ECLI:NL:RBNHO:2025:15002

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/15/366110
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen eerdere veroordeling tot verwijdering van een schuur die onrechtmatige hinder zou veroorzaken

In deze zaak gaat het om een geschil tussen buren over de plaatsing van een schuur door [eiser] tegen de zijgevel van de tuinkamer van [gedaagde]. [gedaagde] heeft [eiser] eerder in een verstekvonnis veroordeeld tot verwijdering van de schuur, omdat deze onrechtmatige hinder zou veroorzaken. [eiser] heeft tegen dit vonnis verzet aangetekend, waarbij hij betoogt dat zijn schuur geen onrechtmatige hinder veroorzaakt en dat hij recht heeft om zijn perceel te bebouwen. De rechtbank heeft de procedure en de feiten in detail bekeken, waaronder de plaatsing van de schuur en de gevolgen daarvan voor de lichtinval in de tuinkamer van [gedaagde]. De rechtbank oordeelt dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door de schuur zonder toestemming van [gedaagde] aan diens muur te bevestigen. De rechtbank bevestigt de eerdere veroordeling tot verwijdering van de schuur en legt een dwangsom op voor het geval [eiser] niet aan deze veroordeling voldoet. De tegenvordering van [eiser] wordt afgewezen, omdat het raam in de tuinkamer van [gedaagde] niet als ondoorzichtig kan worden aangemerkt, waardoor [eiser] niet bevoegd is om te bebouwen ter hoogte van dat raam.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/366110 / HA ZA 25-341
Vonnis in verzet van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
oorspronkelijk gedaagde,
eisende partij in het verzet in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. R. Vos.
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
oorspronkelijk eiser,
gedaagde partij in het verzet in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. B.P. van Overeem,
De zaak in het kort
Partijen zijn buren van elkaar. [gedaagde] heeft een tuinkamer die grenst aan de tuin van [eiser]. In de zijgevel van de tuinkamer zit een raam dat uitkijkt op de tuin van [eiser]. [eiser] heeft in de zomer van 2024 een schuur tegen die gevel geplaatst. De schuur is (onder meer) met schroeven/bouten aan de zijgevel van de tuinkamer van [gedaagde] bevestigd. Bij een eerder verstekvonnis is [eiser] veroordeeld om de schuur binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te verwijderen. Tegen deze veroordeling is [eiser] tijdig in verzet gekomen. Hij heeft daarbij gemotiveerd verweer gevoerd. Hij zegt onder meer dat zijn schuur geen onrechtmatige hinder veroorzaakt. [eiser] heeft ook een tegenvordering ingesteld. Hij vordert (onder meer) voor recht te verklaren dat hij bevoegd is zijn perceel bij het raam in de tuinkamer te bebouwen.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] de schuur moet verwijderen. Het was [eiser] niet toegestaan om zonder toestemming van [gedaagde] de schuur met schroeven/bouten te bevestigen aan zijgevel van [gedaagde]. De tegenvordering wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het bij verstek gewezen vonnis van deze rechtbank van 23 april 2025
- de verzetdagvaarding van 22 mei 2025 met eis in reconventie en producties
- de akte nadere onderbouwing verzet van [eiser] waarbij ook de tegeneis wordt gewijzigd en een incidentele vordering wordt ingesteld
- de conclusie van antwoord in incident van [gedaagde]
- de conclusie van antwoord in reconventie van [gedaagde]
- het vonnis in incident van 3 september 2025
- het vonnis van 24 september 2025 waarin een plaatsopneming en bezichtiging en een mondelinge behandeling is gelast
- het bericht van [gedaagde] met aanvullende productie 8
- het proces-verbaal van plaatsopneming en bezichtiging van 18 november 2025
- de mondelinge behandeling van 18 november 2025, waarbij mr. Vos spreekaantekeningen heeft overgelegd en de griffier voor het overige aantekeningen heeft gemaakt
- de reactie van [eiser] op het proces-verbaal van plaatsopneming en bezichtiging bij bericht van 3 december 2025.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is eigenaar van de woning aan de [adres] [nummer 1] in [plaats 1]. De woning beschikt over een kamer in de tuin (hierna: de tuinkamer) die vanuit de woonkamer is te bereiken via een gang. De zijgevel van de tuinkamer staat tegen de erfgrens met het perceel van de [adres] [nummer 2]. In deze zijgevel zit een (draadglas) raam dat uitkijkt op de tuin van [adres] [nummer 2]. [gedaagde] verhuurt de woning aan een familielid.
2.2.
[eiser] is sinds 2019 eigenaar van de woning aan de [adres] [nummer 2]. Deze woning is onderdeel van hetzelfde huizenblok als de woning aan de [adres] [nummer 1]. De woningen staan tegen elkaar aan.
2.3.
In de zomer van 2024 heeft [eiser] een schuur in zijn tuin geplaatst, waarbij hij de zijgevel van de tuinkamer heeft gebruikt als achtermuur/zijmuur van zijn schuur. [eiser] heeft de schuur met balken en schroeven aan de zijgevel van de tuinkamer bevestigd. De schuur staat voor het raam van de tuinkamer.
Foto 1. Schuur van [eiser] tegen muur van [gedaagde]
Foto 2. Aansluiting van schuur op muur tuinkamer
Foto 3. Zicht vanuit de tuinkamer in de schuur van [eiser]
2.4.
Met een brief van 5 augustus 2024 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht om de schuur te verwijderen omdat deze het raam van [gedaagde] blokkeerde en zo onrechtmatige overlast gaf in de vorm van een ernstige vermindering van lichtinval. [eiser] heeft op 15 augustus 2024 gereageerd. Hij heeft verontschuldigingen aangeboden voor het feit dat hij (de bouw van) de schuur niet tevoren heeft besproken met (de kleinzoon van) [gedaagde]. Hij heeft verder onder meer aangegeven dat de plek van de schuur hem en de buren veel voordelen geeft en dat de lichtinval vergroot kan worden door in het dak van de schuur een raam aan te brengen.
2.5.
Op 20 december 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagde] [eiser] gesommeerd om uiterlijk 31 december 2024 te bevestigen dat hij de schuur uiterlijk 31 januari zal hebben verwijderd.
2.6.
[eiser] heeft de schuur niet verwijderd. In de weken voor de plaatsopneming en bezichtiging heeft [eiser] wel een (groter) daklicht geplaatst in het dak van de schuur.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[gedaagde] heeft bij de inleidende dagvaarding – samengevat – gevorderd dat de rechtbank bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de schuur die door [eiser] is geplaatst onrechtmatige hinder veroorzaakt jegens [gedaagde],
en [eiser] veroordeelt:
II. om de schuur binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [eiser] daarmee in gebreke blijft,
III. een bedrag van € 1.500,00 te betalen wegens buitengerechtelijke kosten,
IV. in de kosten van dit geding.
3.2.
[gedaagde] heeft daarbij (samengevat) het volgende aangevoerd. De schuur veroorzaakt grote hinder bij [gedaagde] doordat [eiser] voor zijn schuur gebruik heeft gemaakt van de muur van [gedaagde] en doordat de schuur pal voor het raam van [gedaagde] is geplaatst. Die hinder is onrechtmatig in de zin van artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] heeft daarnaast het dak van de schuur provisorisch met kit met de zijgevel verbonden. [gedaagde] vreest daarom voor vochtoverlast en schade tot gevolg.
3.3.
In het verstekvonnis van 23 april 2025 met zaaknummer C/15/362883 (hierna: het verstekvonnis) zijn de vorderingen van [gedaagde] toegewezen, waarbij de dwangsom is beperkt tot een bedrag van € 250,00 per dag en is gemaximeerd tot € 10.000,00.
3.4.
[eiser] vordert in het verzet dat de rechtbank het verstekvonnis vernietigt en de vorderingen van [gedaagde] alsnog afwijst. Hij betwist dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Door de grote dak- en zijramen van de schuur ontneemt de schuur geen licht aan de tuinkamer. Ook zegt hij dat het raam voor de wet als ondoorzichtig glas heeft te gelden. Bij ondoorzichtig glas heeft te gelden dat hij niet verplicht is om ervoor te zorgen dat de lichtinval behouden blijft. Ook is het aan [gedaagde] om aan te tonen dat hij niet zelf onrechtmatig handelt. Het is daarmee aan [gedaagde] om aan te tonen dat het venster al meer dan 20 jaar aanwezig is. Ook als [gedaagde] daarin slaagt is er echter geen sprake van onrechtmatige hinder. Door de grote glazen panelen in de schuur van [eiser] blijft de functie van lichtopeningen bestaan. Verder is de schuur tegen de muur van nummer [nummer 1] gebouwd zonder daaraan steun te ontlenen. De plaatsing van de schuur heeft geen of slechts rechtens te verwaarlozen schade aan de muur teweeg gebracht. De schroeven van de schuur zijn in de specie van de zijgevel van de tuinkamer geschroefd, niet in de stenen. [gedaagde] ondervindt dan ook geen nadeel van de schuur. Daarom mag de schuur blijven staan, aldus [eiser].
in reconventie
3.5.
[eiser] stelt ook een tegeneis in. Hij vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat het huidige venster met matglas in de muur van [adres] [nummer 1] dat grenst aan [nummer 2] zich daar op grond van artikel 5:51 BW rechtmatig bevindt en de eigenaar van laatstgenoemde perceel bevoegd is zijn perceel ter hoogte van dat venster te bebouwen,
2. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.6.
Op zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij met bebouwen uit vordering 1 bedoelt dat hij daar een schuur mag bouwen. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat het raam in de zijgevel van de tuinkamer (“het huidige venster”) vaststaand en ondoorzichtig is. Met een dergelijk raam hoeft hij bij het plaatsen van zijn schuur geen rekening te houden.
3.7.
[gedaagde] voert verweer. Hij zegt dat de tegeneis niet goed begrijpelijk is en in ieder geval onvoldoende onderbouwd is. Zo is niet duidelijk wat de reden is dat [eiser] een verklaring voor recht verlangt dat het raam ter plaatse aanwezig mag zijn. Ook betwist [gedaagde] dat het raam ondoorzichtig is.
in conventie en reconventie
3.8.
De rechtbank zal hierna, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen ingaan.

4.De beoordeling

Verzet is tijdig ingesteld
4.1.
Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [eiser] in zijn verzet kan worden ontvangen. Het verstekvonnis is op 25 april 2025 aan [eiser] betekend. Met de dagvaarding van 22 mei 2025 is verzet ingesteld. Dat is binnen vier weken na betekening van het vonnis zoals bepaald in artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
in conventie
Onrechtmatige daad [eiser]
4.2.
Tussen partijen is in geschil of [eiser] de schuur moet verwijderen. [gedaagde] stelt onder meer dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door de schuur te bevestigen aan en in de zijgevel van de tuinkamer. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] zegt dat [eiser] daarmee een inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [gedaagde] en/of in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
4.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiser] de schuur inderdaad onrechtmatig heeft gebouwd en licht dat hierna toe.
4.4.
Voordat [eiser] de schuur plaatste was de zijgevel onderdeel van (alleen) de tuinkamer. Van een vrijstaande scheidsmuur was geen sprake. Onder een vrijstaande scheidsmuur moet namelijk worden verstaan een muur die twee erven scheidt en niet onderdeel is van een gebouw of werk. Omdat er geen sprake was van een vrijstaande scheidsmuur, is de zijgevel van de tuinkamer het eigendom van [gedaagde] en niet van partijen gemeenschappelijk.
4.5.
Vaststaat dat [eiser] zonder toestemming van [gedaagde] zijn schuur tegen de zijgevel heeft geplaatst. De schuur heeft aan de kant van de tuinkamer geen eigen muur. Waar [eiser] zegt dat de schuur geen steun ontleend aan de tuinkamer, heeft de rechtbank bij de gerechtelijke plaatsopneming vastgesteld dat [eiser] voor de schuur balken aan de muur van de tuinkamer heeft geschroefd. De schuur rust in ieder geval deels op die balken (zie bijvoorbeeld de verticale balk naast het venster in Foto 2 hiervoor).
4.6.
Door zonder voorafgaand overleg en zonder toestemming van [gedaagde] in de muur van [gedaagde] te schroeven en onderdelen van de constructie van de schuur aan die muur te bevestigen heeft [eiser] gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Weliswaar moet je ook als eigenaar van een niet-mandelige muur wat van je buur dulden, bijvoorbeeld voor het ophangen van kleine versieringen of beplanting, maar daaronder verstaat de rechtbank niet dat je moet dulden dat een buurman gaten in de gevel boort en er een bouwwerk aan verbindt. Dat is niet anders als, zoals [eiser] heeft aangevoerd, alleen in de specie tussen de stenen is geschroefd. Dat neemt namelijk niet weg dat [eiser] zonder toestemming van [gedaagde] in de muur van [gedaagde] heeft geschroefd en daarbij (onrechtmatig) schade heeft toegebracht aan die muur.
4.7.
Daarbij komt nog het volgende. De schuur van [eiser] beschikt (aan de kant van nummer [nummer 1]) niet over een zelfstandige buitengevel. De zijgevel van de tuinkamer doet dienst als buitenwand en is nodig voor de afdichting van de schuur. Daarmee wordt zijgevel van de tuinkamer een (deels) mandelige muur. [gedaagde] heeft recht en belang zich te verzetten tegen het mandelig worden van zijn zijgevel. [1]
Geen misbruik van recht [gedaagde]
4.8.
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan deze bevoegdheid niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt. [2] De rechtbank begrijpt dat [eiser] zich op het standpunt dat er een zodanige onevenredigheid bestaat tussen het belang van [gedaagde] bij het verwijderen van de schuur en het belang van [eiser] bij het behoud van de schuur dat [gedaagde] naar redelijkheid niet tot uitoefening van zijn rechten kan komen.
4.9.
De rechtbank volgt [eiser] daarin niet. De stelplicht en de bewijslast van de feiten die nodig zijn om dit bevrijdend verweer te doen slagen, rusten op [eiser]. [eiser] heeft de door hem gestelde “zodanige onevenredigheid” in belangen onvoldoende onderbouwd.
4.10.
Het belang van [eiser] is gelegen in het behoud van de schuur op de plek die hij daarvoor het meest geschikt acht en het niet hoeven maken van kosten om de schuur te verwijderen of te verplaatsen. [eiser] heeft daarbij niet gesteld dat verplaatsing van de schuur naar een andere plek in zijn tuin op grote praktische problemen zou stuiten of tot hoge kosten zou leiden.
[gedaagde] heeft belang bij een vrije muur. Zijn belang is niet alleen gelegen in lichtinval en uitzicht, maar ook in een muur zonder beschadigingen en zonder dat daar een constructie tegenaan is gebouwd die geen zelfstandige zijgevel heeft. Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat de schuur gebrekkig is gebouwd. Zo heeft [eiser] de aansluiting van (het dak van) de schuur op de zijgevel enkel met kit afgedicht. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat dit geen deugdelijke wijze van bouwen is en tot schade bij [gedaagde] kan leiden. Bij de aanwezigheid van deze belangen aan de zijde van [gedaagde] kan niet geoordeeld worden dat hij in redelijkheid niet tot uitoefening van zijn (eigendoms)rechten kan komen. Het beroep op misbruik van recht faalt dan ook.
4.11.
Dit betekent dat de rechtbank de beslissing bij verstek dat [eiser] de huidige schuur moet verwijderen en verwijderd moet houden zal bekrachtigen.
De gevorderde verklaring voor recht
4.12.
Met de toewijzing van de vordering tot verwijdering heeft [gedaagde] geen zelfstandig belang bij de onder I. gevorderde verklaring voor recht. Die vordering zal daarom worden afgewezen.
Nevenvorderingen
4.13.
De rechtbank is niet gebonden aan de bij verstek toegewezen dwangsom en zal hierover opnieuw beslissen. De rechtbank overweegt dat [eiser] na het verstekvonnis de schuur niet heeft weggehaald. Op de vraag bij de mondelinge behandeling of [eiser] de schuur alsnog zal weghalen als de rechtbank hem daartoe in dit vonnis veroordeelt, heeft hij geantwoord dat te doen als hij het redelijk vindt. Daarin ziet de rechtbank aanleiding een dwangsom op te leggen voor het geval [eiser] niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis voldoet aan de hoofdveroordeling de schuur te verwijderen. De rechtbank zal daarbij de dwangsom beperken tot een bedrag van € 250,00 per dag en maximeren tot € 7.500,00.
4.14.
De beslissing tot toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten zal de rechtbank als niet (gemotiveerd) bestreden bekrachtigen.
Proceskosten
4.15.
[eiser] in grotendeels in het ongelijk gesteld. De kosten van de verzetprocedure komen dan ook voor zijn rekening. De rechtbank stelt de proceskosten van [gedaagde] vast op € 1.228,00 aan salaris advocaat (2 punten x € 614,00).
in reconventie
4.16.
[eiser] heeft op zijn beurt gevorderd voor recht te verklaren dat het raam in de zijgevel van de tuinkamer zich aldaar op grond van artikel 5:51 BW rechtmatig bevindt en dat [eiser] bevoegd is zijn perceel ter hoogte van dat raam (met een schuur) te bebouwen. [eiser] zegt dat deze vordering is ingesteld om tussen partijen duidelijkheid te verkrijgen.
4.17.
De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Artikel 5:51 BW bepaalt [3] dat in muren binnen twee meter van de grenslijn van het erf steeds lichtopeningen mogen worden gemaakt, mits zij van vaststaande en ondoorzichtige vensters worden voorzien. De rechtbank heeft het raam in de zijgevel van de tuinkamer bij de plaatsopneming en bezichtiging bekeken en komt tot het oordeel dat het venster niet kan worden aangemerkt als ondoorzichtig. Het venster is weliswaar van draadglas, maar er kan vrij gemakkelijk doorheen gekeken worden. Dit blijkt ook uit de diverse foto’s in het dossier. Alleen al daarom komt de vordering voor recht te verklaren dat het raam zich op grond van artikel 5:51 BW rechtmatig is en dat [eiser] (om die reden) voor dat raam mag bouwen, niet voor toewijzing in aanmerking.
Proceskosten
4.18.
[eiser] is ook in reconventie in het ongelijk gesteld. Omdat de vorderingen in reconventie en de vorderingen in conventie zien op dezelfde feiten en dusdanig met elkaar samenhangen en de conclusie van antwoord in reconventie bijzonder kort was, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten in reconventie van [gedaagde] te begroten op nihil.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 23 april 2025 onder zaaknummer C/15/362883 / HA ZA 25-125 gewezen verstekvonnis voor zover daarbij voor recht is verklaard dat de schuur die door [eiser] is geplaatst onrechtmatige hinder veroorzaakt (3.1.) en voor zover [eiser] daarbij is veroordeeld tot betaling van een dwangsom (3.2.), en beslist in zoverre opnieuw rechtdoende als volgt:
5.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van een dwangsom van € 250,00 per dag dat hij in gebreke blijft met voldoening aan de hoofdveroordeling onder 3.2. van het verstekvonnis (verwijderen en verwijderd houden van de schuur) waarbij de termijn daarvoor van 14 dagen gaat lopen na betekening van dit vonnis, met een maximum van € 7.500,00,
5.3.
bekrachtigt het verstekvonnis voor al het overige,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van
[gedaagde] tot het vonnis vastgesteld op € 1.228,00,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
in conventie en in reconventie
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de beslissingen onder 5.1 t/m 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
1680

Voetnoten

1.zie ook de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 17 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8729
2.artikel 3:13 BW
3.in combinatie met artikel 5:50 BW