ECLI:NL:RBNHO:2025:15017

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
24/3325
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening omgevingsvergunning voor mondzorgpraktijk en gevolgen voor parkeerdruk in de omgeving

Op 17 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over de verlening van een omgevingsvergunning voor een mondzorgpraktijk in Haarlem. Eisers, die concurrenten zijn van de praktijk, hebben bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening omdat zij vrezen dat de parkeerdruk in de omgeving onevenredig zal toenemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college van burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de parkeerdruk niet onevenredig zal toenemen. De vergunninghoudster had op 20 september 2022 een aanvraag ingediend voor de legalisatie van haar mondzorgpraktijk, en na een aantal beslissingen en herroepen van eerdere besluiten, heeft het college op 15 mei 2024 de omgevingsvergunning alsnog verleend. De rechtbank oordeelde dat eisers als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt en dat hun beroepsgronden niet slagen. De rechtbank concludeert dat de omgevingsvergunning in stand blijft en dat eisers geen gelijk krijgen in hun beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/3325

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eisers]uit [plaats 1] en
[eiseres 2], uit [plaats 2] , tezamen eisers
(gemachtigde: mr. F. van der Heijden),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigde: mr. Z. Aygunes).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghoudster]uit [plaats 2] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. N.J. Loekemeijer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor een mondzorgpraktijk aan de [adres 1] in [plaats 2] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunning omdat zij vrezen dat de parkeerdruk in de omgeving hiermee onevenredig zal toenemen. Eisers vrezen dat de klanten van Tandartspraktijk [naam praktijk] als gevolg hiervan geen parkeergelegenheid in de buurt zullen kunnen vinden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de parkeerdruk in de omgeving als gevolg van de vergunningverlening niet onevenredig zal toenemen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghoudster heeft op 20 september 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de legalisatie van haar mondzorgpraktijk op de [adres 1] in [plaats 2] . De mondzorgpraktijk is daar eerder in 2022 gevestigd.
2.1.
Op 21 november 2022 had het college uiterlijk moeten beslissen op de vergunningsaanvraag. Dat heeft het college niet gedaan waardoor de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Het college heeft dit op 12 januari 2023 bekendgemaakt.
2.2.
Eisers hebben op 20 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning.
2.3.
Op 10 januari 2024 heeft het college beslist op het bezwaar van eisers (hierna ook: het bestreden besluit I) en is de van rechtswege verleende vergunning van 21 november 2022 herroepen. Het college heeft daarbij besloten om de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog te weigeren.
2.4.
Vergunninghoudster is op 20 maart 2024 in beroep gegaan tegen de beslissing van 10 januari 2024 (HAA 24/765).
2.5.
Hangende dit beroep heeft vergunninghoudster op 7 februari 2024 een alternatieve parkeeroplossing getroffen op grond waarvan het college op 15 mei 2024 heeft besloten de beslissing op bezwaar van 10 januari 2024 in te trekken en de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog te verlenen conform de gewijzigde aanvraag van 7 februari 2024 (hierna ook: het bestreden besluit II). Vergunninghoudster heeft haar beroep ingetrokken.
2.6.
Eisers hebben beroepsgronden gericht tegen het bestreden besluit van 15 mei 2024 (HAA 24/3325). Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en [naam 1] , de gemachtigde van eisers bijgestaan door [naam 2] , de gemachtigde van het college, ing. [naam 3] namens het college, vergunninghoudster en de gemachtigde van vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit I
3. In het besluit van 10 januari 2024 wijkt het college gemotiveerd af van het advies van de commissie belast met de behandeling van bezwaarschriften van 20 november 2023. Dit advies gaat uit van een parkeerbehoefte van de mondzorgpraktijk van 2 parkeerplaatsen die volgens de adviescommissie in redelijkheid kunnen worden afgewenteld op de blauwe parkeerzones in de buurt van de praktijk. In deze zones geldt een maximale parkeerduur van 2 uur en de adviescommissie acht het aannemelijk dat de bezoekers van de mondzorgpraktijk gebruik zullen maken van deze plekken voor hun bezoek. Omdat de parkeerdruk op deze plekken lager is dan 85% is dit niet onaanvaardbaar. Het college gaat hier niet in mee en sluit aan bij het advies van de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) waarin wordt geconcludeerd dat het niet redelijk is om de gehele parkeerbehoefte van de mondzorgpraktijk af te wentelen op de blauwe zones. Een deel van de parkeerbehoefte van de praktijk komt namelijk voor rekening van de werknemers en deze kunnen niet parkeren in de blauwe zones. Dit deel van de parkeerbehoefte komt dus volgens VTH en het college alsnog ten laste van de openbare ruimte. Omdat de parkeerdruk op de reguliere parkeerplekken in de omgeving hoger is dan 85%, is dit niet aanvaardbaar. Het college heeft de van rechtswege verleende omgevingsvergunning daarom herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.
Het bestreden besluit II
3. Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 heeft het college de omgevingsvergunning alsnog verleend. Het college verwijst opnieuw naar het advies van de adviescommissie van 20 november 2023. De vergunninghoudster heeft op 7 februari 2024 namelijk een parkeeroplossing getroffen door een huurovereenkomst af te sluiten voor een garagebox waarmee wordt voorzien in twee parkeerplekken voor de werknemers van de mondzorgpraktijk. In het licht van deze nieuwe omstandigheden, ziet het college aanleiding om aan te sluiten bij het advies van de adviescommissie omdat het aannemelijk is dat bezoekers van de mondzorgpraktijk enkel zullen parkeren in de blauwe zone waardoor de parkeerdruk niet onevenredig zal toenemen. Volgens het college past deze oplossing in de Beleidsregels parkeernormen Haarlem omdat de garagebox zich binnen 500 meter van de mondzorgpraktijk bevindt en voor een periode van ten minste 10 jaar wordt gehuurd. Omdat met de huur van de garagebox volgens het college geen onevenredige toename zal plaatsvinden van de parkeerdruk, ziet het college alsnog mogelijkheid om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Aan de omgevingsvergunning wordt door het college het voorschrift verbonden dat de vergunninghoudster ervoor moet zorgen dat de garagebox daadwerkelijk voor een periode van ten minste 10 jaar beschikbaar is en in stand wordt gehouden, zodat deze garagebox een reëel alternatief is voor parkeren op eigen terrein.
Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag is ingediend op 20 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is.
Zijn eisers belanghebbenden in de zin van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht?
5. Door vergunninghoudster is aangevoerd dat eisers geen belanghebbenden zijn bij deze omgevingsvergunning omdat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een concurrent alleen een beroep kan doen op de goede ruimtelijke ordening als sprake is van een onaanvaardbare invloed op het ondernemersklimaat. Volgens vergunninghoudster is hiervan in het onderhavige geval geen sprake waardoor eisers niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden. Vergunninghoudster heeft hierbij verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 11 november 2020 [1] en 16 juni 2019. [2]
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers in deze procedure wel moeten worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan een ieder die mogelijk gevolgen van enige betekenis zal ondervinden als gevolg van een omgevingsvergunning, worden aangemerkt als belanghebbende. [3] De rechtbank stelt voorop dat de belanghebbendheid van de familie [naam 4] voortvloeit uit het feit dat zij eigenaar zijn van het perceel aan de [adres 2] in [plaats 2] . [4] In dit geval mag er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat de mogelijke gevolgen van het bestreden besluit op de parkeerdruk in de omgeving van de [adres 1] van enige betekenis zijn voor de eigenaren van het perceel aan de [adres 2] . Voorts is de rechtbank van oordeel dat Tandartspraktijk [naam praktijk] kan worden aangemerkt als belanghebbende in deze procedure. In de door vergunninghoudster aangehaalde uitspraken van 11 november 2020 en 16 juni 2019 legt de Afdeling uit dat iemand niet enkel op grond van zijn of haar belang bij vrijwaring van concurrentie als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de verlening van een omgevingsvergunning. Het relativiteitsvereiste en artikel 8:69a van de Awb staan er namelijk aan in de weg dat iemand wiens belang enkel is gelegen in het gevrijwaard blijven van concurrentie, zich beroept op regels die zien op de ruimtelijke ordening. Het belang van Tandartspraktijk [naam praktijk] bij deze procedure is echter, net als bij de andere eisers, gelegen in de toename van de parkeerdruk als gevolg van de verleende omgevingsvergunning, hetgeen een ruimtelijk belang is. Het feit dat Tandartspraktijk [naam praktijk] een concurrent is van vergunninghoudster staat er niet aan in de weg dat zij zich, net als andere belanghebbenden, beroept op ruimtelijke belangen die in het geding komen met deze vergunningverlening.
Hadden eisers gehoord moeten worden voorafgaand aan het nemen van het tweede besluit?
6. Eisers voeren ten eerste aan dat zij ten onrechte niet zijn gehoord voordat het college bestreden besluit I heeft herroepen en bestreden besluit II heeft genomen. Eisers wijzen op artikel 7:9 van de Awb. Voorts had het college de bijbehorende stukken, met name de huurovereenkomst van de garagebox, moeten toevoegen aan het bestreden besluit. Door dit niet te doen is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Eisers voeren verder aan dat er geen gewijzigde aanvraag ten grondslag ligt aan de op 15 mei 2024 verleende omgevingsvergunning. Volgens eisers wordt in het bestreden besluit II enkel verwezen naar de aanvraag van 20 september 2022 en is deze aanvraag in de tussentijd niet gewijzigd. Het is volgens eisers niet mogelijk om de huurovereenkomst voor de garagebox bij deze aanvraag te betrekken en op grond daarvan alsnog de omgevingsvergunning te verlenen.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 7:9 van de Awb ziet op nieuwe feiten of omstandigheden die bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van belang kunnen zijn. Deze bepaling gaat in het onderhavige geval niet op omdat het bestreden besluit II is genomen ten tijde van de beroepsprocedure tegen bestreden besluit I. Het gaat hier dus niet om een besluit als bedoeld in artikel 7:9 van de Awb maar om een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Voor zover eisers stellen dat artikel 6:19 van de Awb niet van toepassing is omdat geen sprake is van een gewijzigde aanvraag, geldt dat voor de toepassing van artikel 6:19 van de Awb is vereist dat er voldoende samenhang bestaat tussen het oorspronkelijke en het vervangende besluit. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in het onderhavige geval sprake. De rechtbank overweegt dat geen sprake is van een substantieel nieuw feitencomplex en dat de onderliggende rechtsvraag, namelijk of wordt voldaan aan de parkeernormen, hetzelfde blijft. In dit geval is enkel sprake van gewijzigde omstandigheden die volgens het college aanleiding vormen voor een ander besluit op bezwaar. Voorts staat op de eerste pagina van het bestreden besluit II dat de omgevingsvergunning wordt verleend conform de op 7 februari 2024 gewijzigde aanvraag. Eisers hebben in het beroep kennis kunnen nemen van de aan het bestreden besluit II ten grondslag liggende stukken en daarop kunnen reageren.
Toetsing aan de parkeernormen?
Welke beleidsregels zijn van toepassing?
7. Op het perceel aan de [adres 1] is het Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018 van toepassing. Volgens artikel 3.2.1 van het Parapluplan moet bij het verlenen van een omgevingsvergunning in voldoende mate ruimte zijn aangebracht op eigen terrein voor parkeergelegenheid overeenkomstig de 'Beleidsregels parkeernormen Haarlem ’ uit 2015. Tussen partijen is niet in geschil dat deze beleidsregels van toepassing zijn.
Hoe groot is de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie?
8. Eisers voeren aan dat dat in de verleende omgevingsvergunning ten onrechte is uitgegaan van een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen in de nieuwe situatie. Dit komt volgens eisers omdat de daadwerkelijke parkeerbehoefte van 2,07 ten onrechte naar beneden is afgerond. Uit de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025 volgt dat het niet mogelijk is om de parkeerbehoefte naar beneden af te ronden. [5]
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hieronder gaat de rechtbank na hoe het college de parkeerbehoefte van de mondzorgpraktijk heeft berekend.
8.2.
De [adres 1] ligt in de ‘schil’, dat betekent dat de normatieve parkeerbehoefte volgens de Beleidsregels parkeernormen Haarlem neerkomt op 1,5 parkeerplekken per behandelkamer. De mondzorgpraktijk heeft twee behandelkamers waarmee de normatieve parkeerbehoefte neerkomt op 3 parkeerplekken. De normatieve parkeerbehoefte in de oude situatie was volgens het college 3,1 parkeerplekken. In de oude situatie was namelijk sprake van een wijk-, buurt-, of dorpscentra met een parkeerbehoefte van 2,5 parkeerplekken per 100m². Het pand heeft een oppervlakte van 124m² en dus een parkeerbehoefte van 3,1 parkeerplekken. Deze normatieve parkeerbehoeftes volgen uit de tabel onder paragraaf 2.2 van de Beleidsregels.
8.3.
Vervolgens moet de normatieve parkeerbehoefte van de nieuwe situatie worden gesaldeerd met de parkeerbehoefte van de oude situatie. Dit volgt niet uit de Beleidsregels maar wel uit vaste jurisprudentie van de Afdeling. [6] Omdat de Beleidsregels uit 2015 niet voorzien in een salderingsregeling mag het college naar het oordeel van de rechtbank aansluiten bij de salderingsregeling zoals opgenomen in de Nota parkeernormen uit 2023. Volgens de Nota kan de toename van de parkeerbehoefte worden berekend door de normatieve parkeerbehoefte in de nieuwe situatie te verrekenen met de normatieve behoefte in de oude situatie (salderen). Hierbij moet volgens de Nota worden gekeken naar het maatgevend moment van de nieuwe situatie. Dit is het moment waarop de parkeerbehoefte van de nieuwe situatie het grootst is. Het college hanteert hierbij de aanwezigheidspercentages voor ‘detailhandel’ in de oude situatie en ‘sociaal-medisch arts/consultatiebureau’ in de nieuwe situatie zoals opgenomen in de tabel in paragraaf 8.4 van de Nota. Hieruit volgt dat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie het hoogst is op de ‘werkdagochtend’, namelijk 100%. Hieruit volgt ook dat de parkeerbehoefte op de ‘werkdagochtend’ in de oude situatie slechts 30% is. Vervolgens wordt de parkeerbehoefte van de oude situatie op de ‘werkdagochtend’ verrekend met de parkeerbehoefte van de nieuwe situatie op de ‘werkdagochtend’. In de onderhavige situatie komt dat neer op een parkeerbehoefte van 3 parkeerplekken verminderd met 0,93 (30% van 3,1 in de oude situatie). Dat is gelijk aan een toename van de parkeerbehoefte met 2,07 parkeerplekken. Volgens de afrondingsregel onder 6.2.3 van de Nota parkeernormen wordt dit wiskundig naar beneden afgerond naar 2 parkeerplekken.
8.4.
Voor zover eisers aanvoeren dat uit de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025 volgt dat de parkeerbehoefte niet naar beneden mag worden afgerond, is de rechtbank van oordeel dat deze uitspraak niet ziet op de onderhavige situatie. In de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025 had de gemeenteraad namelijk niet gemotiveerd waarom de parkeerbehoefte naar beneden moet worden afgerond. Dit is het onderhavige geval niet aan de orde nu het college heeft gemotiveerd dat wordt aangehaakt bij de afrondingsregel onder 6.2.3 van de Nota parkeernormen. Omdat de Beleidsregels uit 2015 niet voorzien in een afrondingsregel, is de rechtbank van oordeel dat het het college vrij staat om op dit punt aan de sluiten bij de Nota parkeernormen uit 2023. Gelet hierop acht de rechtbank het niet onredelijk om de parkeerbehoefte van 2,07 parkeerplekken af te ronden naar 2 parkeerplekken in plaats van 3.
Wordt met de huurovereenkomst voor de garagebox voldoende voorzien in de parkeerbehoefte?
9. Eisers voeren verder aan dat de garagebox niet voldoet aan de afmetingen voor parkeergelegenheid zoals volgt uit paragraaf 2.1 van de Beleidsregels parkeernormen Haarlem . Zo is de ingang van de parkeerruimte niet groot genoeg om er twee auto’s tegelijkertijd in te parkeren. Verder stellen eisers dat de huurovereenkomst een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid heeft voor vergunninghoudster waardoor de looptijd van 10 jaar niet voldoende is geborgd.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Tussen partijen is niet in geschil dat de garagebox in ieder geval ruimte biedt om één auto te parkeren. Verder zijn partijen het erover eens dat het niet redelijk is om de parkeerbehoefte van de werknemers van de mondzorgpraktijk af te wentelen op de blauwe zones. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie voor 65% voor rekening komt van de bezoekers en voor de overige 35% voor de medewerkers van de mondzorgpraktijk. Daarmee voorziet de garagebox volgens het college in ieder geval in de parkeerbehoefte van de medewerkers, die is namelijk niet groter dan één parkeerplek. De rechtbank is het daarmee eens. De vraag of overige parkeerbehoefte (van de bezoekers) wél in redelijkheid mag worden afgewenteld op de blauwe zones in de buurt van de mondzorgpraktijk, zal de rechtbank onder rechtsoverweging 10 beoordelen. Verder is de rechtbank van oordeel dat voldoende gewaarborgd wordt dat de garagebox beschikbaar blijft voor de parkeerbehoefte van werknemers van de mondzorgpraktijk. De Beleidsregels stellen immers als enige voorwaarde bij het voorzien van de parkeerbehoefte door middel van een huurovereenkomst dat deze voor ten minste 10 jaar moet worden afgesloten. Daar komt bij dat heeft het college aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbonden dat vergunninghoudster zorg draagt voor de instandhouding van de parkeerplekken en dat vergunninghoudster in haar reactie van 24 oktober 2025 heeft verklaard dat de garagebox inmiddels is aangekocht. Zodoende voorziet de garagebox naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval in de parkeerbehoefte van de werknemers van de mondzorgpraktijk.
Kan de overige parkeerbehoefte worden afgewenteld op de blauwe zone?
10. Eisers stellen dat de parkeerdruk in de wijk te hoog is om de parkeerbehoefte van de bezoekers van de mondzorgpraktijk af te wentelen op de openbare ruimte, waaronder de blauwe zones. Eisers hebben twee parkeeronderzoeken laten uitvoeren waaruit blijkt dat de parkeerdruk in de blauwe zones geregeld hoger is dan 85% gedurende de openingstijden van de mondzorgpraktijk. De conclusie van die parkeeronderzoeken is dan ook dat de parkeerbehoefte van de mondzorgpraktijk niet kan worden afgewenteld op de openbare ruimte. Naar de mening van eisers is het niet voldoende om enkel in de parkeerbehoefte van de werknemers te voorzien met de huur van een garagebox omdat de parkeerbehoefte van de bezoekers van de mondzorgpraktijk dan nog steeds wordt afgewenteld op de openbare ruimte. Eisers stellen ook dat het voor de hand ligt dat de bezoekers van de mondzorgpraktijk hun bezoek zullen willen combineren met een bezoek aan het stadscentrum en daarom niet snel in de blauwe zones zullen parkeren waardoor de parkeerbehoefte ten koste gaat van de openbare parkeergelegenheid daarom heen. Eisers stellen tot slot dat de motivering van bestreden besluit II haaks staat op de motivering van bestreden besluit I. In het bestreden besluit I is immers gemotiveerd dat de parkeerbehoefte van een bouwplan niet op de blauwe zones kan worden afgewenteld omdat dat een verkeerd beeld geeft van de parkeerdruk in de omgeving. Eisers begrijpen niet waarom de omgevingsvergunning nu dan alsnog wordt verleend waarbij parkeerbehoefte alsnog voor een deel wordt afgewenteld op de openbare parkeergelegenheid.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Uit het advies van de adviescommissie van 20 november 2023 volgt dat het aannemelijk is dat de bezoekers van de mondzorgpraktijk in de blauwe zones in de buurt zullen parkeren omdat de parkeerdruk in deze zones lager is dan in de omliggende gebieden en omdat er lang genoeg geparkeerd mag worden voor een bezoek aan de mondzorgpraktijk. Dat de parkeerdruk in de blauwe zones lager is dan 85% volgt uit het parkeeronderzoek van 12 oktober 2023. In het bestreden besluit I is door het college van dit advies afgeweken omdat het college zich op het standpunt stelt dat de parkeerbehoefte van de werknemers van de mondzorgpraktijk niet kan worden afgewenteld op de blauwe zones. De werknemers moeten immers gedurende de gehele werkdag parkeren en dat is niet toegestaan in de blauwe zones. Met het bestreden besluit I is de van rechtswege verleende omgevingsvergunning daarom herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Hangende het beroep van vergunninghoudster tegen het bestreden besluit I is de aanvraag gewijzigd door een garagebox te huren waarmee een oplossing is geboden voor de parkeerbehoefte van de werknemers. In het bestreden besluit II is de omgevingsvergunning daarom alsnog verleend en heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de parkeerdruk niet onevenredig toeneemt omdat de werknemers in de garagebox kunnen parkeren en de bezoekers in de blauwe zones. Dit is in overeenstemming met het advies van de adviescommissie en het advies van VHT en staat niet haaks op de motivering van bestreden besluit I. Voor zover eisers betogen dat uit hun parkeeronderzoeken blijkt dat de parkeerdruk in de blauwe zone geregeld hoger is dan 85%, is de rechtbank van oordeel dat dit niet afdoet aan de juistheid van het bestreden besluit II. De parkeeronderzoeken die eisers hebben overgelegd dateren immers uit juni 2024 en juni 2025. De mondzorgpraktijk is echter al in 2022 gevestigd en uit het parkeeronderzoek van 12 oktober 2023 volgt dat de parkeerdruk in de blauwe zones destijds lager was dan 85%. Omdat de praktijk al bestond ten tijde van dit onderzoek, acht de rechtbank het aannemelijk dat de toename van de parkeerdruk als gevolg van de mondzorgpraktijk al is meegenomen in de bezettingspercentages die volgen uit dit onderzoek. Dat uit het onderzoek uit 2023 volgt dat de parkeerdruk in de blauwe zones lager was dan 85%, betekent dus dat de parkeerdruk als gevolg van de vestiging van de mondzorgpraktijk in 2022 niet hoger is geworden dan 85%. Dat de parkeerdruk volgens de onderzoeken uit juni 2024 en juni 2025 inmiddels ook in de blauwe zones hoger is dan 85% maakt dit niet anders. Deze toename kan immers niet worden toegeschreven aan de mondzorgpraktijk.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 3.2. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3258.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2205.
6.Zie rechtsoverweging 6.5. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1313.