ECLI:NL:RBNHO:2025:14153

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/15/363217 / HA ZA 25-147
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van gemeenschappelijke zaken na beëindiging van een samenlevingsovereenkomst

In deze zaak hebben partijen, een man en een vrouw, een affectieve relatie gehad en een samenlevingsovereenkomst gesloten. Na het beëindigen van hun relatie zijn zij in een geschil verwikkeld geraakt over de verdeling van gemeenschappelijke zaken, waaronder de woning, bankrekeningen, auto’s en inboedel. De rechtbank heeft op 10 december 2025 uitspraak gedaan. De man vorderde onder andere dat de woning aan hem zou worden toegedeeld, waarbij hij de vrouw een vergoeding voor overbedeling zou betalen. De vrouw vorderde op haar beurt een billijke vergoeding voor het gebruik van de woning en stelde dat de man te veel had bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen over een groot aantal zaken overeenstemming bereikt, maar over de woning en de bijbehorende overwaarde was nog geen consensus. De rechtbank oordeelde dat de woning aan de man kan worden toegedeeld, maar dat de waarde bij een nieuwe taxatie moet worden vastgesteld. De vorderingen van de man met betrekking tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding werden afgewezen, omdat partijen in goed overleg van de samenlevingsovereenkomst zijn afgeweken. De rechtbank heeft de verdeling van de woning en de bijbehorende overwaarde vastgesteld, waarbij rekening werd gehouden met de inbreng van de man uit zijn privévermogen. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/363217 / HA ZA 25-147
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. O. Asscher,
tegen
[de vrouw],
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.A. Knobben.
De zaak in het kort
Partijen hebben een relatie gehad en zijn een samenlevingsovereenkomst aangegaan. De relatie is enige tijd geleden geëindigd. Partijen hebben nog geen overeenstemming bereikt over verdeling van een aantal gemeenschappelijke zaken, zoals de woning, bankrekeningen, auto’s en inboedel. In deze procedure vragen zij de rechtbank beiden om een beslissing te nemen over de verdeling. Ook zeggen zij over en weer dat de ander te weinig heeft bijgedragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zij vorderen daarom nog bedragen van elkaar. Bij de mondelinge behandeling hebben partijen alsnog over een groot aantal zaken overeenstemming bereikt. Over de punten waarover zij geen overeenstemming hebben bereikt, oordeelt de rechtbank onder meer dat de woning (in beginsel) kan worden toegedeeld aan de man, maar – anders dan de man wil – tegen een waarde die bij een nieuwe taxatie moet worden vastgesteld. Bij de verdeling van de overwaarde moet rekening worden gehouden met de bedragen die de man uit zijn privévermogen heeft betaald. De vorderingen over de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden afgewezen, omdat partijen op dit punt vanaf het begin en in goed overleg zijn afgeweken van de samenlevingsovereenkomst.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025 en de daarin genoemde stukken
- een bericht van de man met aanvullende producties 19 tot en met 21, waarbij de man de rechtbank verzoekt zijn eis aan te vullen
- de mondelinge behandeling van 23 september 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond. Zij hebben samen de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 1] (hierna: de woning) gekocht. Mede in dit kader zijn zij op 15 oktober 2020 bij de notaris een samenlevingscontract aangegaan. Partijen hebben daarin onder meer afspraken gemaakt over de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, over gemeenschappelijke goederen en over de gemeenschappelijke woning. Voor zover hier van belang is in het samenlevingscontract het volgende vastgelegd:
Definities
Artikel 2
Inkomen
Waar in deze overeenkomst wordt gesproken over “inkomen” wordt daaronder verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen.
(…)
Kosten van de huishouding
Artikel 3
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door partijen gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Één en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de premies en kosten van verzekeringen die betrekking hebben op aan partijen tezamen toebehorende goederen, de kosten van gezamenlijke vakanties, (…), de rente en kosten van geldleningen die zijn aangegaan in verband met de aanschaf of het onderhoud van de gemeenschappelijk bewoonde woning en van de gezamenlijke goederen, alsmede de kosten van dagelijks onderhoud van de hiervoor bedoelde woning en goederen.
(...)
Een partij die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan die partij op grond van het bepaalde in dit artikel moet dragen, heeft het recht dit meerdere van de andere partij na afloop van het kalenderjaar terug te vorderen. Deze vordering vervalt een jaar na het einde van deze overeenkomst.
(…)
Vergoedingsrechten
Artikel 5
Indien aan het vermogen van een partij een waarde is onttrokken ten behoeve van de andere partij, heeft deze jegens de andere partij recht op een vergoeding gelijk aan de waarde ten tijde van de onttrekking. Het bedrag is direct opeisbaar, tenzij redelijkheid en billijkheid zich tegen directe opeisbaarheid verzetten.
Inboedel
Artikel 6
Tijdens deze overeenkomst worden alle voorwerpen van inboedel alsmede de voor gezamenlijk gebruik bestemde vervoermiddelen door partijen gezamenlijk in eigendom verkregen. (…)
(…)
Gezamenlijke bankrekening
Artikel 9
Indien partijen een bankrekening hebben op beider naam, komt het saldo op deze bankrekening hen gezamenlijk toe, ieder voor de onverdeelde helft. Een tekort op die bankrekening dient door ieder voor de helft te worden gedragen. (…)
Financiering en gebruik van de eigen woning
Artikel 10
Indien de woning aan partijen gezamenlijk toebehoort, dragen partijen de lasten verbonden aan de financiering van de woning, echter met dien verstande dat wat betreft de onderlinge draagplicht ter zake van de aflossingen en rentebetalingen ter zake van de door partijen aangegane hypothecaire geldlening, oorspronkelijk in hoofdsom groot tweehonderd éénentachtigduizendzevenhonderd éénenzeventig euro (€ 281.771,00), partijen met elkaar zijn overeengekomen, daarbij in aanmerking nemende dat het bedrag groot drieënveertigduizend vijfhonderd één euro en zeventwintig eurocent (€ 43.501,27) de hiervoor sub 1 verschenen persoon[rechtbank: de man]
aan eigen middelen heeft aangewend ter zake van de financiering van de aankoop van deze woning, dat de hiervoor sub 2 verschenen persoon[rechtbank: de vrouw]
wat betreft de hypothecaire geldlening draagplichtig zal zijn voor de helft van tweehonderd éénentachtigduizendzevenhonderd éénenzeventig euro (€ 281.771,00) en drieënveertigduizend vijfhonderd één euro en zeventwintig eurocent (€ 43.501,27) ofwel de helft van driehonderd vijfentwintigduizend tweehonderd tweeënzeventig euro en zevenentwintig eurocent (€ 325.272,27), zijnde éénhonderd tweeënzestigduizend zeshonderd zesendertig euro en veertien eurocent (€ 162.636,14) en de hiervoor sub 1 verschenen persoon voor tweehonderd éénentachtigduizendzevenhonderd éénenzeventig euro (€ 281.771,00) minus het bedrag waarvoor de hiervoor sub 2 verschenen persoon draagplichtig is ofwel éénhonderd tweeënzestigduizend zeshonderd zesendertig euro en veertien eurocent (€ 162.636,14) ofwel is hij draagplichtig voor de resterende éénhonderd negentienduizend éénhonderd vierendertig euro en zesentachtig eurocent (€ 119.134,86).
Partijen zijn tijdens deze overeenkomst gelijkelijk gerechtigd tot het gebruik van de woning die aan hen gezamenlijk of aan één van hen toebehoort.
2.2.
De man heeft op 20 december 2021 een schenking van € 26.881,50 van zijn ouders ontvangen. Deze schenking is onder uitsluitingsclausule gedaan. Dit bedrag is aangewend voor de aanleg/verbetering van – en de aanleg van een overkapping in – de tuin bij de woning.
2.3.
Op 24 maart 2023 zijn partijen een geldlening aangegaan bij [bedrijf 1] B.V. voor een bedrag van € 15.000,00 voor de aankoop van een Toyota Yaris. Daarbij is overeengekomen dat rente en aflossing betaald zullen worden in zestig gelijke maandelijkse termijnen van € 205,72 en een slottermijn van € 5.000,00.
2.4.
De relatie van partijen is op 20 april 2024 geëindigd. De vrouw heeft de woning op die datum verlaten. Sindsdien bewoont de man de woning.
2.5.
Op 22 mei 2024 is de waarde van de woning door [bedrijf 2] getaxeerd op € 420.00,00.
2.6.
Partijen hebben nog geen overeenstemming kunnen bereiken over het afwikkelen van de gevolgen van het beëindigen van hun samenleving.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
De man vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Vorderingen van de man op de vrouw met betrekking tot:
kosten van de huishouding inclusief lasten hypothecaire lening
de vrouw gelast binnen twee weken na het vonnis € 13.072,77 aan de man te betalen;
overgespaard inkomen
de vrouw gelast binnen twee weken na het vonnis € 6.322,33 aan de man te betalen;
investering in de gezamenlijk woning (schenking)
de vrouw gelast binnen twee weken na het vonnis € 13.440,50 aan de man te betalen;
periode na beëindiging relatie
de vrouw gelast binnen twee weken na het vonnis € 1.322,18 aan de man te betalen,
Gezamenlijke bankrekening
bepaalt dat het saldo (€ 5.090,05) op de gezamenlijke Rabobankrekening met nummer eindigend op [rekeningnummer] op de peildatum 13 februari 2024 bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen, en
bepaalt dat de vrouw haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking moet verlenen aan het omzetten van de gezamenlijke bankrekening op naam van de man;
Gezamenlijke woning aan de [adres] in [plaats 1]
Primair
bepaalt dat de woning aan de man wordt toebedeeld, waarbij de man voor overbedeling aan de vrouw de vastgestelde vergoeding van € 21.156,71 moet betalen, uiterlijk op het moment van de notariële overdracht van de woning aan hem, en;
de vrouw beveelt om mee te werken aan de verdelingsakte/overdracht/levering van de woning, waarbij dit vonnis in de plaats zal treden van die medewerking (vervangende toestemming) als de vrouw niet na een aanmaning door de man op verzoek van de alsdan handelende notaris meewerkt aan de levering van de woning aan de man;
Subsidiair
de vrouw gelast tot betaling van € 21.750,- aan de man, te verrekenen bij de overdracht van de woning aan de man;
Inboedel
de gezamenlijke inboedel toedeelt aan de vrouw, tegen betaling door de vrouw aan de man van de helft van de door de vrouw zelf vastgestelde waarde van € 14.000,-, te betalen uiterlijk twee weken na dit vonnis, waarbij de vrouw wordt gelast de gezamenlijke inboedel binnen twee weken op te halen en de man voor die tijd € 7.000,- te betalen;
Toyota Yaris
bepaalt dat de Toyota Yaris (met lening) aan de man wordt toebedeeld, waarbij de man voor overbedeling aan de vrouw de vastgestelde vergoeding ter hoogte van € 3.643,40 (€ 7.286,80/2) moet betalen en ervoor moet zorgen dat de vrouw is ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de lening voor de Toyota Yaris, uiterlijk twee weken na dit vonnis;
Citroën
bepaalt dat de Citroën aan de vrouw wordt toebedeeld, waarbij de vrouw voor de overbedeling de vastgestelde vergoeding van € 1.600 (€ 3.100/2) aan de man moet betalen, uiterlijk twee weken na dit vonnis;
Overige verrekening periode na beëindiging relatie
de vrouw gelast om € 109,83 vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen mei 2024 en de daadwerkelijke verdeling aan de man te betalen;
de vrouw gelast haar maandelijkse renteteruggave vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen mei 2024 en de daadwerkelijke verdeling aan de man te betalen;
de vrouw gelast de man € 63,65 te betalen en;
de vrouw veroordeelt in de kosten van dit geding.
3.2.
De man voert onder meer het volgende aan. De man heeft te veel bijgedragen aan de huishoudelijke kosten. De huishoudelijke kosten moesten gedragen worden naar rato van inkomen. Dat is niet gebeurd. Over de jaren 2020 tot en met 2024 heeft de man te veel gedragen. Daarom heeft hij een vordering van € 13.072,77 op de vrouw. Dit volgt uit de aangiften inkomstenbelasting.
Voor de gezamenlijke woning zijn partijen in artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst een regeling overeengekomen. De vrouw is draagplichtig voor 58% van de hypothecaire lening. Deze afspraak is gemaakt omdat de man bij de aanschaf van de woning € 43.501,27 heeft ingebracht. De overwaarde van de woning na aftrek van de hypothecaire lening moet worden verdeeld naar rato van het aandeel dat partijen in de woning hebben afgelost. Omdat de vrouw voor 5,04% heeft afgelost maakt zij aanspraak op 5,04% van de getaxeerde waarde van de woning in mei 2024 van € 420.000,00. Het is juist de waarde per mei 2024 te nemen, omdat de man vanaf toen alle woonlasten heeft gedragen. Een nieuwe taxatie is dan ook niet nodig. De man moet de vrouw daarom € 21.156,71 betalen om de woning over te nemen. Daarnaast heeft de man een regresvordering op de vrouw ter zake van de schenking van zijn ouders van € 26.881,00. De man heeft dit bedrag onder uitsluitingsclausule geschonken gekregen en aangewend voor verbeteringen van de woning.
3.3.
De vrouw voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. Zij voert onder meer het volgende aan. Haar inkomen was lager dan dat van de man. Gemiddeld had zij 37% moeten bijdragen. Zij heeft echter steeds 100% van haar salaris naar de gezamenlijke rekening overgemaakt. Over de jaren bezien heeft zij meer bijgedragen dan overeengekomen. Voor de verdeling van de woning heeft te gelden dat partijen beiden voor 50% eigenaar zijn van de woning. Het is wel juist dat zij naar rato meer moet bijdragen voor de hypothecaire schuld. Daar kan bij de verdeling rekening mee worden gehouden.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.5.
De vrouw stelt ook een tegenvordering in. In reconventie vordert zij (samengevat) dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de wijze van verdeling gelast als volgt:
bepaalt dat de man in de gelegenheid wordt gesteld om de woning tot 1 juli 2025 over te nemen tegen een waarde van € 435.000,00, en daarna tegen de actuele waarde op het moment van feitelijke verdeling, nader vast te stellen door [bedrijf 2] te [plaats 1], tegen uitkering door de man aan de vrouw van de helft van de overwaarde, onder ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw uit de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;
de man veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het laten taxeren van de woning via [bedrijf 2] te [plaats 1], op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de man zijn medewerking niet verleent, met een maximum van € 50.000,00;
bepaalt dat de man hiertoe (vordering onder a) acht weken de tijd krijgt, vanaf de datum van dit vonnis, binnen welke termijn hij een hypotheekofferte voor het benodigde financieringsbedrag moet overleggen en waarbij de daadwerkelijke levering/overdracht binnen twaalf weken na dit vonnis plaatsvindt;
zal bepalen dat wanneer de man niet binnen de gestelde acht weken de hypotheekofferte heeft overgelegd, de man wordt veroordeeld om alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en overdracht van de woning door deze te koop te zetten via [bedrijf 2] tegen een door de makelaar te bepalen vraagprijs, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat hij zijn medewerking niet verleent, met een maximum van € 20.000,00;
voor recht zal verklaren dat partijen in geval van verkoop ieder gerechtigd zijn tot de helft van de verkoopwaarde minus de restanthypotheekschuld en de verkoopkosten;
zal bepalen dat de vrouw voor 57,72% draagplichtig is voor de hypothecaire schuld;
de man zal veroordelen voor de kosten van de huishouding aan de vrouw over de jaren 2020 tot en met 2023 € 9.548,00 zal betalen;
de man zal veroordelen € 7.000,00 aan de vrouw te betalen, zijnde de helft van de waarde van de inboedel van de woning;
zal bepalen dat de Toyota Yaris aan de man wordt toebedeeld en de Citroen Cl aan de vrouw wordt toebedeeld, waarbij de man zorgdraagt voor afbetaling van de geldlening aan [bedrijf 1] B.V. en de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die geldlening en de man aan de vrouw € 3.643,40 moet betalen;
zal bepalen dat het saldo op de gemeenschappelijke bankrekeningen bij helfte moet worden verdeeld;
II. de man zal veroordelen om aan de vrouw een billijke vergoeding, althans een gebruiksvergoeding van € 984,00 per maand te voldoen, ter zake het gebruik door de vrouw [de rechtbank begrijpt: de man] van de gemeenschappelijke woning, ingaande per 1 april 2024 totdat de woning aan de man dan wel aan een derde is geleverd;
III. de man zal veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.
3.6.
De vrouw voert onder meer het volgende aan. Partijen zijn gezamenlijk en voor gelijke delen eigenaar van de woning. De vrouw is bereid de man in de gelegenheid te stellen om de woning over te nemen. Voor de berekening van de te verdelen overwaarde moet daarbij worden uitgegaan van de huidige waarde. Deze moet bij een nieuwe taxatie worden vastgesteld. De overwaarde moet bij helfte worden verdeeld. Wel is zij op grond van de samenlevingsovereenkomst voor 57,72% draagplichtig voor de hypothecaire schuld.
Omdat de vrouw meer heeft betaald aan de kosten van de huishouding dan zij op grond van de samenlevingsovereenkomst had moeten betalen, heeft zij een vordering op de man van € 9.548,00. Omdat de man sinds 1 april 2024 bij uitsluiting gebruik maakt van de woning moet hij voor dit gebruik een vergoeding aan de vrouw betalen. De man moet de helft van de waarde van de inboedel van € 14.000,00 aan de vrouw betalen omdat nagenoeg de gehele inboedel in de woning is achtergebleven.
3.7.
De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. Hij voert onder meer aan dat de samenlevingsovereenkomst een impliciete afspraak over de eigendomsverhouding inhoudt. Een nieuwe taxatie is volgens hem niet aan de orde, onder meer omdat er bij de uitleg van het samenlevingscontract aanknopingspunten zijn om uit te gaan van mei 2024 als peildatum. Een gebruiksvergoeding is volgens hem niet aan de orde omdat de man sinds mei 2024 de hypothecaire lasten van de woning draagt en de vrouw nog wel fiscale voordelen van de hypotheekrenteaftrek geniet. De man betwist ook de door de vrouw gestelde waarde van de inboedel
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie hebben alle betrekking op de afwikkeling van de verbroken samenwoning van partijen. Gelet op die samenhang zullen de vorderingen hieronder gezamenlijk worden besproken en beoordeeld.
Is sprake van schending van artikel 21 Rv?
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw naar voren gebracht dat (de advocaat van) de man in strijd met artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft gehandeld. De vrouw voert het volgende aan. De man verwijst in de conclusie van antwoord in reconventie ter onderbouwing van zijn standpunten naar jurisprudentie. Veel van deze verwijzingen kloppen niet. Soms wordt verwezen naar niet bestaande of niet gepubliceerde uitspraken en soms gaan de uitspraken over een heel ander onderwerp. Daardoor is het niet duidelijk hoe die argumenten bij de standpunten moeten worden geplaatst.
4.3.
In artikel 21 Rv is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Ook staat in dat artikel dat als een partij deze verplichting niet naleeft, de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Met artikel 21 Rv wordt beoogd het achterhouden en verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten uit te bannen, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust.
4.4.
De rechtbank heeft tijdens de voorbereiding van de zitting eveneens vastgesteld dat het merendeel van de verwijzingen naar arresten in de conclusie van antwoord in reconventie niet juist is. In de conclusie wordt met ECLI-nummers naar meer dan tien rechterlijke uitspraken verwezen ter nadere onderbouwing van standpunten of als geldende leer. Slechts een zeer beperkt aantal van die verwijzingen ziet daadwerkelijk op uitspraken over het onderwerp in verband waarmee ze zijn aangehaald. Op enkele uitzonderingen na gaat het om verwijzingen naar uitspraken die a) of niet bestaan of niet gepubliceerd zijn of b) op hele andere rechtsvragen of rechtsgebieden zien. Zo zijn de twee door de man aangehaalde arresten waarin de Hoge Raad zou hebben geoordeeld dat een ongelijke lastenverdeling tot een ongelijke eigendomsverhouding zou leiden niet aangetroffen. Ook verwijst de man voor zijn onderbouwing dat een ongelijke verdeling aangewezen is naar een arrest van de Hoge Raad dat ziet op de huur van bedrijfsruimte. In het kader van verdeling van eigenaarslasten wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een strafzaak over het teweeg brengen van een ontploffing met een Cobra.
4.5.
De rechtbank heeft de advocaat van de man op de zitting om uitleg gevraagd. Zij heeft gezegd dat ze de betreffende verwijzingen had aangetroffen in de Asser-serie en dergelijke en dat er iets niet goed gegaan moet zijn bij het citeren van de uitspraken. Zij heeft aangegeven dat het heel ernstig en vervelend is, maar dat het niet in het belang is van partijen om hierop door te gaan.
4.6.
Vastgesteld kan worden dat het in dit geval niet gaat om feiten die de man zelf niet volledig of niet naar waarheid heeft aangevoerd, maar om onjuiste vermeldingen van gesteld relevante jurisprudentie door de advocaat. De vaststelling dat de advocaat in haar betoog meermaals verkeerde en niet bestaande arresten heeft aangehaald is een ernstige constatering. Deze handelwijze heeft de advocaat van de wederpartij en de rechtbank extra tijd gekost. Het is echter aan de rechtbank en de advocaat van de wederpartij om zelf thuis te zijn in het recht en zich een oordeel te vormen over de aangedragen standpunten van een (weder)partij en daarbij te onderzoeken of die standpunten daadwerkelijk steun vinden in de jurisprudentie. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting uitgebreid verweer gevoerd. Niet is gebleken dat de vrouw door de onjuiste verwijzingen in haar verdediging is geschaad. Daarom zal de rechtbank voor de man geen consequenties te verbinden aan de onjuiste verwijzingen.
De ter zitting gemaakte afspraken
4.7.
Bij de mondelinge behandelingen hebben partijen afspraken gemaakt over een aantal onderwerpen die hen – tot dan – verdeeld hielden. Omdat partijen op die punten overeenstemming hebben bereikt, is hier voor de rechter geen taak meer weggelegd. Wat partijen over deze onderwerpen hebben gevorderd, wordt dan ook afgewezen op de wijze zoals hierna opgenomen in de beslissing. Dit betekent echter niet dat partijen niet gehouden zijn de door hen gemaakte afspraken na te komen. Hieronder zal de rechtbank eerst oordelen over de punten waarover partijen nog geen overeenstemming hebben bereikt en zullen daarna de afspraken die partijen wel hebben gemaakt per onderwerp worden vastgelegd.
Huishoudelijke kosten en overgespaard inkomen
4.8.
De man en de vrouw stellen zich beiden op het standpunt dat zij te veel hebben bijgedragen in de huishoudelijke kosten. Zij vorderen beiden dat de andere partij ter zake nog een bedrag aan hen betaalt. De man vordert daarbij ook om de vrouw te veroordelen om € 6.322,33 aan overgespaard inkomen aan hem te betalen. Hij zegt dat het spaargeld dat partijen gedurende de relatie hebben opgebouwd naar rato van het inkomen aan partijen toekomt. Omdat de vrouw veelal een lager inkomen had en het overgespaarde inkomen (min of meer) bij helfte is verdeeld, heeft hij nog een vordering op haar. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen en licht dat hierna toe.
4.9.
In de samenlevingsovereenkomst (artikel 3) hebben partijen afgesproken om de kosten van de gemeenschappelijke huishouding te dragen naar evenredigheid van ieders inkomens. In artikel 2 van de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat onder inkomen wordt verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen.
4.10.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gezegd hoe partijen vanaf het begin af aan in de praktijk omgingen met de huishoudelijke kosten: ieder van hen stortte zijn/haar volledige salaris op de gezamenlijke rekening. Van die gezamenlijke rekening maakten zij vervolgens steeds gelijke bedragen over naar hun respectievelijke privérekeningen (‘pretrekeningen’) om vrij te kunnen besteden en/of sparen. Als er vervolgens nog geld resteerde op de gezamenlijke rekening werd dat periodiek gestort op de gezamenlijke spaarrekening. De man heeft deze gang van zaken erkend, maar daarbij verklaard dat het soms ook wel gebeurde dat een van partijen niet zijn/haar hele salaris op de rekening stortte en dat dit bij allebei de partijen wel voorkwam. Hij heeft verklaard dat het hem niet zozeer om het geld gaat, maar dat hij precies is gaan bekijken hoe de inbreng aan beide kanten zich tot elkaar verhoudt, omdat hij in het voortraject van de vrouw het verwijt kreeg dat hij elke maand te weinig had betaald.
4.11.
Uit de verklaringen van partijen ter zitting volgt dat zij in de praktijk vanaf het begin af aan feitelijk in goed overleg op een andere wijze zijn omgegaan met de huishoudelijke kosten. In afwijking van artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst hebben zij er gezamenlijk voor gekozen het volledige salaris op de gezamenlijke rekening te storten, daaruit de kosten van de huishouding te voldoen en het restant bij helfte te verdelen. Hieraan hebben zij tijdens hun relatie ook steeds uitvoering gegeven. Omdat partijen in goed overleg tot een andere wijze van betaling van huishoudelijke kosten en verdeling van resterend inkomen zijn gekomen en daar ook uitvoering aan hebben gegeven kunnen zij niet achteraf met een beroep op artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst alsnog aanspraak maken op verrekening naar rato van kosten van de huishouding en/of overgespaard inkomen. Dit wordt nog versterkt doordat artikel 9 van de samenlevingsovereenkomst bepaalt dat het saldo van een gezamenlijke bankrekening aan partijen gezamenlijk toekomt, ieder voor de onverdeelde helft. Deze vorderingen, zowel in conventie als in reconventie, worden daarom afgewezen.
Verdeling van de woning
4.12.
Bij de mondelinge behandeling hebben partijen een aantal afspraken gemaakt over (de verdeling van) de woning. Volledige overeenstemming hebben zij niet bereikt. Vast staat dat partijen geruime tijd in gesprek zijn over verdeling van de woning en dat definitieve afspraken over (de wijze van) verdeling daarvan nog niet zijn gemaakt. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 3:185 Burgerlijk Wetboek (BW) de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. [1] De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. [2] De rechtbank zal de afspraken die partijen wel al hebben gemaakt bij de vaststelling betrekken.
4.13.
Uit de stellingen van partijen in de processtukken en de afspraken die zijn gemaakt tijdens de zitting blijkt dat partijen overeenstemming hebben over de toescheiding van de woning aan de man onder de voorwaarden dat de man de hypothecaire lening voor zijn rekening neemt en de vrouw ontslagen wordt uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die lening en zij haar deel van de overwaarde ontvangt.
4.14.
Zij hebben afgesproken dat man vanaf de datum van dit vonnis vier maanden de tijd krijgt om de woning over te nemen. Als de rechtbank oordeelt dat er een nieuwe taxatie van de woning moet plaatsvinden, gaat de termijn van vier maanden voor de man lopen vanaf het uitbrengen van de taxatie. Ook hebben zij afgesproken dat als de man de woning niet kan overnemen de woning moet worden verkocht.
4.15.
Gelet op deze afspraken zal de rechtbank in de beslissing vastleggen dat het aandeel van de vrouw in de woning onder voorwaarden aan de man wordt toebedeeld en dat de woning zal moeten worden verkocht aan een derde als de man niet aan die voorwaarden kan voldoen. Als de woning moet worden verkocht zullen partijen, overeenkomstig hun afspraak bij de zitting, de verkoopopdracht voor de woning geven aan dezelfde makelaar die als taxateur wordt ingeschakeld (zie hieronder).
Woning moet getaxeerd worden
4.16.
Partijen zijn het echter niet eens over van welke waarde voor de woning daarbij moet worden uitgegaan. De man is van mening dat uitgegaan kan worden van de taxatiewaarde € 420.000,- uit mei 2024, omdat partijen toen hebben afgesproken dat hij de woning mocht overnemen, partijen toen gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot het taxeren van de woning en de vrouw vanaf juni 2024 niet meer heeft bijgedragen aan betaling van de hypotheeklasten. De vrouw heeft in reconventie het standpunt ingenomen dat bij toedeling van de woning aan de man vóór 1 juli 2025 kon worden uitgegaan van een waarde van € 435.000,00. Ter zitting heeft zij gesteld dat de woning opnieuw moet worden getaxeerd omdat die datum inmiddels is verstreken zonder dat er een oplossing kwam.
4.17.
De woning is op 22 mei 2024 getaxeerd op een marktwaarde van € 420.000,-. Dit taxatierapport is inmiddels anderhalf jaar oud. Gelet op de situatie op de huizenmarkt, waarin de prijzen voor koopwoningen nog steeds blijven stijgen, kan niet langer van deze taxatiewaarde worden uitgegaan. Dit betekent dat de woning opnieuw getaxeerd moet worden. De man heeft nog aangevoerd dat de vrouw geen bewijs van waardestijging heeft geleverd, maar dat is niet nodig. Uitgangspunt is dat de waarde moet worden bepaald (zo dicht mogelijk) tegen het moment van verdeling. Om dat te doen volstaat de taxatie van 22 mei 2024 niet.
4.18.
Ook het tussen partijen vaststaande feit dat de vrouw sinds mei/juni 2024 geen betalingen voor de hypotheeklasten heeft gedaan, maakt niet dat een eerdere peildatum gehanteerd moet worden. De man verwijst in dat kader naar een uitspraak van het gerechtshof Den Haag [3] . In die beschikking heeft het hof geoordeeld dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid een eerdere peildatum aangewezen was. In die zaak waren de feiten echter aanmerkelijk anders dan in dit geval: de ene partij verbleef langdurig en zonder toestemming van de ander in de woning zonder enige bijdrage te leveren in de lasten van de woning. Pas na een uitspraak in kort geding verliet de betreffende partij de woning. Daarvan is hier geen sprake: de man die de lasten heeft gedragen verblijft zelf in de woning. Ook hebben partijen sinds zij uit elkaar zijn gegaan getracht in goed overleg tot een oplossing te komen, waarbij van acties om te vertragen geen sprake lijkt te zijn. Bij die stand van zaken vragen de eisen van redelijkheid en billijkheid niet om af te wijken van het algemene uitgangspunt dat als peildatum voor de waarde van de te verdelen woning het tijdstip van de verdeling geldt.
4.19.
Tijdens de zitting hebben partijen al de volgende afspraken gemaakt voor het geval de rechtbank oordeelt dat de woning opnieuw moet worden getaxeerd: de vrouw mag dan binnen een week na dit vonnis drie makelaars in [plaats 1] voorstellen aan de man, waarna de man een van deze makelaars kiest voor de taxatie. De rechtbank zal dit volgen, maar daaraan toevoegen dat de man deze keuze moet maken binnen een week nadat de vrouw haar voorstel heeft gedaan. Partijen zijn overeengekomen dat de kosten van de nieuwe taxatie voor rekening van de vrouw komen en dat de man niet langer aanspraak maakt op vergoeding door de vrouw van de helft van de kosten van de eerdere taxatie in mei 2024.
Vergoeding van de overwaarde
4.20.
De vrouw vordert dat de man haar bij overname van de woning de helft van de overwaarde uitkeert. Ook bij verkoop van de woning wenst zij de helft van de overwaarde te ontvangen. De man zegt dat op andere wijze moet worden afgerekend. Hij zegt dat partijen niet voor gelijke delen eigenaar zijn van de woning. Hij verwijst daarbij naar de afspraak die partijen in artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst hebben gemaakt ter zake van het bedrag dat hij bij aankoop van de woning heeft ingebracht.
4.21.
Uit het bepaalde in artikel 3:166 lid 2 BW volgt dat partijen in beginsel ieder voor de helft eigenaar zijn van de woning. Dat is anders als uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. De man verwijst in dit kader naar artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst. In dat artikel hebben partijen een afspraak gemaakt over de onderlinge
draagplichtter zake van de aflossingen en rentebetalingen van de hypothecaire lening die partijen zijn aangegaan. Overeengekomen is dat de vrouw voor een hoger bedrag draagplichtig is in verband met de extra inbreng van de man uit privévermogen bij de aankoop van de woning. Deze afspraak heeft echter geen effect op de eigendomsverhouding waarbij ieder voor 50% eigenaar is. Zij is juist bedoeld om ervoor te zorgen dat beide partijen uiteindelijk ieder de helft van de aankoopsom van de woning zullen hebben betaald.
Daarbij komt dat de Hoge Raad in 2006 in een geval van huwelijksvoorwaarden heeft geoordeeld dat het enkele feit dat de ene echtgenoot ten behoeve van de verkrijging van het goed een groter bedrag uit zijn privévermogen heeft besteed dan de andere echtgenoot, er niet toe leidt dat uit hun rechtsverhouding voortvloeit dat hun beider aandeel niet gelijk is. [4] Dat is hier niet anders. Partijen zijn dus ieder voor de helft eigenaar van de woning.
Dat, zoals door de man aangevoerd, de redelijkheid en billijkheid en de goede trouw anders eisen volgt de rechtbank niet, omdat de man op andere wijze gecompenseerd kan worden voor de extra inbreng (zie hieronder). Ook volgt het niet uit de (onjuiste) verwijzingen die de man gebruikt om dit standpunt te onderbouwen. De overwaarde zal in beginsel dan ook bij helfte moeten worden verdeeld.
Berekening van het te verdelen bedrag
4.22.
De man heeft bij de aankoop van de woning een bedrag van € 43.501,27 ingebracht uit privévermogen. Partijen zijn het erover eens dat de vrouw de helft van dit bedrag voor haar rekening moet nemen. Dit vormt de grondslag van de afspraak in artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst (hierna: artikel 10) waarin is afgesproken dat de vrouw in totaal meer zal aflossen van de hypotheekschuld dan de man. De afspraak komt erop neer dat de vrouw 57,72% van de hypotheekschuld zal dragen en de man 42,28%.
4.23.
De vrouw vordert voor recht te verklaren dat zij voor 57,72% draagplichtig is voor de hypothecaire schuld. Zij heeft bij de zitting gezegd dat een verklaring voor recht niet nodig is als de rechtbank in de berekening van de overwaarde (en het deel dat haar toekomt) meeneemt dat zij 57,72% van de hypotheekschuld moet dragen. Dat komt volgens de vrouw neer op een bedrag van ongeveer € 19.000,00 dat in de berekening aan de man toekomt. Daarmee is dan de extra inbreng van de man ingelost.
4.24.
De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Partijen hebben met artikel 10 afspraken gemaakt die ervoor moeten zorgen dat de vrouw “inloopt” op de extra inbreng van de man door 57,72% van de aflossingen te betalen. Hiervoor is al uiteengezet dat partijen in de praktijk (in beginsel) hun volledige salarissen op de gezamenlijke rekening overmaakten. Daaruit werden dan de huishoudelijke kosten met inbegrip van de hypothecaire lasten voldaan. Wat over was, werd vervolgens bij helfte verdeeld. Bij die gang van zaken is niet duidelijk dat de vrouw uitvoering heeft gegeven aan de verplichting van artikel 10 om meer dan de man af te lossen. De rechtbank zal er daarom voor de verdeling van de overwaarde ervan uitgaan dat de man € 43.501,27 meer heeft ingebracht en dat dit bedrag met de openstaande hypotheekschuld in mindering wordt gebracht op de te taxeren waarde/verkoopopbrengst om te komen tot de bij helfte te verdelen overwaarde. De door de vrouw gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.
4.25.
Ook het door de man geïnvesteerde bedrag van € 26.881,00 zal op dezelfde wijze als de hiervoor genoemde € 43.501,27 in mindering worden gebracht op de getaxeerde waarde/verkoopopbrengst om de bij helfte te verdelen overwaarde vast te stellen. Tussen partijen staat vast dat de man onder een uitsluitingsclausule € 26.881,00 geschonken heeft gekregen van zijn ouders en dat hij dit bedrag heeft geïnvesteerd in de woning.
4.26.
De vrouw voert het volgende aan. Tegenover de investering van de man staat geen waardevermeerdering voor hetzelfde bedrag. Er heeft ook geen verschuiving plaatsgevonden van het vermogen van de man naar haar vermogen zodat artikel 5 van de samenlevingsovereenkomst de man geen aanspraken geeft. Artikel 6:10 BW geeft de man geen regresrecht, omdat de vrouw geen verplichtingen is aangegaan.
4.27.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de man de aan hem onder uitsluitingsclausule geschonken € 26.881,00 heeft geïnvesteerd in de gezamenlijke woning. In een e-mail van 28 mei 2024 heeft de vrouw aan de man bericht dat het geïnvesteerde bedrag (voor de berekening van de verdeling van de overwaarde) aan hem toekomt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de investering in goed overleg tussen partijen is gedaan en dat het steeds de bedoeling is geweest dat de man daarbij een aanspraak hield op het door hem geïnvesteerde bedrag.
4.28.
Dit bedrag zal daarom worden meegenomen in de berekening van het bedrag dat wegens overbedeling van de man toekomt aan de vrouw bij toedeling van de woning aan de man of bij de berekening van het aan partijen toekomende deel van de (netto) verkoopopbrengst van de woning.
4.29.
Partijen zijn over en weer verplicht de noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten. Daarbij zal de rechtbank, anders dan door de vrouw verzocht, niet alvast een dwangsom bepalen voor het geval de man geen uitvoering zal geven aan zijn verplichting om mee te werken. De rechtbank meent dat de vrouw daar (nog) geen belang bij heeft. Er zijn geen aanwijzingen dat de man niet bereid is mee te werken aan de taxatie en verdeling.
Gebruiksvergoeding
4.30.
De vrouw heeft gevorderd dat de rechtbank een gebruiksvergoeding zal vaststellen omdat de man het uitsluitend gebruik van de woning heeft gehad sinds haar vertrek uit de woning. Ter zitting heeft zij hierover verklaard dat zij deze vordering heeft ingesteld voor het geval de man van haar betaling vordert van haar aandeel in de hypotheeklasten vanaf mei/juni 2024. Deze vordering heeft de man niet ingesteld, zodat de vordering tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding geen nadere beoordeling behoeft.
Verdeling gemeenschappelijke rekeningen
4.31.
Bij de mondelinge behandeling hebben partijen over de gezamenlijke bankrekeningen het volgende afgesproken:
  • het saldo van de gezamenlijke spaarrekening wordt bij helfte verdeeld. Daarna wordt deze rekening opgeheven;
  • de gezamenlijke betaalrekening, waarvan de hypotheek wordt afgeschreven, wordt op naam gezet van de man. Beide partijen zullen hieraan hun medewerking verlenen.
Omdat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, is hier voor de rechter geen taak meer weggelegd.
Verdeling auto’s
4.32.
Bij de mondelinge behandeling hebben partijen over de gezamenlijke auto’s het volgende afgesproken:
  • de Toyota Yaris wordt toegedeeld aan de man;
  • de Citroën wordt toegedeeld aan de vrouw;
  • de man zal ter zake van overbedeling bij de verdeling van de auto’s een bedrag van € 2.093,42 betalen aan vrouw;
  • de man zal de vrouw doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de lening met betrekking tot de Toyota. Als het niet lukt om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze lening, zal de man de vrouw vrijwaren voor deze schuld.
Omdat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, is hier voor de rechter geen taak meer weggelegd.
Verdeling inboedel
4.33.
Bij de mondelinge behandeling hebben partijen over de inboedel het volgende afgesproken:
  • alle inboedelstukken die partijen van hun respectievelijke families hebben gekregen blijven bij de partij die deze stukken van zijn/haar familie heeft gekregen. Verdere persoonlijke spullen blijven bij degene van wie ze zijn. De rest van de inboedelspullen gaan partijen verdelen. De vrouw zal de spullen ophalen die partijen allebei niet willen hebben en zal deze verkopen via Marktplaats. De opbrengst wordt door partijen bij helfte verdeeld. De prijs waarvoor spullen zullen worden aangeboden wordt gezamenlijk bepaald. Als iets verkocht kan worden voor een lager bedrag dan waarvoor het op Marktplaats wordt aangeboden, wordt vooraf tussen partijen overleg gevoerd. Als spullen vier maanden nadat ze te koop zijn aangeboden via Marktplaats niet zijn verkocht, worden die spullen aangemerkt als zonder waarde en bepaalt de vrouw wat er mee gebeurt. Ook de inboedelspullen over welke partijen het niet eens kunnen worden omdat zij deze allebei willen hebben, zullen op dezelfde manier via Marktplaats worden verkocht en de opbrengst zal bij helfte worden gedeeld;
  • de vrouw heeft tot vier maanden na dit vonnis om de haar toekomende inboedel en persoonlijke spullen op te halen uit de woning;
  • als de man de woning niet kan overnemen en de woning moet worden verkocht, moet de vrouw uiterlijk bij overdracht van de woning aan een derde haar inboedel en persoonlijke spullen ophalen uit de woning, ook als zij daarmee een termijn heeft die korter is dan vier maanden.
Omdat partijen aldus overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de inboedel, is hier voor de rechter geen taak meer weggelegd.
Hypotheekrenteaftrek
4.34.
Bij de mondelinge behandeling hebben partijen het volgende afgesproken over de (door de man gevorderde) hypotheekrenteaftrek:
  • de vrouw zal voor zich aangifte inkomstenbelasting over 2024 doen waarin zij de door haar betaalde hypotheekrente zal opvoeren. Als duidelijk is welk bedrag zij terug krijgt in verband met hypotheekrenteaftrek komt van dat bedrag 7/12e aan de man toe en 5/12e aan de vrouw;
  • vanaf 1 januari 2025 tot het moment van de overname van de woning door de man, dan wel de overdracht van de woning aan een derde, komt de hypotheekrenteaftrek volledig toe aan de man;
  • de vrouw doet de aangifte(n) inkomstenbelasting en legt deze over aan de man.
Omdat partijen zo overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de bedragen uit hypotheekrenteaftrek, is hier voor de rechter geen taak meer weggelegd.
Kosten na uiteengaan
4.35.
Verder heeft de vrouw ter zitting erkend dat zij haar aandeel in de kosten die na juni 2024 nog van de gezamenlijke rekening zijn afgeschreven en waarvoor partijen gezamenlijk verantwoordelijk waren nog moet betalen. Ook heeft zij erkend dat diverse van haar privékosten na juni 2024 nog van de gezamenlijke rekening zijn afgeschreven en dat zij deze nog aan de man moet vergoeden. Zij heeft verklaard dat zij zelf ook een overzicht van de kosten heeft gemaakt en dat partijen het daarover wel eens moeten kunnen worden. De man heeft dit niet betwist. De rechtbank neemt daarom aan dat partijen in gezamenlijk overleg tot een verdere afrekening van deze relatief beperkte kosten zullen komen en dat deze vorderingen van de man daarom geen nadere beoordeling behoeven. Omdat de man bij de mondelinge behandeling desgevraagd heeft aangegeven geen aanspraak te maken op betaling door de vrouw van haar aandeel in de hypotheeklasten vanaf juni 2024 – en partijen de hypotheeklasten lijken weg te strepen tegen het gebruik – kunnen deze lasten geen onderdeel zijn van die afrekening.
Proceskosten
4.36.
Omdat het geschil voortkomt uit de affectieve relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschap betreffende de woning aan de [adres] in [plaats 1] als volgt vast, respectievelijk gelast partijen tot verdeling als volgt:
5.1.1.
in opdracht van partijen gezamenlijk moet een taxatie van de woning plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de waarde moet worden bepaald tegen het moment gelegen zo dicht mogelijk tegen het moment van de feitelijke verdeling van de woning (de huidige marktwaarde). Om tot deze taxatie te komen zullen partijen de volgende handelingen verrichten:
  • de vrouw zal de man binnen een week na dit vonnis drie makelaars in [plaats 1] voorstellen,
  • de man zal vervolgens binnen een week een van die drie makelaars kiezen om de woning te taxeren,
  • vervolgens dienen partijen binnen een week de gekozen makelaar een opdracht tot taxatie van de woning verstrekken,
  • beide partijen mogen bij de taxatie aanwezig zijn en de door de taxateur vastgestelde waarde is bindend voor partijen,
  • de kosten van deze taxatie komen voor rekening van de vrouw;
5.1.2.
deelt het aandeel van de vrouw in de woning toe aan de man en rekent de hypotheekschuld toe aan de man onder de volgende voorwaarden:
  • de notariële levering vindt plaats uiterlijk vier maanden na de in 5.1.1. bedoelde taxatie van de woning;
  • uiterlijk ten tijde van de notariële levering van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning aan de man (i) wordt de vrouw ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening of wordt de hypotheekschuld geheel door de man afgelost en (ii) betaalt de man aan de vrouw de helft van de overwaarde welke als volgt wordt berekend. De bij helfte te verdelen overwaarde wordt vastgesteld door op de te taxeren waarde de volgende drie posten in mindering te brengen:
  • de hypotheekschuld
  • het door de man bij de koop uit privévermogen betaalde bedrag van € 43.501,27
  • en het door de man geïnvesteerde bedrag van € 26.881,00;
  • de man draagt de notariskosten voor toedeling; de man draagt ook de eventuele kosten gemoeid met het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid of met de herfinanciering van de hypotheekschuld;
5.1.3.
gelast de vrouw mee te werken aan de in 5.1.2. genoemde notariële levering als de man voorafgaand aan de levering heeft aangetoond dat hij in staat is tot herfinanciering van de bestaande hypothecaire geldlening of voortzetting daarvan onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en financiering van de aan de vrouw te betalen helft van de overwaarde;
5.1.4.
gelast partijen de woning te verkopen aan een derde als niet uiterlijk vier maanden na de in 5.1.1. bedoelde taxatie, maar uiterlijk 1 juni 2026, de levering op de wijze als bepaald in 5.1.2. heeft plaatsgevonden omdat niet aan de daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan (kort gezegd: de man kan het niet financieren). Bij verkoop aan een derde geldt het volgende:
  • als verkoopmakelaar zal optreden (het kantoor van) de makelaar die in opdracht van partijen de nieuwe taxatie heeft verricht,
  • als partijen over de vaststelling van de vraag- of verkoopprijs geen overeenstemming bereiken, zal ieder van hen gerechtigd zijn een bindend advies aan de makelaar te vragen. Partijen zullen gehouden zijn te handelen overeenkomstig dat advies,
  • als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, zijn partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning en elke rechtshandeling te verrichten die daartoe nodig is, zoals het tekenen van de koopovereenkomst en de akte van levering (of een volmacht tot het tekenen van de akte van levering),
  • uit de verkoopopbrengst zullen partijen op de dag van levering de hypotheekschuld aflossen en de kosten van de makelaar en eventuele andere verkoopkosten betalen. Op het restant zullen eerst het door de man bij de koop uit privévermogen betaalde bedrag van € 43.501,27 en het door de man geïnvesteerde bedrag van € 26.881,00 aan de man toekomen. Van het restant zal de helft aan de vrouw en de helft aan de man toekomen,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op
10 december 2025.1155

Voetnoten

1.Artikel 3:185 lid 1 BW
2.HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631,
4.HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938