Verzoeker heeft een gebiedsverbod opgelegd gekregen voor het centrum van Zaandam voor de duur van drie maanden op grond van artikel 172a van de Gemeentewet. Dit gebiedsverbod is opgelegd vanwege herhaaldelijke verstoring van de openbare orde, waaronder belediging en geweld tegen boa’s en politieambtenaren, vernieling van een politiebureau en eerdere aanhoudingen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het gebiedsverbod en verzocht om een voorlopige voorziening, stellende dat het besluit onjuist is, zijn kant van het verhaal niet is meegewogen en dat het gebiedsverbod onredelijk bezwarend is vanwege zijn opslag in het centrum. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld en beoordeeld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat sprake was van herhaaldelijke verstoring van de openbare orde. De bestuurlijke rapportages en processen-verbaal, opgemaakt onder ambtseed en ambtsbelofte, geven voldoende grondslag. Verzoeker heeft de feiten niet ontkend, behalve enkele nuances die niet leiden tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen.
Verder is er een ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde, gelet op antecedenten en registraties van overlast. Het gebiedsverbod is geschikt, noodzakelijk en evenredig gelet op de ernst en herhaling van de verstoringen. Verzoeker kan een tijdelijke ontheffing aanvragen om bij zijn opslag te komen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen en het besluit zal naar verwachting in bezwaar in stand blijven.