Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
Procesverloop
Totstandkoming van het bestreden besluit
Toetsingskader
,van de Wht bepaalt onder meer dat de schulden niet worden kwijtgescholden als de schuld is ontstaan door een terugvordering of bestuurlijke boete in verband met het opzettelijk of door grove schuld niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de artikelen de artikelen 31, eerste lid, en 49 van de Ziektewet.
Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat in dit geval sprake is van misbruik van sociale zekerheid als bedoeld in artikel 3.6, vierde lid, onder c, van de Wht. Daarbij baseert het Uwv zich op de uitspraak van de Raad van 2 juni 2022, waarmee is vast komen te staan dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht door eiser. Waarom daarmee sprake is van een schuld die is ontstaan door misbruik van sociale zekerheid volgt naar het oordeel van de rechtbank niet uit het bestreden besluit. De conclusie dat sprake is van misbruik van sociale zekerheid kan in ieder geval niet zonder meer worden getrokken uit de overwegingen in de uitspraak van de Raad van 2 juni 2022. Ook blijkt uit die uitspraak niet dat bij de schending van de inlichtingplicht sprake is geweest van opzet of grove schuld. Door het Uwv is daarover ter zitting toegelicht dat het Uwv verder ook geen onderzoek heeft gedaan naar de vraag of sprake is van opzet of grove schuld. Ook acht de rechtbank van belang dat het Uwv weliswaar aangifte heeft gedaan bij het OM, zoals ter zitting naar voren is gebracht, maar bij de besluitvorming niet op de hoogte was van de uitkomsten van deze aangifte. Het Uwv heeft in de afweging de uitkomst van deze aangifte dan ook niet betrokken. Niet is gebleken dat het Uwv bij het aanwenden van deze uitzonderingsgrond over alle informatie beschikte, zoals hiervoor in de memorie van toelichting is vermeld, om in dit geval op voldoende zorgvuldige en deugdelijke wijze te kunnen besluiten dat de schulden van eiser niet worden kwijtgescholden. De beroepsgrond slaagt.
In het bestreden besluit heeft verweerder niet getoetst of met toepassing van de hardheidsclausule kan worden afgeweken (zie rechtsoverweging 10). Pas bij gelegenheid van het indienen van het verweerschrift heeft verweerder dat gedaan. Niet blijkt dat aan die beoordeling een (zorgvuldig) onderzoek vooraf is gegaan naar de vraag of toepassing van artikel 3.6, derde lid, onder c, van de Wht in dit geval zal leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Bij zo een onderzoek behoren alle feiten en omstandigheden van het geval in de afweging te worden betrokken, waaronder ook de medische situatie van eiser, en niet gebleken is dat verweerder dat heeft gedaan. Deze beroepsgrond slaagt daarmee ook. Zoals ter zitting is besproken acht de rechtbank het, met het oog op een nieuw te nemen besluit, ook van belang dat bij de beoordeling van het beroep op de hardheidsclausule wordt meegewogen dat ten tijde van de uitspraak van de Raad van 2 juni 2022 een ander beoordelingskader gold voor een beroep op dringende redenen om van herziening en terugvordering van uitkering af te zien, zoals ook is te lezen in deze uitspraak. De Raad heeft in de uitspraak van 18 april 2024 zijn uitleg van het begrip ‘dringende reden’ verruimd [5] en het Uwv wordt in overweging gegeven dat in de beoordeling te betrekken.