepassing blijven.
4.1.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Strijd met het bestemmingsplan
5. Met partijen is op zitting vastgesteld dat het bouwplan alleen in strijd is met artikelen 13.1 en 13.2, onder a, aanhef en onder 1, van het bestemmingsplan wegens het ontbreken van de aanduiding ‘garage’ op de plankaart. Tussen partijen is in geschil of het college gebruik had kunnen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 13.4 van het bestemmingsplan, gelet op de strijd met artikel 13.1 van het bestemmingsplan.
5.1.
De rechtbank is met eisers van oordeel dat het college ten onrechte heeft gesteld dat er geen mogelijkheid is om met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid de omgevingsvergunning te verlenen. Artikel 13.4 van het bestemmingsplan voorziet in een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid bij strijd met artikel 13.2, onder a, aanhef en onder 1, van het bestemmingsplan. Een met deze bepaling strijdige garage is per definitie ook in strijd met artikel 13.1 van het bestemmingsplan, gezien onderdeel i van dat artikel. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 13.4 van het bestemmingsplan voor het bouwen van een garage op een plek zonder de aanduiding ‘garage’ moet daarom mede worden opgevat als een bevoegdheid tot afwijking van onderdeel i van artikel 13.1 van het bestemmingsplan. Een andere uitleg zou de afwijkingsbevoegdheid zinledig maken. Het college heeft dus ten onrechte gesteld dat de strijdigheid met artikel 13.1 van het bestemmingsplan meebrengt dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet van toepassing is.
5.2.
Het voorgaande neemt niet weg dat ook met gebruikmaking van de bevoegdheid uit het Bor een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er is geen rangorde tussen de mogelijkheid van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 1°, van de Wabo, in samenhang met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, en de mogelijkheid van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2°, van de Wabo, in samenhang met het Bor. [4] De aspecten die moeten worden afgewogen bij het al dan niet toepassen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid komen ook aan de orde bij de vraag of het bouwplan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening in het kader van het Bor. Eisers hebben dus terecht voorgedragen dat ook via de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid een omgevingsvergunning had kunnen worden verleend, maar op zichzelf leidt dit nog niet tot de conclusie dat het college dit ook had moeten doen.
5.3.
Het college wil medewerking verlenen aan een garage met een maximale breedte van 4 meter. Eisers hebben onderbouwd dat zij een garage met een breedte van 5 meter nodig hebben. De beoordeling van de rechtbank spitst zich, gelet hierop, toe op de vraag of een garage van 1 meter breder dan het college wil toestaan strijd oplevert met de goede ruimtelijke ordening.
Is sprake van een goede ruimtelijke ordening?
6. Eisers betogen dat het bouwplan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Het perceel en de strook zijn niet bestemd voor ‘Groen-1’ of ‘Groen-2’. Er is dus geen sprake van een ‘hoofdgroenstructuur’ of ‘overig structurerend groen’. In dit geval is sprake van snippergroen. Kennelijk is de afweging gemaakt om de (hoofd)groenstructuur niet nader te waarborgen in de planvoorschriften. Het college heeft ook onvoldoende rekening gehouden met een aantal andere omstandigheden. Het bestemmingsplan en de koopovereenkomst bieden eisers al bouw- en gebruiksmogelijkheden als gevolg waarvan het open en groene karakter van de strook verloren gaat, waaronder een speelhuisje of verharding ten behoeve van parkeren. Een (stedenbouwkundig) oordeel of motivering op dit punt ontbreekt en de gevolgen van de alternatieve mogelijkheden met de grond zijn onvoldoende afgewogen tegen het bouwplan. Tot slot stellen eisers dat een daadkrachtige motivering van het stedenbouwkundige advies, waaruit volgt dat de garage niet breder mag zijn dan 4 meter, ontbreekt. Bij een garage van 5 meter breed blijft een groenstrook van 2,5 meter over. Bij een garage van 4 meter breed blijft een strook van 3,5 meter over. Waarom de laatste afmeting wel voldoende is en de andere niet, is niet door het college gemotiveerd. Ook is nog onduidelijk waarom de stedenbouwkundige grens op maximaal 4 meter is gesteld.
6.1.
In het verweerschrift stelt het college, onder verwijzing naar afbeelding 4 van de toelichting bij het bestemmingsplan, dat de strook onder de ‘hoofdgroenstructuur’ valt. Dat snippers niet specifiek bestemd zijn als groen, maar ook mogelijk zijn binnen andere bestemmingen, maakt niet dat de hoofdgroenstructuur wordt verlaten. Deze wordt juist uitgebreid. De burgemeester heeft met artikel 9 van Pro de koopovereenkomst het open karakter beoogd te waarborgen. Dit komt overeen met het bestemmingsplan, want op gronden met de bestemming ‘Verkeer’ is ook geen bebouwing toegestaan. Deze gronden zijn bestemd voor verkeersdoeleinden, verblijfsdoeleinden, fiets- en wandelpaden, bermen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en speelvoorzieningen. Deze zaken hebben alle een relatief open karakter. Een massief speelhuisje valt hier niet onder. Het straatbeeld wordt onevenredig nadelig verstoord bij een garage van 5 meter breed waarbij tevens de groenstrook dusdanig beperkt wordt dat dit het karakter van de wijk nadelig beïnvloedt. Ook vanuit ruimtelijk perspectief wordt een groter belang gehecht aan het behouden van het karakter van de wijk en een brede strook. De garage moet een zekere stedenbouwkundige ondergeschiktheid hebben in relatie met het hoofdgebouw. Het college trekt de grens bij een breedte van 4 meter, in combinatie met een groenstrook die het gebouw maskeert vanuit de openbare ruimte.
6.2.
De beroepsgrond slaagt. Het college heeft op zich geen bezwaar tegen een garage aan de zijkant van de woning van eisers, maar wil dat een garage maximaal 4 meter breed is, zodat de helft van de strook van 2 meter breed vrij blijft. Dat een garage over de volle breedte van de strook in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, omdat het belang van een groen en open karakter van de grond naast de woning daaraan in de weg zou staan, volgt de rechtbank niet. Eisers zijn eigenaars van de strook. De strook heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemming ‘Verkeer’. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ is het onder meer toegestaan om de strook te betegelen, er te parkeren en er een speeltoestel van 6 meter hoog te bouwen. Daarnaast kunnen eisers op grond van artikel 2 van Pro bijlage II van het Bor vergunningvrij bepaalde bouwwerken op de strook plaatsen, zoals een erfafscheiding. De koopovereenkomst verzet zich niet tegen het voorgaande, aangezien de inrichting van de strook als erf in de overeenkomst uitdrukkelijk is toegestaan. Verder is van belang dat de grond aan de andere kant van de strook eigendom van de gemeente is, zodat de gemeente de aanwezigheid van groen op die grond kan handhaven. Het college heeft de afwijking van het bestemmingsplan daarom niet in redelijkheid in strijd met de goede ruimtelijke ordening kunnen achten.
6.3.
Omdat het voorgaande al meebrengt dat de gevraagde omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik niet geweigerd mocht worden, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het college heeft de omgevingsvergunning niet in verband met strijd met het bestemmingsplan mogen weigeren. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Immers, de aanvraag van eiser betreft ook een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en uit het dossier blijkt niet dat het college aan de andere weigeringsgronden van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo heeft getoetst, zoals strijd met de technische voorschriften van het Bouwbesluit 2012 of strijd met redelijke eisen van welstand. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door hun gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft een punt voor een proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (één punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (één punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 september 2024;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…),
(…)
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
(…)
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, (…);
(…)
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…):
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan (…) opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
(…)
Besluit omgevingsrecht
Artikel 4 van Pro bijlage II
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan (…) wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, (…);
(…)
Bestemmingsplan ‘Heiloo Middengebied’
Artikel 13 Verkeer Pro
13.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Verkeer aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. verkeersdoeleinden;
b. verblijfsdoeleinden;
c. fiets- en wandelpaden;
d. bermen, bermsloten, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
e. groenvoorzieningen;
f. openbare nutsvoorzieningen;
g. parkeervoorzieningen;
h. speelvoorzieningen;
en ter plaatse van de aanduiding:
i. 'garage' tevens voor een garage;
j. 'parkeergarage' tevens voor parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen, alsmede voor bergingen en magazijnen;
De inrichting van de in de bestemming begrepen gronden dient gericht te zijn op een goede doorstroming van het verkeer alsmede op een verblijfsfunctie en de ontsluiting van de aangrenzende gronden. Binnen de bestemming wordt uitgegaan van handhaving van de bestaande wegprofielen en de bestaande inrichting, uitgezonderd ondergeschikte aanpassingen.
13.2
Bouwregels
a. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van garages gelden de volgende regels:
1. garages worden uitsluitend gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'garage';
(…)
b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
1. de bouwhoogte van bouwwerken voor de verkeerstechnische uitrusting bedraagt ten hoogste 12 m;
2. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt ten hoogste 6 m;
3. voor het overige bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 2 m.
13.4
Ontheffing van de bouwregels
Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • de bezonning, privacy en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het straat- en bebouwingsbeeld;
  • de beleving van groen en water;
  • de verkeersveiligheid en toegankelijkheid;
  • parkeerruimte op eigen erf;
  • de sociale veiligheid,
ontheffing verlenen van:
a. het bepaalde in lid 13.2 onder a, punt 1 voor het oprichten van garages buiten een aanduidingsvlak 'garage';
(…)

Voetnoten

1.Artikel 9 van Pro de koopovereenkomst.
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
3.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2985, r.o. 3.4.