ECLI:NL:RBNHO:2025:14466

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
HAA 23/3567 & HAA 23/4325
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom tot verwijdering van zonder omgevingsvergunning gerealiseerde bouwwerken

Deze uitspraak betreft de beroepen van eisers 1 en 2 tegen een last onder dwangsom die aan eisers 1 is opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad. De last is opgelegd naar aanleiding van een handhavingsverzoek van eisers 2, die naast het perceel van eisers 1 wonen. De rechtbank oordeelt dat verweerder handhavend mocht optreden tegen de onrechtmatige bouwwerken, maar dat de begunstigingstermijn niet gelijk is gehanteerd voor alle bouwwerken. De rechtbank legt uit dat de last onder dwangsom is opgelegd omdat de bouwwerken zijn gerealiseerd zonder de vereiste omgevingsvergunning, in strijd met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bestemmingsplan. De rechtbank heeft de beroepen op zitting behandeld en na afloop het onderzoek gesloten. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten van verweerder voor zover het de begunstigingstermijn betreft en stelt deze vast op zes weken na de uitspraak. De rechtbank oordeelt dat de eisers 2 geen belang meer hebben bij hun beroepen tegen de eerdere besluiten, omdat verweerder inmiddels een volledig handhavingsbesluit heeft genomen. De rechtbank wijst ook op de proceskostenvergoedingen voor beide partijen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 23/3567 en HAA 23/4325
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaken tussen

HAA 23/3567:[eiser 1 in 23/3567 en derde partij in 23/4325] en [eiseres 1 in 23/3567 en derde partij in 23/4325] , uit [plaats] , eisers 1

(gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Kliphuis).
Als derde-partij nemen aan deze zaak deel:
[eiser 2 in 23/4325 en derde partij in 23/3567] en [eiseres 2 in 23/4325 en derde partij en 23/3567], uit [plaats]
(gemachtigde: mr. D. Quakernaat).

HAA 23/4325:[eiser 2 in 23/4325 en derde partij in 23/3567] en [eiseres 2 in 23/4325 en derde partij en 23/3567] , uit [plaats] , eisers 2

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Kliphuis).
Als derde-partij nemen aan deze zaak deel:
[eiser 1 in 23/3567 en derde partij in 23/4325] en [eiseres 1 in 23/3567 en derde partij in 23/4325], uit [plaats]
(gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de beroepen betreffende een aan eisers 1 opgelegde last onder dwangsom. De opgelegde last is opgelegd naar aanleiding van een handhavingsverzoek van een van eisers 2 en ziet op het verwijderen en verwijderd houden van meerdere onrechtmatige opstallen op het perceel van eisers 1. Eisers 2 wonen naast dat perceel.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder handhavend mocht optreden tegen de opstallen, maar ten onrechte niet dezelfde begunstigingstermijn voor alle opstallen heeft gehanteerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1
Bij het primaire besluit van 22 december 2022 heeft verweerder, naar aanleiding van een handhavingsverzoek van [eiseres 2 in 23/4325 en derde partij en 23/3567] , aan eisers 1 een last onder dwangsom opgelegd tot het verwijderen en verwijderd houden van een aantal opstallen op hun perceel.
2.2
Zowel eisers 1 als eisers 2 hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3
In het besluit van 30 mei 2023 (bestreden besluit I) heeft verweerder op de bezwaren beslist en hierbij het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
2.4
Eisers 1 en eisers 2 hebben tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.
2.5
Zowel eisers 1 als eisers 2 hebben nadere stukken ingediend.
2.6
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.7
Op 27 februari 2025 heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II). Hierbij heeft verweerder de last onder dwangsom ten aanzien van bouwwerk C herroepen. Daarnaast heeft verweerder aangekondigd alsnog een last onder dwangsom ten aanzien van de schuur aan eisers 1 te zullen opleggen.
2.8
De rechtbank heeft de beroepen op 10 maart 2025 op zitting behandeld. [eiser 1 in 23/3567 en derde partij in 23/4325] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [eiser 2 in 23/4325 en derde partij in 23/3567] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is verschenen, vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en [naam 2]
2.9
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in beide zaken gesloten.
2.1
Op 15 april 2025 heeft verweerder een aanvullend handhavingsbesluit genomen (bestreden besluit III). Hierbij heeft verweerder aan eisers 1 een last onder dwangsom opgelegd tot het verwijderen en verwijderd houden van bouwwerk C en de schuur.
2.11
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek in beide zaken heropend en eisers 1 en eisers 2 in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op bestreden besluit III te reageren. Eisers 1 en eisers 2 hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
2.12
Verweerder heeft schriftelijk gereageerd op de reacties van eisers 1 en eisers 2 op bestreden besluit III.
2.13
Nadat geen van de partijen binnen de daartoe gestelde termijn heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 19 september 2025 gesloten.
Totstandkoming van de besluiten
3.1
In het verzoek om handhaving is verzocht handhavend op te treden tegen een aantal vermeend onrechtmatige bouwwerken op het perceel van eisers 1, [adres 1] in [plaats] . Eisers 2 wonen op het naastgelegen perceel [adres 2] .
3.2
Op 19 mei 2022 hebben gemeentelijke toezichthouders het perceel van eisers 1 gecontroleerd en geconstateerd dat:
- op het voorerf (voor de woning) een overkapping voor het opslaan van stookhout is gebouwd; de overkapping heeft een oppervlakte van 4,25 m2 (3860 mm x 1100 mm) en een hoogte van 2000 mm (bouwwerk A);
- op het voorerf (voor de woning) een overkapping voor het opslaan van bouwmateriaal is gebouwd; de overkapping heeft een oppervlakte van 8,31 m2 (3000 mm x 2770 mm) en een hoogte van 1300 mm (bouwwerk B);
- een overkapping, waaronder kliko's zijn gestald, is gebouwd; deze overkapping is gesitueerd op het achtererf en voor een klein deel op het voorerf; de overkapping heeft een oppervlakte van 4,23 m2 (4450 mm x 950 mm) en een hoogte van 1520 mm (bouwwerk C); - een overkapping aan het woonhuis is gebouwd; deze overkapping is deels gesitueerd op het achtererf en deels op het voorerf; de overkapping heeft een oppervlakte van 23,71 m2 (4800 mm x 4940 mm) en een hoogte van 2900 mm (bouwwerk D).
3.3
Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eisers 1 een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De overkappingen zijn namelijk gerealiseerd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk en voor het handelen in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening. De overkappingen zijn niet vergunningvrij op grond van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De overkappingen zijn in strijd met de beheersverordening ‘Bedrijventerrein Molletjesveer’, waarin de regels van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Molletjesveer’ opnieuw van toepassing zijn verklaard.
3.4
Bouwwerken A, B en D zijn gelegen op grond met de bestemming ‘Tuinen’ (artikel 5 van het bestemmingsplan). Bouwwerk C is gelegen op zowel grond met de bestemming ‘Tuinen’ als op grond met de bestemming ‘Erven’ (artikel 6 van het bestemmingsplan).
3.5
Binnen de bestemming ‘Tuinen’ zijn overkappingen niet toegestaan. Bouwwerken A, B en D zijn daarmee in strijd met de beheersverordening en het bestemmingsplan. Een overkapping op grond met de bestemming ‘Erven’ is onder voorwaarden toegestaan. Bouwwerk C staat echter deels op de bestemming ‘Tuinen’, waarop overkappingen niet zijn toegestaan. Daarmee is bouwwerk C ook in strijd met de beheersverordening en het bestemmingsplan.
3.6
Verweerder heeft onderzocht of een omgevingsvergunning voor afwijking van de beheersverordening en het bestemmingsplan kan worden verleend, maar is tot de conclusie gekomen dat dit niet mogelijk is, omdat het bouwen van overkappingen in het voorerf als een niet wenselijke ontwikkeling wordt gezien. Dit staat in de Nota Woonbebouwing Zaanstad 2020. Voor bouwwerk C is het wel mogelijk om deze aan te passen zodat deze volledig op grond met de bestemming ‘Erven’ komt te staan. Als ook wordt voldaan aan alle voorwaarden uit de beheersverordening en het bestemmingsplan kan bouwwerk C eventueel gelegaliseerd worden. Verweerder heeft in zijn voornemen tot het opleggen van de last eisers 1 de gelegenheid geboden om voor 31 juli 2022 een omgevingsvergunning aan te vragen voor bouwwerk C, maar dat hebben eisers 1 niet gedaan.
3.7
Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eisers 1 de volgende last onder dwangsom opgelegd:
‘U dient de overkappingen (bouwwerken A, B en D) aan de [adres 1] in [plaats] te (laten) verwijderen en verwijderd te houden. U dient de overkapping (bouwwerk C) voor het deel gelegen op het voorerf te verwijderen en verwijderd te houden.
U krijgt 8 weken de tijd om de overtredingen te beëindigen. Voldoet u aan deze last niet, niet volledig, of niet tijdig dan verbeurt u - met ingang van de dag na afloop van de termijn - een dwangsom van:
· voor overkapping/bouwwerk A € 1.500,- ineens
· voor overkapping/bouwwerk B € 1.500,- ineens
· voor overkapping/bouwwerk C € 1.500,- ineens
· voor overkapping/bouwwerk D € 2.000,- ineens.’
3.8
Bij besluit van 2 februari 2023 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op het bezwaar van eisers 1 tegen het primaire besluit.
3.9
Met bestreden besluit I is de last onder dwangsom in stand gelaten. Wel is een aanvullende motivering opgenomen betreffende de schuur. De schuur is ook bij de controle betrokken maar daarvoor is afgezien van handhaving. Dat heeft verweerder in het primaire besluit echter niet gemotiveerd. In navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie doet verweerder dat in bestreden besluit I alsnog.
3.1
Verweerder ziet wat betreft de schuur van handhaving af, omdat de schuur op grond van artikel 2, aanhef en onder 3, van bijlage II van het Bor vergunningvrij is. De oppervlakte van de schuur valt namelijk binnen het maximale aantal vierkante meters aan vergunningvrije bouwwerken in het bebouwingsgebied.
Ten aanzien van de maximaal te bebouwen oppervlakte in het bebouwingsgebied is in artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, aanhef en onder 2o, van bijlage II van het Bor bepaald dat de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2, niet meer mag bedragen dan 50 m2 vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2.
De toegestane maximaal te bebouwen oppervlakte van het bebouwingsgebied bedraagt in dit geval: 50 m2 plus 20% van 85 m2 (185 m2 - 100 m2). Dat komt neer op 50 m2 plus 17 m2 en dus mag maximaal 67 m2 worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken. De oppervlakte van het bijbehorende bouwwerk (de schuur) bedraagt 55 m2. Dat is kleiner dan 67 m2 en voldoet daarmee aan artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, van bijlage II van het Bor.
3.11
Op 13 juni 2023 hebben eisers 1 de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om de last onder dwangsom bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Bij besluit van 14 juni 2023 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot de uitspraak van de voorzieningenrechter op dat verzoek. Verweerder heeft met het besluit van 29 juni 2023 de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak op het beroep van eisers 1 tegen bestreden besluit I. Op 30 juni 2023 hebben eisers 1 het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.
3.12
Tijdens de voorbereiding ten behoeve van deze procedure is verweerder tot de conclusie gekomen dat de vaststelling van de bestemming van de grond waarop bouwwerk C staat en de berekening van de oppervlakte van het bebouwingsgebied niet juist zijn. Daarom heeft verweerder op 27 februari 2025 bestreden besluit II genomen. Ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengen de beroepen tegen bestreden besluit I van rechtswege beroepen tegen dit besluit mee.
3.13
Ten aanzien van de schuur is verweerder tot de conclusie gekomen dat de oppervlakte van het achtererfgebied niet 329 m2 bedraagt, maar 121,79 m2. Het resterende bebouwingsgebied is minus de aanbouw (vanaf de voorgevelrooilijn): 121,79 m2 - 36,4 m2 = 85,39 m2. Toegepast op de situatie is het resterende vergunningvrij te bebouwen oppervlak ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, aanhef en onder 1o, van bijlage II van het Bor 42,69 m2 (50 % van 85,39 m2). De schuur heeft een oppervlakte van 55 m2 en is daarmee te groot om binnen het vergunningvrije bebouwingsgebied te vallen.
Verweerder heeft onderzocht of legalisatie mogelijk is, maar is tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. De schuur staat deels op grond met de bestemming ‘Tuinen’, waarop een schuur niet is toegestaan. Het deel van de schuur dat op grond met de bestemming ‘Erven’ staat, voldoet niet aan artikel 6, derde lid, aanhef en onder f, aanhef en onder 1, van het bestemmingsplan, omdat de breedte meer dan de helft van de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt. Handhavend optreden is volgens verweerder ook niet dusdanig onevenredig in verhouding met de daarmee te dienen doelen dat van optreden moet worden afgezien. Verweerder besluit daarom in bestreden besluit II dat handhavend zal worden opgetreden waarbij een last onder dwangsom wordt opgelegd. In bestreden besluit II wordt echter nog geen concrete last onder dwangsom ten aanzien van de schuur geformuleerd.
3.14
Ten aanzien van bouwwerk C overweegt verweerder in bestreden besluit II dat dit niet deels maar geheel op grond met de bestemming ‘Erven’ is gelegen. Daarom is geen sprake van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Verweerder herroept dan ook de last ten aanzien van bouwwerk C.
Bouwwerk C betreft volgens verweerder wel een bouwwerk waar een omgevingsvergunning voor dient te worden aangevraagd conform artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Verweerder stelt eisers 1 in de gelegenheid om binnen zes weken na dagtekening van bestreden besluit II een omgevingsvergunning aan te vragen.
3.15
Met bestreden besluit III heeft verweerder een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom ten aanzien van bouwwerk C en de schuur genomen. Ingevolge artikel 6:19 van de Awb brengen de beroepen tegen bestreden besluit I van rechtswege ook beroepen tegen dit nadere besluit mee.
Ten aanzien van de schuur stelt verweerder dat het deel van de schuur dat is gelegen in het voorerfgebied niet vergunningvrij is, omdat artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, van bijlage II van het Bor alleen ziet op bouwwerken in het achtererfgebied.
Uit opnieuw uitgevoerde berekeningen blijkt dat de schuur voor zover gelegen op het achtererfgebied, te groot is om binnen het vergunningvrije bebouwingsgebied te vallen.
Verweerder stelt in bestreden besluit III dat de vergunningvrij te bebouwen oppervlakte op het perceel 59,958 m2 bedraagt. Volgens verweerder is het bebouwingsgebied namelijk 149,79 m2. Omdat het bebouwingsgebied groter is dan 100 m2 en kleiner dan 300 m2, is artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, aanhef en onder 2o, van bijlage II van het Bor van toepassing. Toegepast op de situatie is de vergunningvrij te bebouwen oppervlakte: 50 m2 + 20 % van 49,79 m2 = 59,958 m2. Omdat de bestaande aanbouwen bij het hoofdgebouw al een gezamenlijke oppervlakte hebben van 69,9 m2 is er al 10 m2 meer legaal gerealiseerd dan artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, aanhef en onder 2o, van bijlage II bij het Bor toestaat. Daarmee is geen vergunningvrije ruimte meer over voor extra bijbehorende bouwwerken. Verder blijft verweerder bij zijn standpunt dat geen concreet zicht is op legalisatie omdat de schuur in strijd is met het bestemmingsplan en de Nota Woonbebouwing geen aanvullende ruimte biedt om bijbehorende bouwwerken hier te vergunnen.
Ten aanzien van bouwwerk C overweegt verweerder dat geen aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend en dat de in bestreden besluit II geboden termijn van zes weken inmiddels is verstreken.
Bij bestreden besluit III is aan eisers 1 de volgende last onder dwangsom opgelegd:
‘U dient binnen 3 maanden na verzending van dit besluit de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden.
- U dient de schuur, gelegen aan de [adres 1] te [plaats] , te verwijderen en verwijderd te houden (last 1);
- U dient bouwwerk C (overkapping) te verwijderen en verwijderd te houden.
Als aan de definitieve last niet, niet volledig of niet tijdig wordt voldaan, verbeurt u met ingang van de dag na afloop van de hiervoor genoemde termijn voor de last, een dwangsom van:
- € 30.000,- ineens als niet wordt voldaan aan last 1;
- € 5.000,- ineens als niet wordt voldaan aan last 2.’
3.16
Op 19 mei 2025 hebben eisers 1 verweerder verzocht om de bij bestreden besluit III gestelde begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de uitspraak op hun beroep. Bij besluit van 16 juni 2025 heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Ingevolge artikel 6:19 van de Awb brengt het beroep van eisers 1 tegen bestreden besluit I van rechtswege ook beroep tegen deze afwijzing mee (bestreden besluit IV). [1]
3.17
Op 27 juni 2025 hebben eisers 1 de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om de last onder dwangsom ten aanzien van de schuur en bouwwerk C bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Bij besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder de begunstigingstermijn ten aanzien van de schuur en bouwwerk C verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter op dat verzoek. Bij uitspraak van heden (zaaknummer HAA 25/2951) heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen, gelet op deze uitspraak van de rechtbank.
Bespreking van de beroepen
Waar gaat het nog om?4.1 Ter zitting hebben eisers 1 bevestigd dat zij de last ten aanzien van bouwwerken A en B niet betwisten. De last ten aanzien van bouwwerk D, die is gehandhaafd bij bestreden besluit I, bestrijden eisers 1 wel. Eisers 1 bestrijden ook de in bestreden besluit II neergelegde beslissing van verweerder om alsnog handhavend op te treden tegen de schuur, en de aanvulling van die beslissing bij bestreden besluit III door oplegging van een last ten aanzien van de schuur. Eisers 3 bestrijden verder de bij bestreden besluit III opgelegde last ten aanzien van bouwwerk C. Zij bestrijden ten slotte de duur van de begunstigingstermijn die van toepassing is op de bij bestreden besluit III opgelegde last, en de in bestreden besluit IV neergelegde weigering van verweerder om deze termijn verder te verlengen.
4.2
Eisers 2 hebben ter zitting hun beroepsgrond over de verlenging van de begunstigingstermijn ingetrokken. Zij bestrijden bestreden besluit I omdat verweerder daarbij heeft beslist om niet handhavend op te treden tegen de schuur. Die beslissing is achterhaald doordat verweerder bij bestreden besluiten II en III heeft beslist om alsnog handhavend op te treden tegen de schuur. Dit betekent dat eisers I geen belang meer hebben bij hun beroep tegen bestreden besluit I, zodat dat beroep niet-ontvankelijk is. Eisers 2 bestrijden besluit II omdat verweerder daarbij ten aanzien van de schuur een onvolledig besluit heeft genomen door geen concrete last ten aanzien van de schuur op te leggen. Nu verweerder een dergelijke last bij bestreden besluit III alsnog heeft opgelegd, hebben eisers 2 ook geen belang meer bij hun beroep tegen bestreden besluit II, zodat ook dat beroep niet-ontvankelijk is. Tegen bestreden besluit III voeren eisers 2 aan dat dit besluit niet duidelijk is ten aanzien van bouwwerken A, B en D.
Algemeen toetsingskader handhaving
5. Als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving staat dus voorop. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien, kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Heeft verweerder in redelijkheid een last onder dwangsom kunnen opleggen ten aanzien van bouwwerk D?
6.1
Eisers 1 bestrijden niet dat er wat betreft bouwwerk D sprake is van een overtreding. Zij betogen echter dat er concreet zicht is op legalisatie. Ter zitting hebben eisers 1 gezegd voor dit bouwwerk een vergunning aan te gaan vragen. Mede gezien het tijdsverloop - het bouwwerk staat er al sinds 2016 - dient verweerder de vergunning te verlenen. Eisers 1 stellen zich op het standpunt dat bouwwerk D in het achtererfgebied ligt. Daarom gaat het argument van verweerder dat hij op grond van de Nota Woonbebouwing niet meewerkt aan bouwwerken in het voorerfgebied, niet op. Eisers 1 stellen zich op het standpunt dat de voorgevel van het in het midden aan de voorkant uitstekende bouwdeel van hun T-vormige woning bepalend is voor het vaststellen van het achtererfgebied. Bouwwerk D ligt achter de lijn die dit bouwdeel doorkruist op 1 m achter de voorgevel van dit bouwdeel.
6.2
Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt onjuist. Blijkens de Nota van Toelichting bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Bor (Stb. 2014, nr. 333, blz. 29) bestaat in geval van L-vormige en T-vormige gebouwen, zoals de woning van eisers 1, de voorkant uit meerdere geveldelen. Bij dergelijke situaties, waarbij de voorgevel verspringt, loopt de lijn die bepalend is voor het achtererfgebied, in een knik evenwijdig met deze geveldelen mee. Dat heeft tot gevolg dat bouwwerk D, anders dan eisers 1 stellen, wel in het voorerfgebied ligt. Bouwwerk D bevindt zich immers vóór een van de bouwdelen die de hoofdmassa van de woning vormen. Er is daarom geen sprake van concreet zich op legalisatie, gelet op de Nota Woonbebouwing. Het enkele tijdsverloop sinds de realisatie van het bouwwerk is geen omstandigheid die handhavend optreden onevenredig maakt. Eisers 1 hebben dus geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder van handhavend optreden moest afzien.
Heeft verweerder in redelijkheid een last onder dwangsom kunnen opleggen ten aanzien van de schuur?
7.1
Eisers 1 stellen zich op het standpunt dat de berekening die verweerder maakt van het bebouwingsgebied niet klopt. Daarbij voeren eisers 1 aan dat verweerder ten onrechte een deel van de sloot en de oever aan de achterzijde van het perceel niet meetelt bij de berekening van het bebouwingsgebied. Mede omdat de sloot geen openbaar vaarwater is, dient de strook grond die de oever beslaat te worden meegeteld bij de berekening.
Voorts voeren eisers 1 aan dat moet worden uitgegaan van een bebouwingsgebied van 149,79 m2 - 69,9 m2 = 79,89 m2. Dit getal dient op grond van artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, aanhef en onder 2o, van bijlage II van het Bor, te worden gedeeld door 2. Eisers 1 komen daarmee uit op een vergunningvrij te bebouwen oppervlakte van 39,95 m2. Indien de oeverstrook wordt meegerekend, dan wordt het bebouwingsgebied 79,89 m2 + 22 m2 = 101,89 m2. Toepassing gevende aan artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, aanhef en onder 2o, van bijlage II bij het Bor, is de berekening dan 50 m2 + 20 % van 1,89 m2 = 50,88 m2. Omdat de schuur een oppervlakte heeft van 55 m2, stellen eisers 1 zich op het standpunt dat het onevenredig is als de hele schuur dient te worden afgebroken. Eisers 1 stellen dat zij op grond van de evenredigheid slechts 5 m2 moeten verwijderen. Eisers 1 voeren verder aan dat onduidelijk is in hoeverre de schuur in het voorerfgebied is gelegen. Ook voeren zij aan dat de schuur al aanwezig was toen zij in 2007 hun woning kochten en dat destijds het in stand laten van een illegaal bouwwerk nog niet verboden was.
7.2
Dit betoog slaagt niet. Op grond van artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor wordt onder ‘bebouwingsgebied’ verstaan: achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw. Op grond van hetzelfde artikellid wordt onder ‘achtererfgebied’ verstaan: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de nieuwe berekening in bestreden besluit III alsnog het later aangebouwde voorste bouwdeel van de woning (28,5 m2) heeft meegenomen. Alle latere toevoegingen aan het oorspronkelijk hoofdgebouw dienen immers op grond van de definitie van ‘bebouwingsgebied’ in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor te worden meegenomen bij deze berekening. Gelet op bestreden besluit III en de plattegrond met oppervlakteberekeningen die bij bestreden besluit II is gevoegd, heeft verweerder overeenkomstig deze bepaling ook de later gerealiseerde aanbouw aan de zijkant van de woning bij de vaststelling van het bebouwingsgebied betrokken, alsmede het achtererfgebied dat naast deze aanbouw en achter de gehele woning is gelegen. Dit komt neer op een bebouwingsgebied van 149,79 m2. Dit heeft tot gevolg dat artikel 2, aanhef en onder 3, aanhef en onder f, aanhef en onder 2o, van bijlage II van het Bor van toepassing is. Dat betekent dat het maximumoppervlak aan vergunningvrij te bouwen bijbehorende bouwwerken 59,958 m2 is (50 m2 + 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2). De bestaande aanbouwen aan het oorspronkelijk hoofdgebouw hebben samen een oppervlakte van 69,9 m2 (41,4 m2 + 28,5 m2). Daarmee is het maximum aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken al overschreden. Dat betekent dat de schuur niet vergunningvrij is. Overigens wekt de hiervoor vermelde plattegrond met oppervlakteberekeningen de indruk dat verweerder het deel tot 1 m (5 m2) achter de voorgevel van de later gerealiseerde aanbouw aan de zijkant van de woning buiten beschouwing heeft gelaten, hoewel dat op grond van de definitie van ‘bebouwingsgebied’ wel bij dat gebied hoort. Gelet op de geringe oppervlakte van dit deel (5 m2), heeft dit geen wezenlijke invloed op de beoordeling. De rechtbank zal dit daarom daarlaten.
7.3
Hetgeen eisers 1 hebben aangevoerd over de oever aan de noordelijke grens van hun perceel en over de sloot die deze oever van de rest van het perceel scheidt, doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft deze oever en sloot terecht buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het bebouwingsgebied. Gelet op artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor kunnen de oever en de sloot alleen onder het bebouwingsgebied vallen als zij als erf in de zin van dat artikellid moeten worden aangemerkt. ‘Erf’ wordt daarin gedefinieerd als een perceel dat direct gelegen is bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. Zoals in bestreden besluit III is toegelicht, rusten op grond van het bestemmingsplan op de oever en de sloot de bestemmingen ‘Bedrijfsdoeleinden’, respectievelijk ‘Water’, die een dergelijke inrichting niet toestaan. Overigens betogen Eisers 2 dat grond met de bestemming ‘Tuinen’ geen erf kan vormen omdat het bestemmingsplan op gronden met die bestemming geen bebouwing zou toestaan. Dat betoog gaat niet op, aangezien op zulke gronden wel erkers gebouwd mogen worden, alsmede, ter plaatse van de aanduiding ‘zwembad’, een zwembad. De plankaart van het bestemmingsplan bevat ter hoogte van de schuur de aanduiding ‘zwembad’.
7.4
Naar het oordeel van de rechtbank is handhavend optreden dan ook niet onevenredig. De overschrijding van het maximum aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken is met de schuur immers veel groter dan de door eisers 1 gestelde 5 m2. Daarnaast heeft verweerder van belang mogen achten dat de schuur deels in het voorerfgebied is gelegen, zoals verweerder heeft toegelicht. Uit een luchtfoto in het dossier blijkt immers dat de voorgevel van de schuur is gesitueerd naast de voorgevel van de zijdelingse aanbouw aan de oorspronkelijke woning. Daarnaast kunnen eisers 1 zich niet met recht erop beroepen dat het in stand laten van een illegaal bouwwerk vóór 1 april 2007 nog niet verboden was. Uit de door verweerder overgelegde gegevens uit het kadaster blijkt namelijk dat zij pas in 2016 eigenaar van de woning zijn geworden.
Heeft verweerder in redelijkheid een last onder dwangsom kunnen opleggen ten aanzien van bouwwerk C?
8.1
Eisers 1 betogen dat door de onjuiste vaststelling van het bebouwingsgebied door verweerder niet duidelijk is of bouwwerk C al dan niet legaal dan wel legaliseerbaar is. Daarnaast voeren zij aan dat zij verweerder op 10 april 2025 hebben verzocht om de termijn voor het indienen van een vergunningaanvraag ter legalisatie te verlengen. Nu verweerder niet op dat verzoek heeft beslist, is de handhaving tegen bouwwerk C onzorgvuldig, aldus eisers 1.
8.2
Dit betoog slaagt niet. Uit hetgeen hiervoor over het bebouwingsgebied is overwogen, volgt dat bouwwerk C niet aan de voorwaarden voor vergunningvrije bijbehorende bouwwerken voldoet. De rechtbank ziet geen grond om de handhaving daartegen onevenredig te achten. Verweerder heeft immers eisers 1 in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken een vergunning ter legalisatie aan te vragen. Verweerder stelt geen verzoek om verlenging van deze termijn te hebben ontvangen. Eisers 1 hebben geen bewijs aangeleverd voor het tegendeel.
Begunstigingstermijn
9.1
Eisers 1 betogen dat de begunstigingstermijn van de last ten aanzien van bouwwerk C en de schuur onredelijk kort is, gezien de grote financiële consequenties. Zij hebben verweerder daarom verzocht om deze termijn te verlengen tot zes weken na de uitspraak op hun beroep tegen bestreden besluit I. Verweerder had dat verzoek volgens hen niet mogen afwijzen.
9.2
Dit betoog slaagt. De rechtbank stelt vast dat verweerder eerder de begunstigingstermijn van de last ten aanzien van bouwwerken A, B en D heeft verlengd tot zes weken na de uitspraak op het beroep van eisers 1 tegen bestreden besluit I. Niet valt in te zien waarom ten aanzien van bouwwerk C en de schuur een kortere begunstigingstermijn noodzakelijk is. Dit geldt te meer, omdat verweerder de oorspronkelijk opgelegde, maar later herroepen, last ten aanzien van bouwwerk C eerder wel heeft verlengd tot zes weken na de uitspraak. Verweerder heeft het verschil in begunstigingstermijnen ook niet gemotiveerd.
Duidelijkheid last onder dwangsom10.1 Eisers 2 betogen dat bestreden besluit III onduidelijk is, omdat daarin niet wordt vermeld dat de last ten aanzien van bouwwerken A, B en D in stand blijft. De rechtbank volgt dit betoog niet, aangezien in bestreden besluit III uitdrukkelijk is vermeld dat dit uitsluitend bouwwerk C en de schuur betreft. Niet is vermeld dat de last ten aanzien van bouwwerken A, B en D zou zijn ingetrokken.
10.2
Eisers 1 betogen dat uit de handhavingsbesluiten niet duidelijk blijkt wat zij moeten doen. De rechtbank volgt dit betoog evenmin, nu de betrokken bouwwerken in de lasten duidelijk zijn aangeduid. De in de last opgenomen opdracht houdt in dat eisers 1 deze bouwwerken binnen een bepaalde termijn moeten verwijderen en verwijderd moeten houden, hetgeen niet voor meerdere uitleg vatbaar is.
Conclusie en gevolgen
11.1
De beroepen van eisers 2 tegen bestreden besluiten I en II zijn niet-ontvankelijk, omdat zij geen belang meer hebben bij die beroepen, nu verweerder bij bestreden besluit III alsnog een volledig handhavingsbesluit ten aanzien van de schuur heeft genomen. Hun beroep tegen bestreden besluit III is ongegrond, omdat er geen grond is om dat besluit onvoldoende duidelijk te achten.
11.2
De beroepen van eisers 1 tegen bestreden besluiten I en II zijn ongegrond, omdat verweerder bij die besluiten in redelijkheid heeft kunnen besluiten om handhavend op te treden tegen bouwwerken van eisers 1. Hun beroepen tegen bestreden besluiten III en IV zijn gegrond, omdat verweerder het einde van de begunstigingstermijn ten aanzien van bouwwerk C en de schuur niet heeft vastgesteld op zes weken na deze uitspraak. De rechtbank zal daarom bestreden besluit III voor zover het de verlengde begunstigingstermijn ten aanzien van deze bouwwerken betreft vernietigen, en zal ook bestreden besluit IV vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de begunstigingstermijn ten aanzien van bouwwerk C en de schuur te verlengen tot zes weken na deze uitspraak.
11.3
Omdat het belang van eisers 2 bij hun beroepen tegen bestreden besluiten I en II door toedoen van verweerder is vervallen, moet verweerder het griffierecht aan hen vergoeden en aan hen een vergoeding van hun proceskosten betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door hun gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener krijgen eisers 2 een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft een punt voor een proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift tegen bestreden besluit I ingediend (één punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (één punt). De vergoeding bedraagt dus in totaal € 1.814,-.
11.4
Omdat het beroep van eisers 1 tegen bestreden besluiten III en IV gegrond is, moet verweerder ook aan hen een vergoeding van hun proceskosten betalen, in verband met de rechtsbijstand door hun gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. De gemachtigde heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke reactie op bestreden besluit III ingediend (half punt [2] ). De vergoeding bedraagt dus in totaal € 453,50. Voor een vergoeding voor de deelname aan de rechtbankzitting bestaat geen aanleiding, aangezien bestreden besluiten III en IV na de zitting zijn genomen. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat evenmin aanleiding. Voor de beroepen tegen bestreden besluiten III en IV was geen griffierecht verschuldigd, aangezien deze beroepen van rechtswege zijn ontstaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen van eisers 2 tegen bestreden besluiten I en II niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eisers 2 tegen bestreden besluit III ongegrond;
- verklaart de beroepen van eisers 1 tegen bestreden besluiten I en II ongegrond;
- verklaart de beroepen van eisers 1 tegen bestreden besluiten III en IV gegrond;
- vernietigt bestreden besluit III voor zover het de verlengde begunstigingstermijn ten aanzien van bouwwerk C en de schuur betreft;
- vernietigt bestreden besluit IV;
- stelt het einde van de begunstigingstermijn ten aanzien van bouwwerk C en de schuur vast op zes weken na de verzending van deze uitspraak;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van bestreden besluit III en van het vernietigde bestreden besluit IV;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eisers 2 moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eisers 1;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers 2.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2081.
2.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3666, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2064.