ECLI:NL:RBNHO:2025:15042

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/15/356084 / FA RK 24-4307
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 RvArt. 1:12 lid 1 BWArt. 1:253a BWArt. 1:95a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met co-ouderschap en verdeling beperkte gemeenschap van goederen

De rechtbank Noord-Holland heeft op 18 december 2025 de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die gehuwd waren zonder huwelijkse voorwaarden, met een minderjarig kind en een co-ouderschapsregeling waarbij de zorg gelijk verdeeld is. De hoofdverblijfplaats van het kind is niet vastgesteld vanwege de gelijke zorgverdeling, maar het kind wordt ingeschreven op het adres van de vrouw.

De man is veroordeeld tot betaling van een kinderbijdrage van €456 per maand vanaf 1 augustus 2025 en een partnerbijdrage van €2.818 per maand vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Het verzoek van de man tot nihilstelling of beperking van de partnerbijdrage wegens grievend gedrag van de vrouw is afgewezen, omdat de rechtbank onvoldoende bewijs vond dat de lotsverbondenheid was verbroken.

De beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld conform de overeenstemming van partijen, met toedeling van woningen en inboedel, en een gezamenlijke belastingaansprakelijkheid die door de man is voldaan, met regresvordering op de vrouw. De vrouw krijgt een redelijke vergoeding van €22.414 op grond van artikel 1:95a BW voor waardestijging van de kapitaalrekening van de man tijdens het huwelijk.

De rechtbank wijst verder verzoeken tot aanvullende bewijslevering af en bepaalt dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheidingsuitspraak zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met co-ouderschap, partner- en kinderbijdragen vastgesteld, beperkte gemeenschap verdeeld en redelijke vergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
zaaknummer / rekestnummer: C/15/356084 / FA RK 24-4307 en C/15/358351 / FA RK 24-5505
Beschikking d.d. 18 december 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de man] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. B.H.A. Brauers, gevestigd te Haarlem,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.I. Dierkx, gevestigd te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 2 augustus 2024;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 16 oktober 2024;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 20 december 2024;
- het gewijzigd verzoek van de man, ingekomen op 14 oktober 2025;
- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 16 oktober 2025 (tevens per mail ontvangen op 15 oktober 2025);
- nadere stukken van de man, ingekomen op 21 oktober 2025;
- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 29 oktober 2025;
- het verweerschrift op aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 3 november 2025 (tevens per mail ontvangen op 30 oktober 2025).
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 november 2025.
Bij die gelegenheid zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door mr. B.H.A. Brauers;
- de vrouw, bijgestaan door mr. J.I. Dierkx.
1.3.
De minderjarige [de minderjarige 1] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [de minderjarige 1] heeft haar mening niet gegeven.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Het minderjarige kind van partijen is [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3.
Uit de relatie van de man met zijn nieuwe partner is geboren het minderjarig kind: [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] . De man heeft [de minderjarige 2] erkend.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 juli 2014 is bij wijze van voorlopige voorzieningen een voorlopige zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat [de minderjarige 1] in de ene week van vrijdagmiddag uit school tot vrijdag in de andere week naar school bij de vrouw verblijft en in die andere week van vrijdagmiddag uit school tot vrijdag in de volgende week naar school bij de man verblijft, waarna [de minderjarige 1] uit school weer naar de vrouw gaat. Verder is het uitsluitend gebruik van de woning aan [adres] aan de man toegekend en het uitsluitend gebruik van de woning aan [adres] aan de vrouw toegekend, is een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage vastgesteld van € 444,- per maand en een door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage vastgesteld van € 3.547,- per maand, beiden met ingang van 6 juni 2024.
2.5.
Scheiding
2.5.1.
De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.5.2.
De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.
2.5.3.
Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).
2.5.4.
Door de man is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De man heeft gesteld dat partijen op veel punten overeenstemming hebben, maar dat het niet lukt om over alles afspraken te maken. Nu de man voldoende heeft gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.
2.5.5.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
2.5.6.
Het verzoek van de man om het ouderschapsplan onderdeel te laten uitmaken van de beschikking, zal worden afgewezen, nu er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is.
2.6.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
2.6.1.
Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.
2.6.2.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat een zorgregeling zal gelden waarbij [de minderjarige 1] in de ene week van vrijdagmiddag uit school tot vrijdag in de andere week naar school bij de vrouw zal zijn en dat zij in die andere week van vrijdagmiddag uit school tot vrijdag in de volgende week naar school bij de man zal zijn.
2.6.3.
Verder zijn partijen het eens over de verdeling van de vakanties en feestdagen, zoals door de man is verzocht, te weten:
  • in de zomervakantie verblijft [de minderjarige 1] in de even jaren de eerste drie weken bij de man en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw. De daaropvolgende drie weken is [de minderjarige 1] bij de andere ouder;
  • in de kerstvakantie in de even jaren verblijft [de minderjarige 1] de eerste week bij de vrouw en in de oneven jaren verblijft [de minderjarige 1] de eerste week bij de man. De twee kerstdagen worden verdeeld;
  • op Vaderdag verblijft [de minderjarige 1] bij de man en op Moederdag verblijft [de minderjarige 1] bij de vrouw;
  • op de verjaardag van de man verblijft [de minderjarige 1] bij de man en op de verjaardag van de vrouw verblijft [de minderjarige 1] bij de vrouw;
  • [de minderjarige 1] verblijft op haar eigen verjaardag bij de ouder waar zij zal zijn volgens de reguliere zorgregeling. De man en de vrouw vieren [de minderjarige 1] ’s verjaardag ieder voor zich wanneer zij bij hen is. Beide ouders hebben de mogelijkheid om [de minderjarige 1] te zien op haar verjaardag, ongeacht waar zij dan verblijft.
Gedurende de overige vakanties en feestdagen loopt de reguliere zorgregeling door.
2.6.4.
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen en dit in het belang van [de minderjarige 1] voorkomt, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
2.7.
Verblijfplaats
2.7.1.
De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij beide ouders zal zijn, met de bepaling dat [de minderjarige 1] in de Basisregistratie Personen (BRP) zal worden ingeschreven op het adres van de vrouw. De man verzet zich tegen het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de vrouw. Volgens hem doet dit geen recht aan de gelijkwaardige verdeling van de zorgtaken die partijen hebben. De man stemt er bovendien mee in dat de vrouw het recht heeft de kinderbijslag en het kindgebonden budget aan te vragen en dat het adres van de vrouw als postadres geldt. De vrouw heeft daarom geen belang bij het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij haar.
2.7.2.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij haar zal zijn. Zij heeft daartoe gesteld dat dit van belang is vanwege het recht om de kinderbijslag en het kindgebonden budget te kunnen aanvragen. Ook is de hoofdverblijfplaats de plek waar post vanuit de overheid voor of over de minderjarige naartoe wordt gestuurd. Bovendien acht de vrouw het wenselijk dat zij als eerste wordt geïnformeerd door derden in geval van calamiteiten, omdat zij beter beschikbaar is dan de man, gelet op hun beider banen.
2.7.3.
Ingevolge artikel 1:253a BW kunnen partijen geschillen in de gezamenlijke uitoefening van het gezag voorleggen aan de rechter. Deze geschillenregeling omvat mede beslissingen over de hoofdverblijfplaats, alsmede de inschrijving in de BRP.
2.7.4.
De rechtbank overweegt als volgt. In de rechtspraak en literatuur wordt vaak als uitgangspunt genomen dat de hoofdverblijfplaats van een kind de plaats is waar het kind feitelijk het meest verblijft. De hoofdverblijfplaats is daarbij dus nauw verweven met de zorgregeling: daar waar het zwaartepunt van de zorg ligt, is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. Dit uitgangspunt is in overeenstemming met de afgeleide of afhankelijke woonplaats van de minderjarige van artikel 1:12 lid 1 BW Pro. Krachtens deze bepaling volgt het kind in geval van voortgezet gezamenlijk ouderlijk gezag na scheiding de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft. Op het adres van de afgeleide woonplaats zal het kind dan ook worden ingeschreven in de BRP (art. 1.1 onder o Wet BRP). [1]
2.7.5.
In dit geval zijn partijen een co-ouderschapsregeling overeengekomen en is de zorg voor [de minderjarige 1] gelijk verdeeld tussen beide ouders. Nu zij bij beide ouders evenveel tijd doorbrengt, heeft zij haar (afgeleide) woonplaats bij beide ouders. Om die reden ziet de rechtbank geen reden de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] vast te stellen bij één of beide ouders. Dit doet immers geen recht aan de gelijkwaardige rol die de ouders hebben in het leven van [de minderjarige 1] . De rechtbank ziet evenmin een reden om een beslissing te nemen over de hoofdverblijfplaats zodat duidelijkheid bestaat over het regelen van praktische zaken rondom [de minderjarige 1] . Partijen zijn het er namelijk over eens dat [de minderjarige 1] in de BRP zal worden ingeschreven op het adres van de vrouw, dat de vrouw de kinderbijslag en toeslagen mag aanvragen en dat het postadres van [de minderjarige 1] eveneens op het adres van de vrouw is.
2.7.6.
Het voorgaande brengt mee dat de verzoeken van partijen over de hoofdverblijfplaats zullen worden afgewezen. Het verzoek van de man te bepalen dat [de minderjarige 1] in de BRP zal worden ingeschreven op het adres van de vrouw, zal worden toegewezen, nu partijen het hierover eens zijn.
2.8.
Onderhoudsbijdragen
Kinderbijdrage
2.8.1.
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 590,- per maand vast te stellen.
2.8.2.
De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.
2.8.3.
De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.
Ingangsdatum
2.8.4.
De vrouw heeft verzocht voor de ingangsdatum uit te gaan van 6 juni 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Zij heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat partijen nog langere tijd op hetzelfde adres hebben staan ingeschreven, waardoor de vrouw geen toeslagen kon aanvragen. De man heeft zich verweerd tegen de door vrouw verzochte ingangsdatum. Hij heeft verzocht aan te sluiten bij de geboorte van [de minderjarige 2] .
2.8.5.
De rechtbank volgt de vrouw niet in de door haar verzochte ingangsdatum. Bij voorlopige voorziening is reeds een voorlopige kinder- en partnerbijdrage vastgesteld met ingang van 6 juni 2024, zodat voor terugwerkende kracht tot de datum van indiening van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen geen aanleiding bestaat. Nu de man op [geboortedatum] opnieuw vader is geworden en dit gevolgen heeft voor de verdeling van zijn draagkracht, zal de rechtbank voor de ingangsdatum uitgaan van 1 augustus 2025.
Behoefte
2.8.6.
Vast staat dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens het huwelijk meer dan € 6.000,- per maand bedroeg. Dit betekent dat de behoefte van [de minderjarige 1] wordt gemaximeerd. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] geïndexeerd naar 2025 € 937,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank hierbij zal aansluiten.
2.8.7.
Vervolgens zal de rechtbank beoordelen op welke wijze deze kosten van het kind moeten worden verdeeld tussen de ouders.
Draagkracht vrouw
2.8.8.
De vrouw is in loondienst. Uit haar salarisspecificaties blijkt dat zij vanaf september 2025 een loon heeft van € 2.818,- bruto per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van € 238,- bruto per maand. De rechtbank zal met dit inkomen rekening houden, alsmede met de door de vrouw betaalde pensioenpremies. Daarnaast gaat de rechtbank uit van het kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop waar de vrouw met dit inkomen aanspraak op maakt.
2.8.9.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.838,- per maand, waarmee zij een draagkracht heeft van € 692,- per maand.
Draagkracht man
2.8.10.
De man is werkzaam als advocaat en maakt deel uit van de maatschap “ [maatschap] ”. De vrouw heeft gesteld dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn gemiddelde winst uit onderneming over de afgelopen drie jaar. De man heeft daartegenover gesteld dat niet moet worden uitgegaan van een gemiddelde winst, maar van de winst over 2024, omdat dit representatief is voor de toekomst. Gelet op de zorgregeling voor [de minderjarige 1] , kan de man voortaan minder werken, wat van invloed is op zijn resultaat.
2.8.11.
De rechtbank zal uitgaan van het aandeel van de man in de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024, zoals te doen gebruikelijk bij ondernemers. De rechtbank ziet in hetgeen de man heeft gesteld geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Hoewel de man heeft verklaard dat hij voortaan minder kan werken vanwege de zorg voor [de minderjarige 1] , heeft hij ook verklaard dat hij tijdens de samenwoning van partijen altijd een groot deel van de zorg voor [de minderjarige 1] heeft gedragen. Niet valt in te zien waarom dat nu tot gevolg zou hebben dat de man minder kan werken. Bovendien heeft de man de mogelijkheid om in de week dat [de minderjarige 1] bij de vrouw verblijft, meer uren te werken en zo eventueel verloren werktijd te compenseren. Uitgaande van het aandeel van de man in de winst uit onderneming zoals blijkt uit de overgelegde jaarstukken van € 149.417,- in 2022, € 224.867,- in 2023 en € 166.608,- in 2024, berekent de rechtbank de gemiddelde winst op € 180.297,-, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
2.8.12.
Vast staat dat de man voor de helft eigenaar is van een tweetal panden aan [adres] en [adres] . Ook staat vast dat de huurinkomsten voor deze twee panden samen € 2.800,- per maand bedragen. De vrouw heeft gesteld dat bij de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met inkomsten uit verhuur van de panden. De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat tegenover de huurinkomsten kosten voor de panden staan voor het voldoen van de vaste lasten en voor onderhoud, zodat er nagenoeg geen inkomsten overblijven. De rechtbank overweegt dat de man stukken heeft overgelegd waaruit de vaste lasten voor de twee panden blijken. De man heeft hiermee onderbouwd dat van bovenstaande huurinkomsten een zeer gering bedrag overblijft, waarbij nog geen rekening is gehouden met kosten voor onderhoud en verbetering. Om die reden zal de rechtbank geen rekening houden met een bedrag aan huurinkomsten aan de zijde van de man. Tegenover de stelling van de vrouw dat de man de panden niet zou aanhouden als deze zo weinig opleveren als de man stelt, heeft de man ter zitting verklaard dat de panden zijn bedoeld als investering voor de toekomst, wat de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt.
2.8.13.
De man heeft een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering opgevoerd van € 4.760,- per jaar, wat door de vrouw niet is weersproken, zodat hiermee rekening zal worden gehouden.
2.8.14.
Verder heeft de man gesteld dat rekening moet worden gehouden met verwervingskosten, te weten de kosten voor zijn lease auto plus benzinekosten van € 1.839,- per maand. Volgens de man maakt hij hoge kosten voor een auto vanwege zijn werkzaamheden door het land. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat bij het berekenen van de draagkracht geen rekening wordt gehouden met een auto van de zaak. In dit geval heeft de man er (om financiële redenen) voor gekozen om geen auto van de zaak te nemen, maar een auto in privé te leasen. Dit neemt niet weg dat een groot deel van de kosten voor de auto, zakelijke kosten betreffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom, anders dan de kosten voor een auto van de zaak, met de kosten voor deze lease auto wel rekening moet worden gehouden. De rechtbank zal deze kosten dan ook buiten beschouwing laten.
2.8.15.
Niet weersproken is dat de man aan aflossing van zijn studieschuld bij DUO een bedrag van € 260,- per maand voldoet, zodat hiermee rekening zal worden gehouden.
2.8.16.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 8.909,- per maand. Hij heeft daarmee een draagkracht van € 3.266,- per maand.
2.8.17.
Vast staat dat de man op [geboortedatum] vader is geworden van [de minderjarige 2] en dat zijn draagkracht daarom moet worden verdeeld over twee kinderen, naar rato van de behoefte van deze kinderen. De behoefte van [de minderjarige 2] moet worden berekend aan de hand van de inkomens van de man en zijn nieuwe partner. De man heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn nieuwe partner een winst uit onderneming had in 2023 van € 147.546,- bruto per jaar, in 2024 van € 155.839,- bruto per jaar en een verwachte winst uit onderneming over 2025 van € 125.303,- bruto per jaar. De rechtbank zal uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming over 2023 en 2024 van € 151.693,- bruto per jaar. De verwachte winst over 2025 geeft geen representatief beeld, omdat de nieuwe partner van de man in 2025 zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten. Op basis van deze gegevens heeft de nieuwe partner van de man een netto besteedbaar inkomen van € 7.724,- per maand.
2.8.18.
Nu het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en zijn nieuwe partner meer dan € 7.500,- per maand bedraagt, wordt ook de behoefte van [de minderjarige 2] gemaximeerd op een bedrag van € 990,- per maand. De man heeft gesteld dat de behoefte van [de minderjarige 2] moet worden verhoogd met de netto kosten voor kinderopvang van € 1.212,84 per maand. De rechtbank volgt de man niet in deze stelling, omdat de kosten voor kinderopvang in verhouding tot de inkomens van de man en zijn nieuwe partner, niet zodanig hoog zijn dat deze behoefteverhogend werken.
2.8.19.
Na een draagkrachtvergelijking tussen de man en zijn nieuwe partner, komt van de totale draagkracht van de man van € 3.266,- per maand een bedrag van € 254,- per maand toe aan [de minderjarige 2] en een bedrag van € 3.012,- per maand toe aan [de minderjarige 1] .
Draagkrachtvergelijking
2.8.20.
De gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw voor [de minderjarige 1] bedraagt € 3.599,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige 1] van € 937,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] bedraagt dan € 784,- per maand en het aandeel van de vrouw bedraagt dan € 153,- per maand.
2.8.21.
Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat, gelet op de geldende zorgregeling, een zorgkorting van 35% van toepassing is. De zorgkorting beloopt € 328,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan [de minderjarige 1] bij de uitoefening van zijn zorgtaken.
Conclusie
2.8.22.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 1 augustus 2025 een kinderbijdrage voor [de minderjarige 1] van € 456,- per maand aan de vrouw moet betalen.
Partnerbijdrage
2.8.23.
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 5.546,- per maand vast te stellen.
2.8.24.
De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek. Primair heeft hij verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen en subsidiair heeft hij verzocht de partnerbijdrage te matigen, door deze te limiteren in zowel hoogte als duur.
Grievend gedrag en limitering
2.8.25.
De man stelt dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is om van hem te verwachten dat hij een bijdrage aan de vrouw voldoet, gelet op haar onnodig grievende gedrag. De vrouw heeft zich schuldig gemaakt aan intieme terreur, waarbij zij de man heeft vernederd, geïntimideerd, bedreigd en gechanteerd. Ook heeft de vrouw de man en zijn nieuwe partner in de gaten gehouden en gevolgd en heeft zij onwaarheden verspreid over hen. Dit is voor de man en zijn partner zeer kwetsend geweest. De vrouw betrekt bij haar handelen ook derden, waaronder zakelijke relaties van de man. Dit leidt mogelijk tot (zakelijke) schade bij de man, met ernstige financiële gevolgen. De man stelt dat de langdurig aanhoudende gedragingen van de vrouw ertoe hebben geleid dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken.
2.8.26.
De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat een echtscheiding doorgaans gepaard gaat met (hoog oplopende) emoties. De beginfase van de echtscheidingsprocedure tussen partijen was turbulent. Het heeft de vrouw aangegrepen dat de nieuwe partner van de man zich heeft gemengd in het proces rondom de echtscheiding, terwijl dit iets tussen partijen alleen is. De man heeft een eenzijdig beeld geschetst van de situatie, waarin hij en zijn nieuwe partner ook een aandeel hadden. Volgens de vrouw zijn partijen inmiddels in rustiger vaarwater beland, waarbij zij afspraken kunnen maken over [de minderjarige 1] .
2.8.27.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de alimentatiegerechtigde.
2.8.28.
De vraag die daarbij moet worden beantwoord, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat deze bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd.
2.8.29.
Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting, een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer kan worden gevergd. Daarbij is van belang of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige - naar objectieve maatstaven - in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. Bij de bepaling van een eventuele alimentatie mag ook rekening worden gehouden met factoren die in de relatie tussen partijen tijdens het bestaan van het huwelijk een rol hebben gespeeld. De enkele vaststelling van grievend gedrag van de alimentatiegerechtigde jegens de alimentatieplichtige, leidt er niet zonder meer toe dat daarmee de mogelijke aanspraak op een bijdrage aan levensonderhoud komt te vervallen. Een echtscheidingsprocedure gaat in het algemeen gepaard met de nodige emoties en vaak ook ruziegedrag. Door de gemoedstoestand van betrokkenen kunnen er ruzies ontstaan die zich onder normale omstandigheden niet zouden voordoen.
2.8.30.
Als wordt vastgesteld dat de lotsverbondenheid tussen de ex-echtgenoten is verbroken, dan vervalt daarmee het recht op alimentatie. Voor de alimentatiegerechtigde zijn er dus verstrekkende gevolgen indien de lotsverbondenheid door diens gedrag als verbroken wordt beschouwd. De rechter dient derhalve een grote mate van terughoudendheid in acht te nemen bij het vaststellen van de verbreking van de lotsverbondenheid. Naarmate de duur van het huwelijk langer is geweest en/of uit het huwelijk kinderen zijn geboren, worden de eisen die aan het verbreken van de lotsverbondenheid worden gesteld zwaarder.
2.8.31.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht, leidt de rechtbank af dat de verhouding tussen partijen niet altijd goed is geweest. De vrouw erkent dat zij niet altijd juist heeft gehandeld jegens de man, maar dat partijen over en weer verwijten hebben geuit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet aangetoond dat van de zijde van de vrouw sprake is geweest van dermate grievend gedrag, dat dit tot gevolg heeft dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken en de man niet gehouden is een onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen. De rechtbank kan invoelen dat bepaalde uitlatingen van de vrouw emotioneel zwaar voor de man zullen zijn geweest. Anderzijds geldt dat de situatie ook voor de vrouw zwaar zal zijn geweest, omdat zij is geconfronteerd met een affaire en nieuwe relatie van de man en zij inmiddels een kindje hebben gekregen, voordat de scheiding van partijen is afgerond. Dit zal gepaard zijn gegaan met veel emoties. De man heeft evenmin aangetoond dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden door de gedragingen van de vrouw. Hij is verder gegaan met zijn privéleven en nieuwe gezin en ook zakelijk is hij nog steeds in staat zijn werkzaamheden uit te voeren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man tot nihilstellen of limiteren van zijn onderhoudsplicht in duur, afwijzen.
2.8.3.
De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.
Ingangsdatum
2.8.32.
De vrouw heeft verzocht de ingangsdatum van de partnerbijdrage te bepalen op
6 juni 2024. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.
Behoefte
2.8.33.
De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend. De man heeft zich verzet tegen toepassing van de Hofnorm en heeft gesteld dat de vrouw haar behoefte concreet had moeten onderbouwen, omdat niet het hele gezinsinkomen van partijen tot hun beschikking stond. De rechtbank stelt voorop dat de behoefte van de vrouw mede is gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.
2.8.34.
De Hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van de echtgenoten gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. De Hofnorm biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat niet van de Hofnorm moet worden uitgegaan, onvoldoende onderbouwd, zodat dit geen aanleiding vormt om hiervan af te wijken.
2.8.35.
Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om bij toepassing van de Hofnorm te rekenen met een percentage van 50 in plaats van 60, zoals de man heeft gesteld. De enkele omstandigheid dat partijen al twee woningen hadden en dus dubbele woonlasten, vormt geen reden om af te wijken van het uitgangspunt van 60%. Het percentage is immers gebaseerd op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin, maar deze kosten omvatten meer dan alleen de woonlasten.
2.8.36.
Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw tijdens het huwelijk € 2.533,- per maand bedroeg, zodat hiervan zal worden uitgegaan.
2.8.37.
Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk, gaat de rechtbank uit van de gemiddelde winst uit onderneming over de drie jaren voorafgaand aan de echtscheiding. De gemiddelde winst uit onderneming van de man bedroeg over de jaren 2022 tot en met 2024 € 180.297,- bruto per jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man van € 4.760,- per jaar en de aflossing op zijn DUO-schuld van € 260,- per maand, wat door de man onweersproken is gesteld. Geen rekening zal worden gehouden met de autokosten van de man of met huurinkomsten. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen in het kader van de kinderbijdrage is overwogen. Op basis van deze gegevens bedroeg het netto besteedbaar inkomen van de man in 2024 € 8.698,- per maand.
2.8.38.
Uitgaande van het netto besteedbaar inkomen van partijen van in totaal € 11.231,- per maand en de kosten van [de minderjarige 1] in 2024 van € 880,- per maand, berekent de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op € 6.211,- netto per maand in 2024. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte dan € 6.615,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
2.8.39.
Vervolgens zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in deze huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien.
2.8.40.
De man heeft gesteld dat de vrouw verdiencapaciteit heeft en in staat moet worden geacht een inkomen van € 3.023,- per maand te genereren, uitgaande van een 36-urige werkweek. De vrouw is werkzaam in de zorg, waar veel werkgelegenheid is. Bovendien hoeft de vrouw steeds minder thuis te zijn om de zorg voor [de minderjarige 1] te dragen naarmate zij ouder wordt, temeer nu tussen partijen een co-ouderschapsregeling geldt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende weersproken dat zij geen mogelijkheden heeft om een hoger inkomen te genereren. Zo is niet gesteld of gebleken dat zij niet de mogelijkheid heeft haar arbeidsduur bij haar huidige werkgever te verhogen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw meer kan werken in de week dat [de minderjarige 1] bij de man verblijft, net als de man in staat wordt geacht meer te kunnen werken in de week dat [de minderjarige 1] bij de vrouw is. De rechtbank zal daarom rekening houden een verdiencapaciteit van de vrouw van € 3.023,- netto per maand, zoals door de man gesteld.
2.8.41.
Dit betekent dat de vrouw een aanvullende behoefte heeft van € 3.592,- netto per maand.
Draagkracht man
2.8.42.
Voor de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen in het kader van de kinderbijdrage, waaruit volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 8.909,- per maand.
2.8.43.
De rechtbank houdt rekening met het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 784,- per maand en € 254,- per maand. Hij heeft dan een resterende draagkracht van € 1.762,- netto per maand, wat gebruteerd neerkomt op € 2.818,- per maand. De draagkracht van de man overschrijdt de behoefte van de vrouw niet.
Conclusie
2.8.44.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 2.818,- per maand.
2.9.
Verdeling
2.9.1.
Partijen zijn gehuwd zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, zodat tussen hen de wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap is ontstaan.
2.9.2.
Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.
Peildatum
2.9.3.
De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het (inleidend) verzoekschrift is, zijnde 3 februari 2023. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.
2.9.4.
Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.
Bestanddelen
2.9.5.
De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.
2.9.6.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW Pro de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Nu partijen, met uitzondering van de belastingschuld, overeenstemming hebben bereikt over de (wijze van) verdeling, is er geen rol voor de rechter weggelegd en hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen. De rechtbank zal hieronder de overeenstemming tussen partijen opnemen.
1.
De woning aan [adres] en de woning aan [adres] (en de op de woning rustende hypothecaire leningen)
2.9.7.
Partijen zijn het erover eens dat de woning aan [adres] aan de man zal worden toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze conform het bepaalde hierna wordt getaxeerd, onder de voorwaarde dat hij uiterlijk drie maanden na deze beschikking ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan haar de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen.
2.9.8.
De woning aan [adres] zal aan de vrouw worden toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze conform het bepaalde hierna wordt getaxeerd, onder de voorwaarde dat zij uiterlijk drie maanden na deze beschikking ervoor dient zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan hem de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen.
2.9.9.
Teneinde de waarde van de woningen vast te stellen, moeten de woningen worden getaxeerd. Partijen zijn overeengekomen dat zij [makelaarskantoor] te [plaats] opdracht zullen geven de woningen te taxeren uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat.
2.9.10.
Indien de man niet de mogelijkheid heeft om het aandeel van de vrouw in de woning aan [adres] over te nemen en/of de vrouw niet de mogelijkheid heeft om het aandeel van de man in de woning aan [adres] over te nemen en de ander te laten ontslaan uit zijn/haar aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire lening, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde.
2.
Inboedel
2.9.11.
Partijen zijn overeengekomen dat van de inboedel ieder van partijen houdt wat hij of zij onder zich heeft, zonder nadere verrekening. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.
3.
Bankrekeningen
2.9.12.
Partijen hadden op de peildatum een gezamenlijke bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] . Tussen partijen is niet in geschil dat de man deze bankrekening zal voortzetten en dat de vrouw zal meewerken aan het overzetten van de rekening op naam van de man. Verder zijn partijen overeengekomen dat de vouw inzage zal geven in het saldo per peildatum van de op haar naam staande bankrekening. De saldi van beide bankrekeningen zullen bij helfte worden verdeeld tussen partijen.
2.9.13.
Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen op naam van [de minderjarige 1] met rekeningnummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] door hen in gezamenlijk beheer worden voortgezet en dat hierover geen beslissing nodig is.
4.
Motor
2.9.14.
Partijen zijn overeengekomen dat de motor van het merk KTM met kenteken [kenteken] aan de man zal worden toebedeeld, zonder nadere verrekening.
5.
Schuld belastingdienst
2.9.15.
Wat partijen nog verdeeld houdt, is de schuld aan de belastingdienst. De man heeft met stukken onderbouwd dat partijen een schuld aan de belastingdienst hadden in verband met de verschuldigde inkomstenbelasting over 2023 ter hoogte van € 97.972,-. De man heeft deze schuld na de peildatum volledig afbetaald vanaf zijn zakelijke rekening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man aangetoond dat de schuld ziet op de huwelijkse periode van partijen en dat hij deze schuld heeft afgelost. Dit blijkt uit de door de man overgelegde voorlopige aanslag 2023 en de bankafschriften waarop het betalingskenmerk staat vermeld dat overeenkomt met het betalingskenmerk van de voorlopige aanslag.
2.9.16.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de belastingdienst. Nu de man de volledige schuld heeft afgelost, heeft hij een regresvordering op de vrouw ter hoogte van de helft van de schuld, zijnde € 48.986,-.
6.
Het aandeel van de man in de maatschap “ [maatschap] ”
2.9.17.
Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek tot verdeling van de waarde van het aandeel van de man in zijn maatschap “ [maatschap] ” ingetrokken, zodat hierop geen beslissing meer hoeft te worden genomen.
2.10.
Vergoeding op grond van artikel 1:95a BW
2.10.1.
De vrouw heeft bij aanvullend verzoek verzocht te bepalen dat de man aan haar een redelijke vergoeding op grond van artikel 1:95a BW dient te betalen van € 70.754,33, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van de beschikking, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag en betalingstermijn.
2.10.2.
Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de vrouw gesteld dat zij de waardestijging van het aandeel van de man in de maatschap heeft laten onderzoeken door een partijdeskundige ( [partijdeskundige] ), die tot de conclusie is gekomen dat het aandeel van de man in de maatschap in de periode van [huwelijksdatum] tot 8 augustus 2024 is toegenomen met een bedrag van € 212.263,-. De vrouw stelt dat dit bedrag niet tijdens het huwelijk volledig ten bate van beide partijen is gekomen, maar juist is achtergebleven in de onderneming van de man. Zij betwist dat hiervan de kosten van de huishouding zijn voldaan. De vrouw acht het redelijk om 2/3e deel van de waardestijging van de maatschap aan de gemeenschap toe te rekenen, derhalve een bedrag van € 141.508,66, wat neerkomt op vergoeding aan de vrouw van € 70.754,33.
2.10.3.
De man heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar aanvullende verzoek, althans dat dit verzoek wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. De rechtbank zal dit verzoek van de man afwijzen. Het is toegestaan verzoeken te veranderen of vermeerderen totdat een eindbeschikking is gewezen (artikel 283 Rv Pro en artikel 130 Rv Pro). Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van strijd met de goede procesorde, nu de man zich heeft kunnen verweren tegen het verzoek.
2.10.4.
De man heeft verder naar voren gebracht dat een redelijke vergoeding op grond van artikel 1:95a BW niet gelijk kan worden gesteld met de waardestijging van de onderneming, zoals door de vrouw is betoogd. Bovendien is de gemeenschap al op andere wijze gebaat door de inspanningen van de man in zijn onderneming, doordat hij tijdens het huwelijk altijd de kosten van de gemeenschap heeft voldaan vanuit zijn winst uit onderneming. De vrouw heeft niet gesteld of aangetoond dat deze bedragen niet volstaan als redelijke vergoeding.
2.10.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:95a BW komt ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding toe voor kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.
2.10.6.
De man heeft verklaard dat hij tijdens het huwelijk van partijen vanaf zijn zakelijke rekening (kapitaalrekening) steeds overboekingen heeft gedaan naar de gemeenschappelijke rekening van partijen om de kosten van de huishouding te voldoen. Op de kapitaalrekening moet de man een bedrag achterhouden als reservering voor de nog af te dragen belasting over dat jaar, maar verder heeft de man altijd zijn volledige winst overgeboekt naar privé. Ter zitting heeft de man in aanvulling hierop verklaard dat uit bovenstaand standpunt volgt dat het verschil tussen zijn ondernemingsvermogen per datum huwelijksvoltrekking en de peildatum aan de gemeenschap had moeten toekomen en dat dit alsnog moet gebeuren voor zover dat niet al is gedaan.
2.10.7.
De rechtbank stelt vast dat uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat het ondernemingsvermogen van de man per 10 juli 2020, dus ten tijde van de huwelijksvoltrekking van partijen, € 90.499,- bedroeg. Per 1 juli 2024 bedroeg het ondernemingsvermogen van de man € 154.827,-. Tussen 1 juli 2024 en de peildatum 6 augustus 2024 heeft de man nog een tweetal overboekingen naar de gemeenschap gedaan van € 18.500,- en € 1.000,-. Hieruit kan worden afgeleid dat het ondernemingsvermogen van de man op de peildatum € 135.327,- bedroeg. Dit betekent dat het ondernemingsvermogen van de man tijdens het huwelijk is gestegen met een bedrag van € 44.828,- (€ 135.327 - € 90.499). De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag aan de gemeenschap toekomt, wat erop neerkomt dat de man de helft van dit bedrag aan de vrouw dient te vergoeden, te weten een bedrag van € 22.414,-. Nu hiermee de volledige waardevermeerdering van de kapitaalrekening van de man tijdens het huwelijk aan beide echtgenoten ten goede is gekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding een aanvullende redelijke vergoeding vast te stellen. Het verzoek van de vrouw daartoe zal daarom worden afgewezen.
2.10.8.
De rechtbank overweegt, zoals de man ter zitting heeft voorgesteld, dat deze vordering van de vrouw kan worden verrekend met de regresvordering van de man op de vrouw in verband met de door hem voldane belastingschuld over 2023.
2.11.
Overige
2.11.1.
De vrouw heeft verzocht op grond van artikel 843a Rv dan wel artikel 22 Rv Pro te bepalen dat de man de navolgende stukken in het geding zal brengen:
  • huurovereenkomsten tussen de man en de huurder(s) van het pand aan [adres] ;
  • huurovereenkomsten tussen de man en de huurder(s) van het pand aan [adres] ;
  • bankafschriften van de maanden januari tot en met oktober 2024 waaruit blijkt dat de man huurpenningen ontving uit de verhuur van bovenstaande panden;
  • de aangifte IB 2023;
  • kwartaalcijfers 2024 en prognose vierde kwartaal 2024.
2.11.2.
Voor zover de vrouw dit verzoek nog handhaaft, zal de rechtbank het verzoek afwijzen, omdat de man inmiddels inzage heeft gegeven in zijn financiën van zijn onderneming en de huurinkomsten.
2.12.
Proceskosten
2.12.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;
3.2.
bepaalt dat de minderjarige in de BRP zal worden ingeschreven op het adres van de vrouw;
3.3.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
  • de minderjarige [de minderjarige 1] verblijft in de ene week van vrijdagmiddag uit school tot vrijdag in de andere week naar school bij de vrouw en in die andere week van vrijdagmiddag uit school tot vrijdag in de volgende week naar school bij de man;
  • in de zomervakantie verblijft [de minderjarige 1] in de even jaren de eerste drie weken bij de man en in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vrouw. De daaropvolgende drie weken is [de minderjarige 1] bij de andere ouder;
  • in de kerstvakantie in de even jaren verblijft [de minderjarige 1] de eerste week bij de vrouw en in de oneven jaren verblijft [de minderjarige 1] de eerste week bij de man. De twee kerstdagen worden verdeeld;
  • op Vaderdag verblijft [de minderjarige 1] bij de man en op Moederdag verblijft [de minderjarige 1] bij de vrouw;
  • op de verjaardag van de man verblijft [de minderjarige 1] bij de man en op de verjaardag van de vrouw verblijft [de minderjarige 1] bij de vrouw;
  • [de minderjarige 1] verblijft op haar eigen verjaardag bij de ouder waar zij zal zijn volgens de reguliere zorgregeling. De man en de vrouw vieren [de minderjarige 1] ’s verjaardag ieder voor zich wanneer zij bij hen is. Beide ouders hebben de mogelijkheid om [de minderjarige 1] te zien op haar verjaardag, ongeacht waar zij dan verblijft;
  • gedurende de overige vakanties en feestdagen loopt de reguliere zorgregeling door;
3.4.
bepaalt dat de man € 456,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarige, met ingang van 1 augustus 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.5.
bepaalt dat de man € 2.818,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
3.6.
bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan de belastingdienst in verband met de verschuldigde inkomstenbelasting over 2023 ter hoogte van € 97.972,- en dat de man een regresvordering heeft op de vrouw ter hoogte van de helft van dit bedrag, te weten € 48.986,-;
3.7.
bepaalt dat de vrouw op grond van artikel 1:95a BW recht heeft op een redelijke vergoeding van € 22.414,-;
3.8.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing onder 3.1;
3.9.
bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
3.10.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 18 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv Pro openlijk bekend is gemaakt.

Voetnoten