Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de Tweede Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW-2) over de tweede aanvraagperiode. De minister had de subsidie vastgesteld op € 0,00 en het voorschot van € 98.800,00 teruggevorderd, wat eiseres betwistte.
Eiseres voerde aan dat de berekeningswijze onredelijk was, onder meer vanwege het gebruik van maart 2020 als referentiemaand waarin door extra werkzaamheden een piek in loonsom bestond. Zij stelde dat het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel waren geschonden en vroeg om meer maatwerk.
De rechtbank oordeelde dat de minister de subsidie terecht had vastgesteld volgens de wettelijke bepalingen van de NOW-2, waarbij het doel van behoud van werkgelegenheid zwaarwegend is. De financiële nadelige gevolgen voor eiseres zijn niet onevenredig, mede omdat eiseres de loonsom zelf kan financieren en het voorschot reeds is terugbetaald.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de behandeling van het bezwaar en beroep de redelijke termijn had overschreden, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 en een proceskostenvergoeding van € 453,50 aan eiseres. Het beroep werd ongegrond verklaard.