ECLI:NL:RBNHO:2025:14366

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
11328652
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Verdrag van MontrealArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervoerder aansprakelijk voor kosten alternatieve vlucht na annulering

De passagiers sloten een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Georgetown via Paramaribo naar Amsterdam, die door de vervoerder werd geannuleerd. De passagiers regelden zelf een alternatieve vlucht en vorderden vergoeding van gemaakte kosten.

De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder niet had aangetoond dat hij redelijke maatregelen had genomen om de schade te voorkomen, zoals het aanbieden van een alternatief via andere maatschappijen. De passagiers maakten aannemelijk dat zij kosten hadden gemaakt voor een alternatieve vlucht bij KLM, die volledig werden toegewezen.

De overige vervoers- en verblijfskosten werden slechts gedeeltelijk toegewezen omdat de passagiers geen kwitanties konden overleggen en onvoldoende onderbouwing boden. De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van € 4.164,00 plus wettelijke rente en proceskosten. De vordering tot incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van werkzaamheden.

Uitkomst: De vervoerder is veroordeeld tot betaling van € 4.164,00 plus wettelijke rente en proceskosten wegens het niet aanbieden van een redelijk alternatief na vluchtannulering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11328652 \ CV EXPL 24-6868
Uitspraakdatum: 31 december 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser 1],pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor haar minderjarige kind
[minderjarige],
[eiser 2],
[eiser 3],allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. H.E. Sluis
tegen
de naamloze vennootschap
Surinaamse Luchtvaart Maatschappij N.V.
gevestigd te Paramaribo (Suriname)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. A.J.F. Gonesh

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- het verwijzingsvonnis van rechtbank Amsterdam;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 26 en 27 augustus 2023 vervoeren van Georgetown (Guyana) via Paramaribo (Suriname) naar Amsterdam, hierna: de vlucht.
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben op 29 augustus 2023 zelf alternatief vervoer geregeld met als vertrekdatum 30 augustus 2023.
2.4.
De vervoerder heeft de ticketprijs van de ongebruikte tickets (€ 2.008,44) aan de passagiers terugbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 4.657,49, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 708,30 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers stellen dat zij als gevolg van de annulering kosten hebben moeten maken. Deze kosten bestaan uit vervoer van de luchthaven naar Berbice, twee hotelovernachtingen in Berbice, alternatief vervoer vanuit Berbice naar Paramaribo (bestaande uit taxiritten en een boottocht) en een alternatieve vlucht uit Paramaribo naar Amsterdam. Volgens de passagiers is de vervoerder gehouden om deze kosten te vergoeden.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De kantonrechter begrijpt dat de passagiers bij conclusie van repliek hun eis hebben gewijzigd, in die zin dat zij een beroep hebben gedaan op het Verdrag van Montreal. De vervoerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze grondslagwijziging.
4.3.
Artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van
‘schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen’. De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht(en) alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de schade van de passagiers voortvloeit uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’.
4.4.
De vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De passagiers hebben zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de vervoerder hen geen redelijk alternatief heeft aangeboden. Daarover wordt als volgt overwogen.
4.5.
Het is vaste rechtspraak dat indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag [1] na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen, dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. [2] Hoewel dit arrest ziet op de uitleg van de Verordening, is dit arrest ook relevant voor de beantwoording van de vraag of de vervoerder zich kan beroepen op de ‘tenzij-uitzondering’ zoals bedoeld in artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal. [3]
4.6.
Op het moment dat duidelijk werd dat de vervoerder de passagiers niet binnen een redelijke termijn met zijn eigen vloot naar Amsterdam zou kunnen vervoeren, had hij ook de opties bij andere luchtvaartmaatschappijen en/of via andere vervoersmiddelen moeten onderzoeken en aanbieden. De vervoerder heeft met zijn verweer niet aangetoond dat hij aan die verplichting heeft voldaan, noch dat het onmogelijk was om daaraan te voldoen. De vervoerder is daarom in beginsel gehouden om de door de passagiers geleden schade te voldoen.
4.7.
De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan KLM € 5.972,44 hebben betaald voor de vervangende vliegtikets van Paramaribo naar Amsterdam, zodat dit bedrag in beginsel toewijsbaar is.
4.8.
Ten aanzien van de overige verblijfs- en vervoerskosten hebben de passagiers gesteld dat zij niet over kwitanties beschikken, omdat zij deze kosten contant hebben afgerekend. De vervoerder heeft terecht aangevoerd dat het niet valt uit te sluiten dat de passagiers door familie van- en naar de vliegveld zijn gebracht en dat zij bij familie hebben geslapen. De kantonrechter is van oordeel dat de passagiers de gestelde taxikosten (van en naar het vliegveld en de haven in Nickerie) en hotelkosten in Georgetown (tegenover de betwisting door de vervoerder) onvoldoende hebben onderbouwd. Wel vindt de kantonrechter het aannemelijk dat de passagiers kosten hebben gemaakt voor een ferryoversteek van Guyana naar Suriname. Het gevorderde bedrag van € 50,00 per passagier komt de kantonrechter niet onredelijk voor, zodat dit zal worden toegewezen. Voor wat betreft de vervoers- en verblijfkosten in Suriname (na de oversteek) geldt dat de passagiers opnieuw op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat zij gebruik hebben gemaakt van een taxi’s en hotels (in plaats van bijvoorbeeld het openbaar vervoer, vrienden of familie). Het had op de weg van de passagiers gelegen om de door henzelf georganiseerde reis zoveel mogelijk te documenteren. Dat zij dit niet hebben gedaan, komt voor hun eigen rekening en risico.
4.9.
Er kan slechts sprake zijn van ‘schade’ voor zover de gemaakte kosten (€ 6.172,44) [4] het reeds gerestitueerde bedrag (€ 2.008,44) overschrijden. Dat betekent dat de passagiers nog recht hebben op een schadevergoeding ter hoogte van € 4.164,00. De vordering zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, en voor het overige worden afgewezen.
4.10.
De passagiers vorderen de wettelijke handelsrente. Nu de passagiers echter niet de nakoming van een handelsovereenkomst aan de vordering ten grondslag leggen, is geen plaats voor toewijzing van de wettelijke rente bij handelsovereenkomsten in de zin van artikel 6:119a BW. Daarom zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen.
4.11.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.12.
De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de passagiers hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal de vervoerder niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van de passagiers worden begroot op:
- griffierecht
87,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
Totaal
764,00

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 4.164,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2024 tot de dag der algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur.
2.Hof van Justitie van 11 juni 2020 (C-74/19).
3.Zie bijvoorbeeld het vonnis van de kantonrechter van 17 januari 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:1362.
4.€ 5.972,44 + € 200 = € 6.172,44.