4.1.[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, na aanvulling van het verzoek op de mondelinge behandeling, waartegen [verweerder] geen bezwaar heeft gemaakt, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv:
I. [verweerder] voor de duur van deze procedure te veroordelen tot:
a. betaling aan [verzoeker] van het salaris van € 2.939,55 bruto per maand, te vermeerderen
met de vakantiebijslag vanaf 24 september 2025 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst,
b. [verzoeker] binnen 2 werkdagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in staat
te stellen de bedongen werkzaamheden te verrichten, op straffe van verbeurte van een
dwangsom van € 500,- per dag voor iedere dag of deel daarvan [verweerder] in gebreke blijft aan de veroordeling tot tewerkstelling te voldoen,
II. te verklaren voor recht dat het op 24 september 2025 gegeven ontslag op staande voet in strijd is met artikel 7:669 lid 3 BW,
III. het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen om aan [verzoeker]
te betalen het salaris van € 2.939,55 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag vanaf 24 september 2025 tot de dag der rechtsgeldige beëindiging van de
arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente over het salaris en de wettelijke verhoging,
IV. [verweerder] te veroordelen [verzoeker] binnen 48 uur na betekening van de te geven
beschikking toe te laten tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of deel daarvan dat [verweerder] in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen,
subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet:
V. [verweerder] te veroordelen aan [verzoeker] te betalen de transitievergoeding als bedoeld in
artikel 7:673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 september 2025 tot de dag der algehele voldoening, nu immers geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid van [verzoeker],
meer subsidiair, voor het geval geoordeeld wordt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet en tevens sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoeker]:
VI. [verweerder] te veroordelen aan [verzoeker] te betalen de transitievergoeding als bedoeld in
artikel 7:673 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 24 september 2025 tot de dag der algehele voldoening, onder toepassing van artikel 7:673 lid 8 BW,
voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden:
VII. bij de bepaling van de einddatum rekening te houden met de reguliere opzegtermijn en
[verweerder] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en een billijke vergoeding,
VIII. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over alle vergoedingen vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening,
IV. [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure waaronder begrepen
het salaris van de gemachtigde, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de te geven beschikking, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.