ECLI:NL:RBNHO:2025:14046

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
371916 HA ZA 25-177 en 371919 HA RK 25-179
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wraking van rechters in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Noord-Holland op 21 november 2025 een verzoek tot wraking afgewezen dat was ingediend door een verzoeker in een bestuursrechtelijke procedure. De verzoeker had op 18 en 19 november 2025 verzoeken tot wraking ingediend tegen de wrakingsrechters, die ook de behandelend rechters waren in een eerder wrakingsincident. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat de verzoeker onvoldoende gronden had aangevoerd die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de onpartijdigheid van de rechters in het geding zou zijn. De verzoeker had aangevoerd dat hij niet voldoende tijd had gehad om zich voor te bereiden op de zitting, maar de wrakingskamer oordeelde dat dit geen gegronde reden was voor wraking. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat er sprake was van misbruik van het rechtsmiddel wraking, omdat de verzoeker niet eerst een verzoek tot aanhouding had ingediend voordat hij het wrakingsverzoek indiende. De wrakingskamer heeft daarom besloten dat een volgend verzoek tot wraking van de verzoeker niet in behandeling zal worden genomen. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummers: 371916 HA ZA 25-177 en 371919 HA RK 25-179
Beslissing van 21 november 2025
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] .
Het verzoek is gericht tegen:
mrs. C.W.M. Giesen, W. Veldhuijzen van Zantenen
H. Bakker,
hierna te noemen: de wrakingsrechters.

1.Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft op 18 en 19 november 2025 verzoeken ingediend, waaraan respectievelijk de zaaknummers 371916 HA ZA 25-177 en 371919 HA RK 25-179 zijn toegekend. Hij verzoekt de wraking van de wrakingsrechters, die de behandelend rechters zijn in het wrakingsincident (waaraan zaaknummer C/15/371611 HA RK 25-172 is toegekend, hierna: het primaire wrakingsverzoek) gericht tegen de voorzieningenrechter in de bij deze rechtbank, team Bestuur Algemeen / VK aanhangige zaak met als zaaknummer HAA 25/4029, hierna te noemen: de hoofdzaak.
1.2
De wrakingsrechters hebben niet in de wraking berust.
1.3
De wrakingskamer heeft afgezien van behandeling van de verzoeken ter zitting op de hierna te noemen grond.

2.Feiten

2.1
Op 6 november 2025 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden over het verzoek van verzoeker om voorlopige voorziening (met zaaknummer HAA 25/4029) hangende beroep (met zaaknummer HAA 25/3508) tot schorsing van een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen aan verzoeker opgelegde last onder dwangsom. Het onderzoek ter zitting is gesloten. De voorzieningenrechter heeft aan het einde van de zitting bij wege van ordemaatregel een voorlopige maatregel getroffen en aangekondigd uiterlijk twee weken nadien uitspraak te doen op het verzoek en mogelijk ook op het connexe beroep.
2.2
Op 11 november 2025 heeft verzoeker de wraking verzocht van de voorzieningenrechter (het primaire wrakingsverzoek).
2.3
Op 17 november 2025 is verzoeker (definitief) uitgenodigd voor de zitting van 18 november 2025 om 15.00 uur voor de behandeling ter zitting door de wrakingsrechters van het primaire wrakingsverzoek. Op 17 en 18 november 2025, vóór de zitting, zijn aan verzoeker nader ingekomen stukken toegezonden, waaronder de reactie van de voorzieningenrechter op het primaire wrakingsverzoek en de zittingsaantekeningen van de zitting van de voorzieningenrechter van 6 november 2025. Verzoeker heeft in de ochtend van 18 november 2025 rond 11.00 uur telefonisch contact opgenomen met de rechtbank en meegedeeld uitstel te wensen van de zitting.
2.4
Op 18 november 2025 om 14.51 uur is een (eerste) verzoek van verzoeker tot wraking van de wrakingsrechters ingekomen. Dit verzoek is geregisteerd onder nummer 371916 HA ZA 25-177.
2.5
De rechtbank, bestaande uit de wrakingsrechters, heeft op 18 november 2025 aan verzoeker het volgende bericht, waarbij verzoeker en zijn gemachtigden tezamen als verzoekers zijn aan geduid:
“Een kleine 10 minuten voor de zitting hebben verzoekers een e-mail ingestuurd met drie bijlagen. In een van de bijlagen ‘20251118 mail bos – WK.(verzoek-uitstel hoorzitting)’ hebben verzoekers gevraagd om uitstel van de hoorzitting van 18 november 2025. Zij hebben, onder meer, als redenen opgegeven dat zij nog niet over alle processtukken beschikken, de termijn tussen de oproep en het zittingsmoment minder dan 24 uur was, dat zij de reactie van de rechter van 12 november 2025 pas op 17 november 2025 toegestuurd hebben gekregen en dat zij de procesaantekeningen, waar de gewraakte rechter naar verwijst, pas enkele uren voor de zitting hebben ontvangen. Zij hebben zich kortom niet goed kunnen voorbereiden op de behandeling van het wrakingsverzoek, zo begrijpt de wrakingskamer.
In dezelfde mail hebben verzoekers een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de wrakingskamer. Dat is hoofdzakelijk gebaseerd op de te korte voorbereidingstijd en de veronderstelling dat de wraking toch zou worden behandeld. De wrakingskamer vat dit wrakingsverzoek daarom op als een voorwaardelijk wrakingsverzoek, voor het geval dat het (eerder) gedane aanhoudingsverzoek niet zou worden ingewilligd.
Gelet op de korte oproepingstermijn en de late verstrekking van de stukken zal de wrakingskamer het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het wrakingsverzoek van verzoekers tegen mr. [naam rechter] , inwilligen.
Nu het aanhoudingsverzoek is toegewezen is de voorwaarde voor het wrakingsverzoek weggevallen en behoeft dit daarom geen bespreking meer.
Over het verdere procesverloop zal binnenkort contact met u worden opgenomen.”
2.6
Op 19 november 2025 heeft verzoeker een (tweede) verzoek tot wraking van de wrakingsrechters ingediend. Dit verzoek is geregisteerd onder nummer 371919 HA RK 25-179.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2
Artikel 8:18, vierde lid, uit de Afdeling “Wraking en verschoning van rechters” van de Algemene wet bestuursrecht luidt onder meer:
In geval van misbruik kan de bestuursrechter bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen.
3.3
Artikel 5, tweede lid, van het Wrakingsprotocol rechtbank Noord-Holland luidt onder meer:
De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting
aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren:
a. indien het verzoek kennelijk ongegrond is;
(…)
h. indien het een verzoek tot wraking van de wrakingskamer of één of meer
van haar leden betreft en sprake is van evident misbruik van recht.
3.4
De wrakingskamer ziet aanleiding in deze beslissing op de beide verzoeken te beslissen.
3.5
Naar de kern genomen zijn de feiten en omstandigheden die verzoeker aan het eerste verzoek ten grondslag legt, dat hij op minder dan een werkdag in kennis was gesteld van de zitting en hij nadien nog processtukken ontving.
3.6
In het tweede verzoek verwijst verzoeker naar het handelen van de wrakingsrechters op 18 november 2025 tussen 14.50 en 15.50 uur, te weten de beoordeling of de wrakingszitting moest worden aangehouden. Hij voert naar de kern genomen aan, dat de gewraakte rechters zich na de ontvangst van het eerste wrakingsverzoek van verdere bemoeiing met behandeling van het primaire wrakingsverzoek hadden moeten onthouden.
3.7
Het eerste verzoek kon en kan niet tot wraking leiden, reeds omdat aan dit verzoek uitsluitend beslissingen van de wrakingsrechters over de procesvoortgang (datumbepaling van de zitting en toezenden van stukken) ten grondslag zijn gelegd en rechterlijke tussenbeslissingen als zodanig niet tot inwilliging van een wrakingsverzoek kunnen leiden, omdat het rechtsmiddel wraking niet als rechtsmiddel tegen door verzoeker onjuist geachte procesbeslissingen kan worden ingezet [1] . Dat verzoek was en is daarom kennelijk ongegrond. Bovendien getuigde het indienen van een wrakingsverzoek zonder eerst een (schriftelijk) verzoek om aanhouding van de wrakingszitting in te dienen ook van misbruik van het rechtsmiddel wraking.
3.8
De wrakingsrechters hadden het eerste verzoek dus zonder zitting onmiddellijk kunnen afdoen en over kunnen gaan tot behandeling ter zitting van het primaire wrakingsverzoek. Dat zij het verzoek als voorwaardelijk hebben opgevat en primair hebben opgevat als een verzoek om meer voorbereidingstijd en als verzoek tot aanhouding van de zitting hebben ingewilligd, is in de omstandigheden van het geval meer dan begrijpelijk. Dat verzoeker thans aanvoert, dat het verzoek daarmee niet op een door hem gewenste wijze is opgevat, betekent niet dat het verzoek alsnog zou moeten worden ingewillligd, reeds omdat het ongegrond is, zoals hiervoor onder 3.7 is overwogen.
3.9
Het tweede verzoek is ook kennelijk ongegrond. Weliswaar is juist dat door indiening van een wrakingsverzoek behandeling van de zaak – of het incident – door de betreffende rechter(s) in beginsel wordt geschorst, maar uit de gang van zaken volgt dat de wrakingsrechters het eerste verzoek terecht primair hebben opgevat als een aanhoudingsverzoek. Zij hebben dus niet in strijd gehandeld met de regel dat het onderzoek door hun verzoek zou zijn geschorst. Bovendien laat de hoofdregel onverlet dat de behandelend rechter beslissingen neemt waarmee niet kan worden gewacht. Dat is hier aan de orde omdat de hoofdzaak een zaak ter verkrijging van een voorlopige voorziening betreft waarin spoedeisende belangen aan de orde kunnen zijn. Bovendien dient de behandelend wrakingskamer zich af te vragen of bij deze opeenstapeling van wrakingsverzoeken sprake is van een situatie van misbruik, zodat de wrakingskamer zich ook daarom moest bezinnen op de vraag of wel sprake is van een wrakingsverzoek [2] . Dat sprake was van misbruik is hiervoor onder 3.7 ook reeds vastgesteld.
3.1
De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van het eerste en tweede verzoek naar voren heeft gebracht, leveren dus evident geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. Voorts is het wrakingsmiddel misbruikt. De wrakingverzoeken worden daarom, onder verwijzing naar artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en h, van het Wrakingsprotocol, zonder zitting afgedaan.
3.11
De rechtbank ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking. Uit de gang van zaken volgt dat verzoeker stelt dat hij niet eerst een voor de hand liggend verzoek tot aanhouding heeft willen doen, maar door het onmiddellijk indienen van een wrakingsverzoek de behandeling van het primaire wrakingsverzoek en dus de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft willen traineren. Daarvoor is mede redengevend dat hij heeft aangevoerd – na de ordemaatregel op de zitting – aan te sturen op uitstel van een uitspraak op zijn verzoek om voorlopige voorziening vanwege een of meer andere lopende procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

4.Beslissing

De rechtbank
4.1
wijst het verzoek tot wraking van de wrakingsrechters af,
4.2
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling wordt genomen,
4.3
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de wrakingsrechters en de beide wederpartijen in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
4.4
beveelt dat het proces in het wrakingsincident (en de hoofdzaak) wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. L.M. Kos en mr. P. Reemst, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van B.L. Siekman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.
2.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770.