ECLI:NL:CRVB:2025:1606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering subsidie NOW-1, NOW-2 en NOW-3 ondanks loonsomdaling en omzetverlies
In deze zaak staat de definitieve vaststelling en terugvordering van subsidies op grond van de NOW-1, NOW-2 en NOW-3 centraal. Appellante had subsidies ontvangen voor loonkosten, maar de minister stelde deze subsidies bij de definitieve vaststelling lager vast dan het voorschotbedrag vanwege een daling van de loonsom en een omzetverlies van minder dan 20%. De minister vorderde de te veel betaalde voorschotten terug. De rechtbank stelde de besluiten van de minister in stand, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraken.
Appellante voerde aan dat de subsidievaststelling niet overeenkomstig de subsidieverlening was en dat de minister onterecht een lagere subsidie vaststelde, onder meer vanwege de toepassing van artikel 4:46 van Pro de Awb en het evenredigheidsbeginsel. Tevens stelde zij dat sprake was van opvolgend werkgeverschap en dat de terugvordering disproportioneel was, wat een schending van het EVRM zou opleveren. De Raad oordeelt dat de minister de subsidies juist heeft vastgesteld volgens de bepalingen van de NOW-regelingen en de Awb. De belangenafweging van de minister is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, en de terugvordering is proportioneel, mede gezien de betalingsregeling.
De Raad wijst het beroep af en bevestigt dat appellante geen gerechtvaardigde verwachting had dat de subsidie definitief gelijk zou zijn aan het voorschot. Ook is geen sprake van een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De besluiten tot lagere vaststelling en terugvordering blijven in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de lagere vaststelling en terugvordering van subsidies op grond van NOW-1, NOW-2 en NOW-3 en wijst het hoger beroep af.