ECLI:NL:RBNHO:2025:14649

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
25-4922
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 172a GemeentewetArt. 8:81 AwbAlgemene Plaatselijke Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod centrum Zaandam

Verzoeker heeft een gebiedsverbod opgelegd gekregen voor het centrum van Zaandam voor de duur van drie maanden op grond van artikel 172a van de Gemeentewet. Dit gebiedsverbod is opgelegd vanwege herhaaldelijke verstoring van de openbare orde, waaronder belediging en geweld tegen boa’s en politieambtenaren, vernieling van een politiebureau en eerdere aanhoudingen.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het gebiedsverbod en verzocht om een voorlopige voorziening, stellende dat het besluit onjuist is, zijn kant van het verhaal niet is meegewogen en dat het gebiedsverbod onredelijk bezwarend is vanwege zijn opslag in het centrum. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en beoordeeld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat sprake was van herhaaldelijke verstoring van de openbare orde. De bestuurlijke rapportages en processen-verbaal, opgemaakt onder ambtseed en ambtsbelofte, geven voldoende grondslag. Verzoeker heeft de feiten niet ontkend, behalve enkele nuances die niet leiden tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen.

Verder is er een ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde, gelet op antecedenten en registraties van overlast. Het gebiedsverbod is geschikt, noodzakelijk en evenredig gelet op de ernst en herhaling van de verstoringen. Verzoeker kan een tijdelijke ontheffing aanvragen om bij zijn opslag te komen.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen en het besluit zal naar verwachting in bezwaar in stand blijven.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gebiedsverbod wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4922

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,

en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het aan verzoeker opgelegde gebiedsverbod op grond van artikel 172a Gemeentewet voor het centrum van Zaandam voor de duur van 3 maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het bezwaar van verzoeker heeft geen redelijk kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staan de gronden die verzoeker naar voren heeft gebracht. Daarna is het wettelijk kader opgenomen onder 5. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 6. Eerst beoordeelt de voorzieningenrechter of verweerder bevoegd was om het gebiedsverbod op te leggen, oftewel of sprake was van een verstoring van de openbare orde. Daarna onder 7 beoordeelt de voorzieningenrechter of sprake was van een vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde. Onder 8 wordt bekeken of het besluit evenredig is. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. In een besluit dat is uitgereikt op 9 november 2025 heeft verweerder aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd voor het centrum van Zaandam voor de duur van drie maanden
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
Verzoeker heeft op het verweerschrift geregeerd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en namens verweerder, de gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] .
2.4.
Verzoeker heeft op 29 november 2025 nog twee maal schriftelijk gereageerd. Aangezien deze reacties zijn ontvangen nadat de voorzieningenrechter het onderzoek heeft gesloten, worden die niet mee genomen in de beoordeling.
Totstandkoming van het besluit
3.1
Uit de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage van 28 oktober 2025 en de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van bevindingen van 17 oktober 2025 blijkt (samengevat) het volgende.
Twee buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) waren op 17 oktober 2025 bezig met een staande houding van verzoeker op het Stadhuisplein in Zaandam. Zij hoorden dat verzoeker meerdere malen hen beledigde met woorden als “kankersukkel” en “kankermongooltje”. De boa’s ging daarom over tot aanhouding van verzoeker. Tijdens de aanhouding gooide verzoeker een beker met hete thee naar de hoofden van de boa’s. Ook sloeg verzoeker wild om zich heen met zijn armen en raakte hij daarbij de boa’s op hun hoofd, waardoor zij pijn voelden en letsel opliepen.
De politieambtenaar die daarna ter plaatse kwam, wilde een spuugmasker op verzoeker plaatsen. Hij hoorde toen verzoeker ook meerdere malen “kanker” schelden. Onderweg naar het politiebureau hoorde de politieambtenaar verzoeker opnieuw meerdere malen met “kanker” schelden en verzoeker zei dat hij hun tanden uit de bek zou slaan. Ook de politieambtenaar voelde zich hierdoor ernstig beledigd. Op het politie bureau verklaarde verzoeker dat hij probeerde zichzelf te verdedigen tegen de boa’s en dat hierdoor hete thee op de boa’s was gevallen, dat hij meerdere personen heeft uitgescholden en dat hij zich er niet om kan bekommeren dat een handhaver letsel heeft overgehouden bij de aanhouding.
3.2
Verder blijkt uit de bestuurlijke rapportage ook dat op 19 juni 2025 aangifte is gedaan door een politieambtenaar van vernieling op 7 mei 2025 aan het politiebureau Zaantheater, aan de Nicolaasstraat 5 te Zaandam door verzoeker. Verzoeker werd herkend op camerabeelden. Verzoeker heeft dit na zijn aanhouding ook erkend. Daarnaast staat in de bestuurlijke rapportage dat op 27 juni 2025 ook een incident met verzoeker heeft plaatsgevonden. Verzoeker werd wakker gemaakt terwijl hij op een bankje lag te slapen in het busstation. Verzoeker heeft de boa die hem wakker maakte, uitgescholden voor onder meer “kankermongool”. Verzoeker is toen aangehouden voor belediging.
3.3
In het besluit van 9 november 2025 is op grond van artikel 172a Gemeentewet een gebiedsverbod voor het centrum van Zaandam aan verzoeker opgelegd voor de duur van drie maanden. Aanleiding daartoe is de bestuurlijke rapportage van 28 oktober 2025 en de processen-verbaal van bevindingen van de twee boa’s. Uit deze stukken volgt volgens verweerder dat verzoeker op vrijdag 17 oktober 2025 de boa’s heeft beledigd door hen uit te schelden en dat hij zich heeft verzet tijdens de aanhouding. Het verzet bestond uit het gooien van een hete vloeistof op het hoofd van de boa’s. Ook heeft verzoeker de boa’s geslagen. Na zijn aanhouding heeft verzoeker ook politieambtenaren beledigd. Verzoeker heeft hierdoor de openbare orde ernstig verstoord. Daarnaast is er op 19 juni 2025 aangifte gedaan van vernieling van het Zaantheater in Zaandam door verzoeker. Ook is verzoeker op 27 juni 2025 aangehouden voor belediging van een boa.
Er bestaat een vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde als verzoeker zich begeeft in het centrum van Zaandam. In het politiesysteem zijn namelijk over verzoeker in de afgelopen 60 maanden, 5 antecedenten geregistreerd, te weten drie voor belediging van een ambtenaar in functie (waaronder op 27 juni 2025) en 1 voor vernieling van een openbaar gebouw (op 19 juni 2025). Verzoeker is ook een bekende van de gemeente. Over verzoeker zijn bij de afdeling handhaving en toezicht 47 registraties bekend, sinds 17 mei 2025. Vrijwel alle registraties zijn gemaakt op basis van overlast gevende incidenten in het centrum van Zaandam. Deze incidenten geven blijk van aversie richting de overheid en met name politie en boa’s. Deze registraties concentreren zich op het centrum van Zaandam, met name op het Stadhuisplein, de Rozengracht en de Provincialeweg. Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of het gebiedsverbod evenredig is.

Gronden voorlopige voorziening

4.1
Verzoeker voert (samengevat) het volgende aan. Verzoeker meent dat het gebiedsverbod ten onrechte is opgelegd. Verzoeker vraagt om een opschorting van het verbod omdat zijn bewegingsvrijheid onredelijk wordt beperkt en het besluit niet goed is gemotiveerd. De in het besluit genoemde feiten worden verdraaid en verzoekers kant van het verhaal is niet mee gewogen. Verzoeker verwijt het verweerder dat hij de verklaringen van de agenten zonder na te denken overneemt. Verzoeker vindt dat gekeken had moeten worden naar de aanwezige camerabeelden van 17 oktober 2025 om te zien wat er daadwerkelijk is gebeurd. Verzoeker heeft niet expres hete thee over de boa’s heen gegooid. Tijdens de worsteling kwam het op hen en op verzoeker zelf terecht. Verzoeker zei dat hij zich daar niet om kon bekommeren omdat de boa’s zelf de situatie hebben uitgelokt. Verzoeker ontkent dat hij wild om zich heen sloeg en stelt dat hij alleen handelde uit zelfverdediging. Hij ontkent ook dat hij in de auto heeft gezegd: ik ga je tanden uit je bek slaan. Hij wilde uitleggen dat de arresterende agent dat tegen hem heeft gezegd. Ook heeft de vrouwelijke agent verzoeker in de auto geslagen tegen zijn hoofd. Verweerder heeft ook ten onrechte meegewogen dat verzoeker een bekende is van de politie met 47 meldingen. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de aanleiding van die meldingen en verzoekers verleden. Ook wordt verzoeker gestalkt en geïntimideerd door de boa’s in Zaandam en voelt hij zich als dakloze gediscrimineerd. Tot slot is het gebiedsverbod onredelijk bezwarend omdat verzoeker in het centrum zijn opslag heeft.

Wettelijk kader

5.1
De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5.2
Artikel 172a, eerste lid, sub a, Gemeentewet bepaalt (voor zover relevant) dat verweerder aan een persoon die de openbare orde ernstig heeft verstoord, dan wel herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord, bij een ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel kan geven om zich niet te bevinden in of in de omgeving van een of meer bepaalde delen van de gemeente.
5.3
Op grond van het zesde lid van dit artikel geldt het bevel voor een door verweerder vast te stellen periode van ten hoogste drie maanden, in welk geval het bevel ten hoogste driemaal kan worden verlengd met een door verweerder vast te stellen periode van telkens ten hoogste drie maanden.
5.4
Tot slot kan verweerder op grond van artikel 172a, achtste lid, Gemeentewet op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van de verboden of geboden die voortvloeien uit het bevel, dan wel van een of meer onderdelen daarvan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Was sprake van verstoring van de openbare orde?
6.1
De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat verweerder zich in ieder geval op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van het herhaaldelijk verstoren van de openbare orde door verzoeker, zoals bedoeld in artikel 172a, eerste lid, Gemeentewet.
6.2
Verweerder heeft dat oordeel kunnen baseren op de op ambtseed en ambtsbelofte opgestelde bestuurlijke rapportage van 28 oktober en processen-verbaal van de boa’s. Daaruit blijkt dat verzoeker op 17 oktober 2025 in het centrum van Zaandam twee boa’s heeft uitgescholden. Toen de boa’s verzoeker wilden aanhouden voor belediging heeft verzoeker zich verzet en ontstond een worsteling, waarbij de hete thee die verzoeker vasthield op het hoofd van de beide boa’s terecht is gekomen. Toen verzoeker daarna door politieambtenaren naar het politiebureau werd vervoerd, heeft hij hen ook beledigd. Daarnaast heeft verzoeker op 7 mei 2025 het politiebureau gevestigd in het Zaantheater vernield door stenen door een ruit te gooien en op 27 juni 2025 ook een politie ambtenaar beledigd. Dit zijn herhaaldelijke verstoringen van de openbare orde.
6.3
Volgens vaste rechtspraak [1] mag een bestuursorgaan in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed opgemaakte en ondertekende bestuurlijke rapportage of proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van de rapportage weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, moet worden onderzocht of er zodanige twijfel over de bevindingen bestaat dat zij niet of niet volledig aan het gebiedsverbod ten grondslag kunnen worden gelegd. In enkel de niet onderbouwde stelling van verzoeker, namelijk dat de feiten die in de bestuurlijke rapportage en de processen-verbaal staan worden verdraaid, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Daarbij komt dat verzoeker niet heeft ontkend dat hij de boa’s en de politieambtenaar op 17 oktober 2025 heeft uitgescholden en dat hij zich tegen zijn aanhouding heeft verzet. Ook zijn betrokkenheid bij de andere twee incidenten van mei en juni 2025 heeft verzoeker niet ontkend.
Bestaat er een ernstige vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde?
7.1
De voorzieningenrechter is ook van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat vrees bestaat voor een verdere verstoring van de openbare door verzoeker. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt immers dat in totaal sprake is van 5 antecedenten en dat daarnaast sinds mei 2025 bij de afdeling handhaving en toezicht van de gemeente 47 registraties van verzoekers verstorende gedrag zijn gemaakt.
7.2
Dit betekent dat de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel is dat verweerder bevoegd was om een gebiedsverbod op te leggen.
Evenredigheid
8.1
De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens of het gebiedsverbod evenredig is door te kijken naar de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van het besluit.
8.2
De voorzieningenrechter is van voorlopig oordeel dat verweerder het gebiedsverbod geschikt en noodzakelijk mocht achten om de openbare orde en veiligheid te herstellen en beschermen. Door het gebiedsverbod wil verweerder namelijk voorkomen dat verzoeker nogmaals soortgelijke gedragingen vertoont in het centrum van Zaandam. Verzoeker mag niet meer in het centrum komen en kan dus geen overlast meer veroorzaken in dit gebied. De waarschuwing voor een verblijfsontzetting op grond van de Algemene Plaatselijke verordening (APV) die eerder al aan verzoeker is gegeven, is niet geschikt gebleken om verzoekers gedrag te veranderen. Ook wil verweerder hierdoor zorgen voor een goed woon, werk en leefklimaat in de gemeente en een duidelijk signaal afgeven dat verzoekers gedrag onwenselijk en onacceptabel is.
8.3
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat verweerder een termijn van drie maanden aan het gebiedsverbod heeft kunnen koppelen. Gelet op de ernst van de verstoringen van de openbare orde en het herhaalde karakter is de duur proportioneel.
8.4
Voor zover verzoeker heeft gesteld dat het verbod onevenwichtig is omdat hij in het centrum een opslag huurt voor zijn spullen (onder meer kleding, een paraplu, schoenen en een slaapzak) overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van artikel 172a, achtste lid, kan verzoeker om een tijdelijke ontheffing vragen. Ter zitting is dit met verzoeker besproken en heeft hij verklaard daarvan gebruik te willen maken. Verweerder heeft aangegeven zo spoedig mogelijk op verzoekers aanvraag voor een tijdelijke ontheffing te zullen beslissen. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat verzoeker hierdoor op korte termijn bij zijn opslag kan om zijn noodzakelijke spullen op te halen. Dit maakt het gebiedsverbod dus niet onevenredig.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter is concluderend van voorlopig oordeel dat verweerder bevoegd is om aan verzoeker een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden op te leggen en dat dit in de gegeven omstandigheden geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Het bestreden besluit zal daarom naar verwachting in bezwaar in stand blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten