ECLI:NL:RBNHO:2025:14222

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
HAA 24/2311
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag definitieve berekening NOW-5 tegemoetkoming en terugvordering voorschot

Deze uitspraak betreft de definitieve berekening van de tegemoetkoming onder de Vijfde Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW-5) voor eiseres, die een aanvraag had ingediend voor de definitieve berekening over de zevende aanvraagperiode. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, wat heeft geleid tot een terugvordering van een eerder verstrekt voorschot van € 2.472,00. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op 30 oktober 2025 behandeld, waarbij eiseres en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres had eerder een tegemoetkoming van € 3.091,00 ontvangen, maar de minister stelde vast dat eiseres niet had meegewerkt aan het onderzoek, waardoor niet kon worden vastgesteld of zij recht had op een definitieve tegemoetkoming. De rechtbank concludeert dat de minister de terugvordering van het voorschot ook terecht heeft uitgevoerd. Eiseres voerde aan dat de omzetdaling van haar bedrijven niet correct was berekend, maar de rechtbank oordeelt dat de minister de regels van de NOW-5 correct heeft toegepast en dat er geen reden was om van de standaardberekening af te wijken. De rechtbank volgt de redenering van de minister dat de subsidie moet toekomen aan werkgevers die recht hebben op ondersteuning en dat de beschikbare middelen zorgvuldig moeten worden besteed. Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen vergoeding van proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/2311

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de minister
(gemachtigde: R. Roos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de tegemoetkoming Vijfde Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgevelengheid (NOW-5, zevende aanvraagperiode). De minister heeft de aanvraag van eiseres tot definitieve berekening van de tegemoetkoming afgewezen. Eiseres is het niet eens met die afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen en het te veel betaalde voorschot van eiseres heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming NOW over de zevende aanvraag periode. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 augustus 2023 afgewezen. Omdat eiseres een voorschot heeft ontvangen van € 2.472,00 heeft de minister dat bedrag bij besluit van 15 augustus 2023 van eiseres teruggevorderd.
4. Met het bestreden besluit van 28 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering gebleven.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres de heer [naam] en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het besluit

7. Eiseres heeft op 20 december 2021 een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-5, zevende aanvraagperiode (1 november tot en met 31 december 2021). Aan eiseres is op 27 december 2021 een tegemoetkoming van € 3.091,00 toegekend. Hiervan is een voorschot van € 2.472,00 aan eiseres uitgekeerd.
8. Op 30 november 2022 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming NOW-5, zevende aanvraagperiode. Bij besluit van 9 augustus 2023 heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. Daaraan legt de minister ten grondslag dat eiseres niet heeft meegewerkt aan het onderzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daardoor kan niet beslist worden of eiseres recht heeft op een definitieve tegemoetkoming. Bij besluit van 15 augustus 2023 wordt het te veel betaalde voorschot van € 2.472,00 van eiseres teruggevorderd. Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.
9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij [bedrijf 1] BV eind 2019 heeft overgenomen. In februari 2020 is begonnen met exploiteren onder [bedrijf 2] BV. Toen volgde de coronaperiode. Voor [bedrijf 1] BV is er ten opzichte van 2019 een omzetverlies van meer dan 45%. Voor [bedrijf 2] BV is er ten opzichte van de zomermaanden van 2021 een verlies van 25%. Nu door de minister één referentieperiode wordt opgedrongen moet 2021 als omzetreferentie worden gebruikt voor beide ondernemingen. Deze berekening geeft geen goede voorstelling van de situatie waarin eiseres zich verkeerd heeft. Volgens eiseres moet maatwerk toegepast worden.
10. Bij het bestreden besluit van 28 maart 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daartoe overweegt de minister dat uit artikel 6, negende lid, van de NOW-5 volgt dat indien een rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24a of 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, uitgegaan dient te worden van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 november 2021 bestond. De regeling biedt niet de mogelijkheid om binnen een concern een afwijkende referentieperiode voor de groepsonderdelen te hanteren. Omdat eiseres heeft aangegeven dat sprake is van een omzetverlies van minder dan 20%, ziet de minister geen aanleiding om omzetgegevens op te vragen en is de aanvraag conform NOW-5 afgewezen. Het is de minister niet gebleken dat de uitoefening van de bevoegdheid tot verlaging voor eiseres onevenwichtig uitpakt. Er is dan ook geen reden om van de regeling af te wijken. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Overwegingen

Wat vindt eiseres?
11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het niet terecht is dat de zaken als een concern worden aangemerkt, waar sprake is van twee volledig zelfstandige bedrijven zonder synergiën richting elkaar. [bedrijf 1] BV was een bestaand bedrijf dat in 2019 door eiseres is overgenomen tegen een prijs gebaseerd op omzetten uit voorgaande jaren. [bedrijf 2] BV is in februari 2020 begonnen met exploiteren, waardoor nooit dezelfde referentieperiode kan worden gebruikt om aan de vereiste 20% omzetverlies te komen. Op individuele basis is het omzetverlies 45% respectievelijk 25% maar bij dezelfde referentieperiode is slechts sprake van 18% omzetverlies. In de coronajaren hebben de ondernemingen slecht gedraaid en zijn geen managementfee’s uit de Bv’s gehaald. De NOW steun is dus regelrecht naar het personeel gegaan, waar het ook voor bedoeld was. Eiseres stelt zich daarom op het standpunt dat maatwerk had moeten worden toegepast.
Beoordeling door de rechtbank
12. De rechtbank beoordeelt of de minister de tegemoetkoming op grond van de NOW-5 op juiste wijze definitief heeft vastgesteld.
13. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de minister terecht is uitgegaan van een ‘groep’ als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek. Ook is niet in geschil dat de minister bij de berekening van de omzetdaling terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 6, negende lid, van de NOW-5.
14. De rechtbank interpreteert het verzoek van eiseres om maatwerk als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is, of de berekening heeft geleid tot gevolgen die voor eiseres onevenredig zijn en of de minister om die reden had moeten kiezen voor een berekeningswijze die afwijkt van de NOW-5.
15. Volgens vaste rechtspraak [1] dient de minister bij het lager vaststellen van de NOW op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de Awb een afweging maken tussen het belang van een juiste vaststelling van de NOW enerzijds en de gevolgen van een lagere vaststelling voor eiseres anderzijds. Op grond van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel mogen de voor eiseres nadelige gevolgen van de lagere vaststelling en terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte ontvangen bedragen niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Zoals de Raad in de uitspraak van 11 oktober 2022 [2] heeft overwogen, is de ratio van het evenredigheidsbeginsel niet het tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodige gevolgen.
16. De minister heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift toegelicht dat de subsidie moet toekomen aan werkgevers die het nodig en er recht op hebben en dat de minister het beschikbare budget maar één keer kan besteden. Er dient zorgvuldig omgegaan te worden met besteding van publieke middelen. Daarom maakt de minister in beginsel gebruik van zijn bevoegdheid tot lager vaststellen, de subsidie ten nadele van de werkgever te wijzigen en terugvorderen van de onverschuldigd betaalde subsidiegelden. De minister beoordeeld in de bezwaarfase altijd of er feiten of omstandigheden zijn waarin aanleiding moet worden gezien om af te wijken van de vaste gedragslijn. Hier is in het geval van eiseres geen sprake van, aldus de minister. Tevens is niet gebleken dat eiseres door de terugvordering een bijzonder nadeel heeft ondervonden.
17. De rechtbank volgt dit standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de Raad in de uitspraak van 23 januari 2025 [3] heeft overwogen dat het uitdrukkelijk de bedoeling van de minister is geweest om als uitgangspunt het omzetverlies op het hoogste niveau te bereken terwijl daarop ook nog een uitzondering kan worden gemaakt. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat het aanzienlijk financieel nadeel voor eiseres inherent is aan de gekozen systematiek waarin de omzetdaling berekend wordt op het niveau van het concern. De Raad heeft geoordeeld dat dit financiële nadeel niet als onevenwichtig kan worden aangemerkt.
18. De rechtbank overweegt voorts dat eerder in de procedure aan eiseres de mogelijkheid is geboden gebruik te maken van artikel 7 van de NOW-5, waarbij de omzetdaling van de rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk wordt vastgesteld. Eiseres heeft ervoor gekozen geen gebruik te maken van deze uitzonderingsregeling.
19. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 23 januari 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:145) en 29 oktober 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1606).
2.ECLI:N:CRVB:2022:2207.