ECLI:NL:RBNHO:2025:14646

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
25-5030
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 2, onderdeel 12, bijlage II BorArt. 20.2.2 onder a bestemmingsplanArt. 2.3a lid 1 WaboArt. 1 lid 2 onder b bijlage II Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving schuttinghoogte op erfgrens bij dijkwoning volgens maaiveld

Eiseres heeft een last onder dwangsom opgelegd gekregen om de eerste vier schuttingdelen op de erfgrens met derde-partij te verwijderen of te verlagen tot maximaal 2 meter gemeten vanaf het maaiveld. Eiseres betwistte dit en stelde dat de hoogte vanaf de vlonder gemeten moest worden, die zij als noodzakelijk bouwwerk ziet. Verweerder handhaafde de last onder dwangsom.

De voorzieningenrechter overwoog dat het maaiveld de oorspronkelijke natuurlijke terreinhoogte is en dat de vlonder, als kunstmatige ophoging en geen noodzakelijk bouwwerk voor de schutting, buiten beschouwing moet blijven bij de meting. De hoogte van de schutting overschrijdt daardoor de toegestane 2 meter, wat een overtreding vormt.

Eiseres voerde aan dat handhaving onevenredig is vanwege geringe overschrijding, civiele uitspraken en privacyoverwegingen, maar de voorzieningenrechter stelde dat handhaving niet onevenredig is. De civiele uitspraak is niet bindend voor bestuursrechtelijke handhaving en er is geen zicht op legalisatie. De kosten zijn een gevolg van het zonder vergunning bouwen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres moet de schuttingdelen verwijderen of verlagen en krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/5030 en 25/5027
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K.G.O. Afriyieh),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder
(gemachtigde: mr. L.M. van der Horst).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde partij]uit [plaats] , derde-partij.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde last onder dwangsom om de eerste vier schuttingdelen die zij op de erfgrens met derde-partij heeft geplaats aan de achterkant van haar woning te verwijderen en verwijderd te houden of te verlagen en verlaagd te houden tot maximaal 2 meter vanaf het aansluitend afgewerkt terrein (het maaiveld). Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of verweerder een last onder dwangsom heeft mogen opleggen.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de last onder dwangsom aan eiseres mocht opleggen omdat sprake is van een overtreding en dit niet onevenredig is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
1.2
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 4. Daarbij gaat de voorzieningenrechter eerst in op welk recht van toepassing is. Onder 5 komt aan de orde op welke wijze gemeten moet worden en dus of sprake is van een overtreding. Tot slot bespreekt de voorzieningenrechter onder 6 of handhaving onevenredig is. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder de opgelegde last onder dwangsom gehandhaafd.
2.1
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar echtgenoot de heer [naam 1] en de gemachtigde van eiseres. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder en [naam 2] . Derde-partij heeft de voorzieningenrechter bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn.
2.3
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1
Eiseres woont sinds 1972 aan de [adres 1] en heeft sinds 2016 ook het naastgelegen perceel [adres 2] in [plaats] aangekocht (hierna: het perceel). Op het perceel is het bestemmingsplan “Nieuwe Meer 1e herziening” (hierna: het bestemmingsplan) van toepassing. Het perceel heeft volgens het bestemmingsplan de bestemming “wonen”.
3.2
Derde-partij woont aan de [adres 3] sinds 1996. De tuin van dat perceel grenst aan de tuin van het perceel op nummer [huisnummer 1] . De woningen van partijen zijn dijkwoningen. De tuinen aan de achterzijde zijn circa 30 meter diep en lopen vanaf de woningen af richting de sloot. Het hoogteverschil in het verloop van de tuinen vanaf de woningen naar de sloot is ongeveer 2 meter. Tussen beide tuinen is door eiseres een schutting geplaatst.
3.3
In 2023 heeft derde-partij een civiele procedure aangespannen tegen eiseres over verschillende punten, waaronder de schutting. In dat vonnis heeft de rechter (voor zover van belang) als volgt geoordeeld over de schutting op de erfgrens tussen partijen:
“4.12 [naam 1] heeft verklaard dat zijn schutting 1,92 meter hoog is, gemeten vanaf de vlonder. Dit is door [derde partij] niet weersproken, terwijl zij voor het overige onvoldoende aannemelijk heeft gemakt dat de schutting hoger is dan wettelijk is toegestaan. (…)”
3.4
Op 31 oktober 2023, door verweerder ontvangen op 2 november 2023, heeft derde-partij verweerder verzocht handhavend op te treden omdat eiseres een schutting heeft neergezet die toen al te hoog was. In het handhavingsverzoek staat dat deze schutting in 2023 nogmaals is verhoogd. Eerst is de bestaande grond verhoogd en toen is daarop een vlonder gezet en daarop de schutting geplaatst.
3.5
Op 30 november 2023 heeft een gemeentelijke inspecteur op de locatie een controle uitgevoerd. De inspecteur kreeg geen toegang tot de percelen van eiseres en is daarom naar het perceel van derde-partij gegaan. De totale hoogte van de schutting is door de inspecteur gemeten op 2,5 meter.
3.6
Op 17 januari 2025 heeft een gemeentelijk inspecteur wederom op de locatie een controle uitgevoerd. De inspecteur kreeg toen wel toegang tot het perceel van eiseres op nummer [huisnummer 1] en heeft geconstateerd dat een schutting in het achtererfgebied tegen de erfgrens met de buren staat. De schutting is voor de eerste drie delen geplaatst op een vlonder en de schutting heeft een hoogte van 1,96 meter, gemeten vanaf de vlonder. De vlonder is verhoogd ten opzichte van het maaiveld. De tuin loopt verder af naar beneden, vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw, richting het einde van de tuin. Bij het constateringsrapport waarin dit staat is een situatieschets gevoegd. Daarop is te zien dat de hoogte tussen de bovenkant van het vlonder en het maaiveld oploopt: direct tegen de gevel van woning aan is de hoogte 0,5 meter en aan einde van de vlonder (5 meter vanaf de gevel) is de hoogte 1 meter. Aan het einde van de vlonder is nog een schuttingdeel. Deze is 85 centimeter breed, vanaf de vlonder en 2,47 meter hoog, gemeten vanaf het maaiveld.
3.7
Op 3 maart 2025 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd en deze als volgt gemotiveerd (het primaire besluit). De eerste vier delen van de schutting zijn op grond van artikel 2, onderdeel 12, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) niet vergunningsvrij omdat zij hoger zijn dan 2 meter. Het bouwen van deze schuttingdelen is daarom in strijd met artikel 20.2.2, onder a, van het bestemmingsplan. Door de eerste vier schuttingsdelen van de erfafscheiding zonder omgevingsvergunning in stand te laten, overtreedt eiseres ook artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo.
De hoogte van de schutting wordt gemeten met toepassing van artikel 1, tweede lid, onder b, van bijlage II van het Bor vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven. De vlonder is niet noodzakelijk voor de bouw van de schutting en past ook niet bij het verdere natuurlijke verloop van het terrein. Hierdoor is deze uitzonderingssituatie niet van toepassing op de vlonder. Het peil waarop de hoogte van de schutting moeten worden gemeten, is daarom het oorspronkelijke maaiveld waarop de vlonder is gebouwd. Vanaf dit maaiveld varieert de hoogte van de drie schuttingsdelen op de vlonder van 2,46 meter voor het eerste schuttingsdeel aan de gevel tot aan 2,96 meter voor het derde schuttingsdeel aan het einde van de vlonder. Het vierde schuttingsdeel is (met opzetstuk) vanaf het maaiveld 2,47 meter.
Eiseres dient daarom de overtreding uiterlijk op 15 april 2025 te beëindigen door de eerste vier schuttingsdelen van de erfafscheiding aan de achterkant van de woning aan de [adres 2] in [plaats] , te verwijderen en verwijderd te houden, of te verlagen tot maximaal twee meter vanaf het aansluitend afgewerkte terrein (het maaiveld) en verlaagd te houden.
Als zij daar niet aan voldoet verbeurt zij een dwangsom van € 500,-. De hoogte van de dwangsom heeft verweerder gebaseerd op de Beleidsregels bestuurlijke sancties gemeente Haarlemmermeer 2016.
3.8
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 14 april 2025 heeft verweerder op verzoek van eiseres de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de dag van verzending van de beslissing op bezwaar.
3.9
De bezwaar adviescommissie heeft verweerder op 1 september 2025 geadviseerd het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren.
De commissie stelt vast dat het geschilpunt tussen partijen ligt in het peil waarvan gemeten moet worden. Uit de jurisprudentie [2] volgt dat bij de beoordeling of een ophoging past bij het verloop van het terrein, niet alleen het betreffende perceel maar ook de omliggende percelen moet worden betrokken. De commissie vindt de vlonder een ophoging, die niet past bij het natuurlijk verloop van het terrein. Ook is het niet bouwtechnische noodzakelijk voor het realiseren van de schutting. De commissie stelt dat om de hoogte van de schutting te bepalen, de hoogte van de betonnen ondergrond van het aangrenzende terrein van nummer [huisnummer 2] had moeten worden betrokken om het natuurlijk verloop van het perceel van eiseres te bepalen. Verweerder heeft dus niet de juiste maatstaf genomen bij de metingen. De commissie is daarom van oordeel dat verweerder een nader onderzoek moet uitvoeren om te kunnen bepalen wat de hoogte van de schutting is.
3.1
Verweerder heeft in het bestreden besluit het advies van de bezwaar adviescommissie niet overgenomen met (voor zover van belang) de volgende motivering. De commissie heeft uit twee uitspraken afgeleid dat als eiseres haar terrein had opgehoogd tot hetzelfde niveau als dat van de buren, deze hoogte zou volgens de commissie kunnen gelden als het natuurlijke verloop van het terrein. Beide uitspraken zijn echter hier niet van toepassing. Eiseres heeft de grond namelijk niet opgehoogd, maar voorzien van een vlonder. Een vlonder is geen ophoging van een terrein, maar een bouwwerk.
Indien de vlonder wel aangemerkt moet worden als een ophoging van het terrein, dan hoefde ook niet gemeten te worden vanaf de vlonder, omdat deze ophoging niet hetzelfde is als omliggende percelen en niet noodzakelijk is voor het realiseren van de schutting.
Voor de bepaling van de hoogte moet daarom worden uitgegaan van de voet van de schutting, waarbij de vlonder buiten beschouwing blijft. De toezichthouder heeft
op 17 januari 2025 geconstateerd dat de hoogte van de schutting gelegen langs de
vlonder een hoogte heeft tussen de 2,96 en 2,46 meter. Het schuttingsdeel van 85
centimeter achter de vlonder heeft een hoogte van 2,47 meter. Er is dus sprake van een overtreding.
Welk recht is van toepassing?
4.1
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving op basis van een bepaling in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, mits onder het nieuwe recht nog steeds sprake is van een overtreding. Het verzoek om handhaving heeft derde-partij gedaan op 2 november 2023. Dit betekent dat in dit geval de Wabo en bijbehorende regelgeving, zoals het Bor van toepassing blijven, tenzij onder het nieuwe recht geen sprake meer is van een overtreding.
Hoe moet worden gemeten?
5.1
Eiseres stelt (samengevat) dat er geen sprake is van een overtreding en dat verweerder onjuist heeft gemeten.
De hoogte van de schutting moet worden gemeten vanaf de vlonder en niet vanaf het maaiveld. Dan is de schutting 1,96 meter hoog. De vlonder is noodzakelijk voor het realiseren van de schutting omdat sprake is van een dijkwoning en de schutting door de harde wind moet worden verstevigd.
Ook heeft verweerder ten onrechte het advies van de commissie naast zich neergelegd dat de tuin van derde-partij moet worden betrokken in de beoordeling. De vlonder is 30 cm lager dan de dorpel van de tuindeur. De tuin van derde-partij heeft een betonnen ophoging die 45 centimeter lager is dan de dorpel van de tuindeur. Deze betonnen ophoging is dus 15 centimeter lager dan de vlonder van eiseres. Vanaf de betonnen ophoging bij de buren gemeten is de schutting 2,11 meter en vanaf de woning van de buren gezien is de schutting 1,66 meter. Verweerder had de betonnen ophoging van de buren leidend moeten beschouwen om het natuurlijk verloop van het terrein vast te stellen. Eiseres verwijst naar de uitspraak [3] van Afdeling 7 augustus 2024.
5.2
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 1, tweede lid, onder b, van Bijlage II bij het Bor moet de hoogte van de schutting worden gemeten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein. Uit de door beide partijen aangehaalde jurisprudentie [4] volgt dat de toets om de hoogte van een bouwwerk te meten in twee stappen verloopt:
I. Allereerst moet worden vastgesteld wat de oorspronkelijk als natuurlijk aan te merken terreinhoogte is. Het uitgangspunt is dat vanaf dat punt moet worden gemeten.
II. Als sprake is van een ophoging dient te worden beoordeeld of de ophoging past bij het natuurlijk verloop van het terrein. Daarbij dienen ook de omliggende percelen te worden betrokken. Indien ophogingen zijn aangebracht die niet bij het natuurlijk verloop van de grond passen, behoren deze bij het meten van de hoogte van de schutting buiten beschouwing te worden gelaten. Een uitzondering hierop geldt voor situaties waarin de ophoging noodzakelijk is om het bouwwerk te kunnen realiseren.
5.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de grond onder de vlonder, oftewel het maaiveld, moet worden aangemerkt als de oorspronkelijke natuurlijke terreinhoogte. Het uitgangspunt is dus dat vanaf het maaiveld moet worden gemeten (stap I).
Voor zover de vlonder kan worden aangemerkt als ophoging (en niet als bouwwerk) geldt het volgende. Aangezien een vlonder - gelet op het materiaal - een
kunstmatigeverhoging is, kan de vlonder alleen al om die reden niet worden aangemerkt als passend bij het
natuurlijkeverloop van het terrein. Aan een vergelijking met het perceel van derde-partij wordt dan niet meer toegekomen. Dat derde-partij op hun perceel een betonnen ophoging hebben, is dus niet relevant. Dat betekent dat uit stap II volgt dat de vlonder bij het meten van de hoogte van de schutting buiten beschouwing moet worden gelaten. Het uitgangspunt dat moet worden gemeten vanaf het maaiveld blijft gelden.
De stelling van eiseres dat de vlonder noodzakelijk is om de schutting te realiseren, volgt de voorzieningenrechter ook niet. Alleen vier delen van de schutting staan immers op de vlonder. De rest van de schutting staat op de grond. Dat sprake is van een dijkwoning, maakt weliswaar dat een vlonder nodig is om een terras te realiseren, maar niet dat de vlonder noodzakelijk is om de schutting te realiseren.
5.4
Dat betekent dat verweerder terecht is uitgegaan van het maaiveld om de hoogte van de schutting te meten. Vanaf het maaiveld gemeten varieert de hoogte van de schuttingsdelen op de vlonder daarom van 2,46 meter (bij de gevel) tot 2,96 meter (aan het einde van de vlonder). Het vierde schuttingsdeel is (met opzetstuk) vanaf het maaiveld 2,47 meter. Alle vier de schuttingsdelen zijn dus hoger dan de toegestane 2 meter, zodat sprake is van een overtreding. Verweerder was dus bevoegd om handhavend op te treden.
Is handhaving onevenredig?
6.1
Eiseres voert aan dat handhaving onevenredig is. Derde-partij is al in een civiele procedure in het ongelijk gesteld en probeert nu hetzelfde via een bestuursrechtelijke procedure te bereiken. Normaliter prevaleert het algemeen belang maar handhaven wegens een overschrijding van 0,5 meter en in werkelijkheid 15 centimeter, is onevenredig. Eiseres en derde-partij hebben ook diverse conflicten en de schutting zorgt juist voor privacy en rust. Ook wegen de kosten niet op tegen de baten. Schuttingdeel 4, achter de vlonder, is het laagste punt van het aflopende terrein. Dit stukje tuin gaat nog 15 centimeter opgehoogd worden. De montage van het opzetstuk van de schuttingdeel 4 kan ook verwijderd worden. Tot slot is het algemeen bekend dat de grond van dijkwoningen zakt, waardoor de schutting op den duur lager wordt.
6.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat handhaving in dit geval niet onevenredig is.
Dat de civiele rechter derde-partij in het ongelijk heeft gesteld, maakt handhaving door verweerder niet onevenredig. De civiele rechter beoordeelt namelijk uitsluitend het civiele geschil tussen de buren. Die civiele rechter heeft dus geen oordeel gegeven over de bestuursrechtelijke vraag vanaf welk peil de hoogte van een bouwwerk moet worden gemeten, om vast te stellen of sprake is van een omgevingsrechtelijke overtreding. De uitspraak heeft daarom geen bindende werking voor het bestuursrechtelijk handhavingskader.
6.3
Ook is er geen sprake van een concreet zicht op legalisatie. Nog los van het feit dat de voorzieningenrechter niet is gebleken van een aanvraag voor een omgevingsvergunning ter legalisering van de schutting, heeft verweerder in het primaire besluit aangegeven niet bereid te zijn om een dergelijke vergunning te verlenen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat aan het algemene belang van handhaving van de geldende wet- en regelgeving dan een zwaar gewicht moet worden toegekend. Voor verweerder geldt in beginsel de plicht om dan over te gaan tot handhaving.
6.4
De stelling van eiseres dat het slechts gaat om geringe overschrijding van 50 centimeter tot 15 centimeter, is onjuist. Het hoogteverschil bedraagt circa 0,96 tot 0,46 meter en is dus aanzienlijk (zie overweging 5.4). Dat de schutting juist zorgt voor privacy en het conflict tussen beide buren daardoor volgens eiseres vermindert, maakt handhaving ook niet onevenredig. Derde-partij heeft immers bij verweerder om handhaving verzocht. De voorzieningenrechter kan dus niet vaststellen dat derde-partij ook de wens heeft om – in tegenstelling tot het ingediende handhavingsverzoek - de schutting te laten staan omdat die voor privacy zorgt.
6.5
Dat eiseres de schutting deels moet verwijderen of verlagen en dat dit kosten met zich meebrengt, is een rechtstreeks gevolg van het bouwen van de schutting zonder omgevingsvergunning. De stelling dat de kosten niet opwegen tegen de baten, volgt de voorzieningenrechter dus niet.
Voor zover eiseres aangeeft dat de tuin nog zal worden opgehoogd en het opzetstuk op het vierde schuttingdeel kan worden verwijderd, stelt de voorzieningenrechter dat hierdoor (eventueel) aan de last kan worden voldaan. Dit zijn echter toekomstige gebeurtenissen die niet maken dat handhaving door verweerder onevenredig is. Dat het om een dijkwoning gaat waarvan de tuin verzakt, vormt ten slotte ook geen reden om van handhaving af te zien. Dat is immers ook een toekomstige gebeurtenis, terwijl de overtreding en handhaving met het bestreden besluit plaatsvindt.

Conclusie en gevolgen

7.1
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder kon en mocht handhaven en dat de opgelegde last onder dwangsom in stand blijft. Verweerder mag van eisers verlangen dat zij de vier schuttingdelen die hoger zijn dan 2 meter, gemeten vanaf het maaiveld, verwijderd of verlaagt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.
7.2
Omdat op het beroep wordt beslist, is er geen grond meer tot het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep 25/5027 ongegrond;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening 25/5030 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
4.Zie ECLI:NLRVS:2024:3218 en ECLI:NL:RVS:2024:958.