Beoordeling door de rechtbank
9. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
10. Het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
11. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
12. De last onder dwangsom is opgelegd vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit betekent dat de Wabo van toepassing blijft in onderhavige procedure.
13. Eiser is het oneens met de opgelegde last onder dwangsom omdat volgens hem een gemeenteambtenaar in 2019 heeft toegezegd dat de grond verhard mocht worden om daarop een schuur te plaatsen. Ook wordt door het college alleen bij eiser gehandhaafd en treedt het in gelijke gevallen niet handhavend op, aldus eiser.
14. Het college stelt dat eiser zijn standpunt over een toezegging niet met bewijsstukken heeft onderbouwd, waardoor geen aanleiding wordt gezien om het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom te herroepen. Ook is het college niet gebleken van gelijke gevallen.
Beoordeling van het bestreden besluit
15. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus vooropstaan. 16. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Was sprake van een overtreding?
17. Het is niet in geschil dat geen omgevingsvergunning is verleend voor verharding van de grond dan wel voor strijdig gebruik met het bestemmingsplan. Eiser heeft in beroep ook niet bestreden dat het gebruik van het perceel voor stalling van voertuigen (al dan niet in verband met autohandel) in strijd is met het bestemmingsplan en dat de verharding van de grond zonder omgevingsvergunning volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Eiser had een omgevingsvergunning nodig om de gronden op zijn perceel te verharden. Nu eiser de gronden heeft verhard zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning is sprake van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. De stalling van voertuigen (al dan niet in verband met autohandel) op gronden met de bestemming “Agrarisch” is ook in strijd met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Er is dus ook sprake van een overtreding van dit verbod.
18. Eiser heeft niet aangevoerd dat sprake is van concreet zicht op legalisatie.
Zijn stelling dat een gemeenteambtenaar in 2019 heeft toegezegd dat de grond verhard mocht worden, leidt wel tot de vraag of eiser een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel.
19. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.Het college ontkent dat een toezegging is gedaan dat de grond verhard mocht worden. De rechtbank is van oordeel dat door eiser niet aannemelijk is gemaakt dat er een toezegging is gedaan. Eiser heeft hier immers geen bewijzen van overgelegd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slechts betrekking heeft op één van de twee overtredingen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat hij bij de aankoop van zijn perceel niet wist dat het een agrarische bestemming heeft en dat hij het perceel anders niet had gekocht. De rechtbank overweegt hierover dat het op de weg van eiser lag om onderzoek te doen naar de regels die op het perceel van toepassing zijn.
20. Eiser voert aan dat in de omgeving soortgelijke situaties zijn waartegen niet door het college wordt gehandhaafd. In dat kader heeft eiser op de zitting gesteld dat op percelen in de buurt veel auto’s en containers staan. Het is eiser onduidelijk waarom alleen in zijn geval wordt gehandhaafd.
21. Eiser kan geen geslaagd beroep doen op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van gelijke gevallen, wat hier betekent dat moet blijken dat het college in een identieke situatie bewust niet handhavend optreedt. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat die situatie zich voordoet. Daarbij is van belang dat uit de jurisprudentie volgt dat bij de handhaving prioriteiten mogen worden gesteld. Een bestuursorgaan moet echter na een verzoek om handhaving een afweging maken in het individuele geval, waarbij het moet bezien of het ondanks de prioritering in dat geval moet optreden.Indien in een dergelijk geval wordt besloten in het individuele geval toch handhavend op te treden levert dat op zichzelf geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur. In dit geval is een melding gedaan over de aanwezigheid van (sloop)auto’s en een rommelige situatie op het perceel van eiser. Daarnaast heeft eiser met de enkele stelling over de aanwezigheid van auto’s en containers op andere percelen niet aannemelijk gemaakt dat daarmee ook sprake is van de opslag van auto’s zoals in zijn geval. Daarbij is ook van belang dat het niet gaat om autobedrijven, maar om een perceel met een groenteboer en een speurhondenschool en om een zorginstelling op een perceel met de bestemming “Maatschappelijk”. De beroepsgrond slaagt niet.