ECLI:NL:RBNHO:2025:15043

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11931930
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over huisvestingsvergoeding in arbeidsrelatie tussen werknemer en werkgever

In deze zaak vordert de eiser, een werknemer bij Artemis ITS GmbH, betaling van een huisvestingsvergoeding van € 3.180,67 bruto per maand, die per 1 maart 2025 zou moeten worden betaald. De werknemer is sinds 10 mei 2021 in dienst bij Artemis en heeft in Nederland gewoond, waarbij de werkgever de huur en vaste lasten heeft betaald. De werkgever heeft echter per 1 januari 2025 de 30%-regeling stopgezet, wat leidde tot een geschil over de huisvestingsvergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de huisvestingsvergoeding een arbeidsvoorwaarde is en dat de werkgever deze niet eenzijdig kan stopzetten. De rechter concludeert dat de werknemer recht heeft op de huisvestingsvergoeding, omdat deze een essentieel onderdeel van de arbeidsvoorwaarden was. De werkgever heeft onvoldoende aangetoond dat er zwaarwegende belangen zijn om de vergoeding te beëindigen. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer toe en verplicht de werkgever om de huisvestingsvergoeding te betalen, inclusief wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11931930 \ VV EXPL 25-157
Vonnis in kort geding van 18 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. T. van Leeuwen-Brinks (DAS),
tegen
de rechtspersoon naar Duits recht
ARTEMIS ITS GMBH,
gevestigd te Schiphol-Rijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Artemis,
gemachtigde: mr. J.M.A. Koole.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 14 producties;
- de conclusie van antwoord met 14 producties;
- de e-mail van [eiser] van 2 december 2025 met aanvullende producties 15 t/m 18;
- de akte wijziging eis van 2 december 2025 met producties 19 t/m 25;
- de e-mail van Artemis van 2 december 2025 met aanvullende productie 15;
- de e-mail van [eiser] met intrekking eiswijziging en aanvullende producties 26 en 27;
- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [eiser].

2.Feiten

2.1.
[eiser] is sinds 10 mei 2021 bij Artemis in dienst als Regionaal Manager.
2.2.
[eiser] is voor haar baan bij Artemis naar Nederland verhuisd.
2.3.
Artemis was de huurder van de woningen waarin [eiser] in de periode vanaf 8 mei 2021 tot 1 maart 2025 verbleef. Artemis heeft in die periode de huur en de vaste lasten betaald.
2.4.
In artikel 15 van de arbeidsovereenkomst is een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen:
“Article 15: CHANGES CLAUSEThe Employer may amend a condition of the employment contract unilaterally if the importance of the Employer of doing so is so great as to outweigh, by standards of reasonableness and fairness, the Employee’s interests that would be harmed by the change.”
2.5.
In artikel 31a lid 17 van de Wet op de loonbelasting 1964 is vastgelegd dat een werkgever bij werknemers die aan de voorwaarden van de expatregeling voldoen, elk kalenderjaar opnieuw een keuze moet maken tussen (1) toepassing van de forfaitaire vergoeding van de extraterritoriale kosten (ETK) via de 30%-regeling, óf (2) vergoeding van de werkelijke ETK.
2.6.
De 30%-regeling houdt in dat 30% van het loon belastingvrij wordt uitgekeerd. Deze vergoeding is bedoeld om de extra kosten te dekken die deze werknemers maken voor hun verblijf buiten hun land van herkomst.
2.7.
De Belastingdienst heeft bij beschikking van 22 november 2022 bepaald dat [eiser] in aanmerking komt voor toepassing van de 30%-regeling.
2.8.
De accountant van Artemis heeft vastgesteld dat Artemis in strijd met de wet heeft gehandeld door zowel de forfaitaire ETK-vergoeding via de 30%-regeling als de vergoeding van werkelijke huisvestingskosten netto naast elkaar toe te passen.
2.9.
Naar aanleiding van deze vaststelling door de accountant zijn over 2024 de loonstroken gecorrigeerd en is loonbelasting nageheven door de Belastingdienst.
2.10.
Op 29 januari 2025 heeft Artemis aan haar medewerkers laten weten dat zij de 30%-regeling per 1 januari 2025 stopzet:
“We would like to inform you that the company has decided that, starting from January 1, 2025, we will no longer provide the 30% ruling.”
2.11.
[eiser] heeft verschillende vragen gesteld over de gecorrigeerde loonstroken, de 30%-regeling en de huisvestingsvergoeding.
2.12.
Artemis heeft in januari en februari 2025 een bruto huisvestingsvergoeding van
€ 3.180,67 per maand aan [eiser] betaald.
2.13.
Op 5 februari 2025 heeft [eiser] zich ziekgemeld in verband met psychische klachten.
2.14.
Op 7 februari 2025 heeft [eiser] aan Artemis geschreven:
“(…) About the benefit of the house, as mentioned, 1 am open to evaluating the case and taking on the handling of the house by myself by applying adjustments to my gross income, instead of the house benefit. Could you please let me know your feedback about that? I have received your information (attached mail) that you are covering the house until February, so it is needed to clarify earlier the adjustments that we will make to our collaboration contracts about that because as you mention, the house is currently an integral part of the offer. (…)”
2.15.
Op 11 februari 2025 heeft Artemis aan [eiser] geschreven:
“(…) According to the applicable legislation, it is not possible to receive both the 30% ruling and company covered accommodation simultaneously. Since the company is covering your housing casts, the 30% ruling can no longer be applied. However, based on your request and mutual agreement, for January and February, your pay slip will reflect both benefits with higher costs (insurance, etc.) due to double taxation. Starting in March, you will need to cover the housing costs yourself in order to retain the 30% ruling as a tax-free benefit and avoid double taxation.”
2.16.
Op 20 februari 2025 heeft [eiser] aan Artemis geschreven:
“As I understand from [betrokkene] mail, we are both parties agreed that you will keep active my benefit of 30% ruling and simultaneously I will be excluded from the coverage of the house benefit by your side starting that in March. Is that correct? As we finalise and agree on the upper point, I would like to come into mutual agreement for the adjustment of the house benefit to my payslip. I would like to understand what is the amount that you can adjust to my payslip, this is something important for me in order to estimate my future salary and set my budget to search a house. I understand that we are discussing for a smaller amount than the real housing costs but still this is very important for me to this change.”
2.17.
Op 25 februari 2025 om 13:00 uur heeft [eiser] aan Artemis geschreven:
“Initially please confirm that you are keeping active my benefit of the 30%-ruling. Simultaneously I will be excluded of the coverage of the house benefit, starting that in March. In order to find a place to live and handle this change that so abrupt is applied, I need to know which is going to be my salary by starting from March. As we have communicated oral, and here I request it written from my initial email on 30/01, please inform me with the adjustment that will be applied to my salary instead of the house benefit.”

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - betaling van de huisvestingskosten van primair € 3.180,67 bruto per maand, subsidiair € 2.500,00 bruto per maand en meer subsidiair € 1.601,58 bruto per maand, vanaf 1 maart 2025 tot het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat de huisvestingsvergoeding van begin af aan een essentieel onderdeel was van de arbeidsvoorwaarden. Artemis heeft geen zodanig zwaarwegend belang bij de stopzetting van de fiscaal toegestane wijze van uitvoering van deze afspraak (bruto betaling), dat het belang van [eiser] daarvoor moet wijken.
3.3.
Artemis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu [eiser] van de huisvestingsvergoeding afhankelijk is voor haar levensonderhoud. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
De kern van dit geschil draait om de vraag of [eiser] ook na 1 maart 2025 recht heeft op een huisvestingsvergoeding. Dat is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter het geval. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
De huisvestingsvergoeding is een arbeidsvoorwaarde
4.3.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst hebben afgesproken dat Artemis haar huisvesting zou regelen en betalen. Artemis betwist dat de huisvestingsvergoeding als contractuele arbeidsvoorwaarde is overeengekomen. Volgens Artemis heeft zij slechts om praktische redenen en als onderdeel van de expatfaciliteit de huisvesting van [eiser] betaald. Deze ondersteuning kwalificeerde als een fiscale onkostenvergoeding voor extraterritoriale kosten (ETK).
4.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een overeengekomen arbeidsvoorwaarde, is allereerst van belang om vast te stellen wat partijen precies met elkaar hebben afgesproken. In het samenwerkingsvoorstel van 26 april 2021 van Artemis aan [eiser] staat expliciet opgenomen dat de huisvesting door Artemis zou worden betaald (‘
accommodation covered by the Company’). Vervolgens zijn partijen opnieuw met elkaar in gesprek getreden en is er een nieuwe aanbiedingsbrief aangeboden op 13 september 2021. Hoewel de afspraak over de huisvestingsvergoeding niet in deze tweede aanbiedingsbrief noch in de uiteindelijke arbeidsovereenkomst staat opgenomen, hebben partijen hier wel steeds uitvoering aan gegeven. Artemis zocht huisvesting voor [eiser], betaalde de huur aan de verhuurder en vergoedde daarnaast de nutsvoorzieningen aan [eiser] onder overlegging van facturen. Uit niets blijkt dat Artemis deze afspraak heeft gekoppeld aan fiscale regelgeving en/of voorwaarden. Daarnaast is het zo dat ook andere (niet-betwiste) arbeidsvoorwaarden uit het eerste samenwerkingsvoorstel (zoals de jaarlijkse ticketvergoeding voor vliegreizen naar Griekenland) niet zijn opgenomen in de tweede aanbiedingsbrief en/of de arbeidsovereenkomst. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat de huisvestingsvergoeding als arbeidsvoorwaarde moet worden aangemerkt.
De werknemer heeft niet met het laten vervallen van de huisvestingsvergoeding ingestemd
4.5.
Vaststaat dat de forfaitaire ETK-vergoeding via de 30%-regeling en de vergoeding van werkelijke huisvestingskosten niet netto naast elkaar mogen worden toegepast. Artemis heeft daarom per 1 januari 2025 de 30%-regeling voor alle werknemers stopgezet, zodat de netto vergoeding van de huisvestingskosten zou kunnen worden voortgezet. [eiser] heeft tegen de stopzetting van de 30%-regeling geprotesteerd. Volgens Artemis heeft [eiser] vervolgens zelf gekozen voor het behouden van de 30%-regeling en het laten vervallen van de huisvestingsvergoeding.
4.6.
De kantonrechter volgt die stelling niet. [eiser] heeft in haar e-mails weliswaar aangegeven dat zij er voor open staat om haar woonlasten zelf te betalen, maar dan wel onder de voorwaarde dat daar een structurele compensatie in de vorm van een hoger salaris tegenover staat. Ook nadat Artemis een (bruto) huisvestingsvergoeding over de maanden januari en februari 2025 had aangeboden, heeft [eiser] in haar e-mails van (onder meer) 20, 25 en 26 februari 2025 gevraagd welk bedrag zij maandelijks zou ontvangen ter vervanging van de huisvestingsvergoeding. Op basis van de tekst van deze e-mails kan niet worden vastgesteld dat [eiser] haar recht op huisvestingsvergoeding heeft prijsgegeven.
4.7.
Voor zover al sprake zou zijn geweest van een keuze voor de 30%-regeling in plaats van de huisvestingsvergoeding, geldt dat Artemis [eiser] onvoldoende over de gevolgen van haar keuze heeft geïnformeerd. Artemis heeft ter zitting meegedeeld dat zij wist dat de vergoeding van de daadwerkelijke huisvestingskosten voor [eiser] gunstiger was dan de forfaitaire tegemoetkoming van de 30%-regeling. Hoewel de COO van Artemis persoonlijk met [eiser] heeft gesproken om de fiscale situatie en de beleidswijziging toe te lichten, is niet gebleken dat hij [eiser] ook heeft gewezen op de financiële gevolgen daarvan voor haar. Het had op de weg van Artemis gelegen om (bijvoorbeeld aan de hand van een rekenvoorbeeld) aan [eiser] inzichtelijk te maken dat het toepassen van de daadwerkelijke huisvestingsvergoeding een netto hoger besteedbaar inkomen zou opleveren dan toepassing van de 30%-regeling. Artemis heeft dit nagelaten. In plaats daarvan heeft zij aan [eiser] een officiële waarschuwing opgelegd omdat zij teveel bezig zou zijn met vragen over de huisvesting en de 30%-regeling. Dit valt Artemis te verwijten. Het kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook niet worden vastgesteld dat [eiser] met het laten vervallen van de huisvestingsvergoeding als arbeidsvoorwaarde heeft ingestemd.
Eenzijdige wijziging
4.8.
De vervolgvraag is of Artemis
eenzijdigmocht besluiten de huisvestingsvergoeding niet meer toe te passen.
4.9.
In de arbeidsovereenkomst is een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW opgenomen. Een werkgever kan een beroep doen op een eenzijdig wijzigingsbeding, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou kunnen worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Het gaat bij de toepassing van artikel 7:613 BW om een belangenafweging, waarbij geldt dat een arbeidsovereenkomst alleen ten nadele van de werknemer kan worden gewijzigd indien voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de werkgever dat rechtvaardigen. Bij deze belangenafweging wordt het in het gegeven geval voor het doorvoeren van de wijziging vereiste gewicht van de belangen van de werkgever mede bepaald door het gewicht van de belangen van de werknemer die daartegenover staan. [1]
4.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat van Artemis niet gevergd kan worden om (in strijd met de fiscale regelgeving) de netto-30%-vergoeding én de netto-vergoeding van de werkelijke huisvestingskosten naast elkaar voort te zetten. Dat betekent volgens [eiser] echter niet dat de huisvestingsvergoeding kan worden geschrapt. Immers, Artemis kon en kan de huisvesting wel vergoeden door een bruto compensatie te betalen. Artemis heeft hiertegen aangevoerd dat een brutering van de huisvestingskosten zou leiden tot een forse, structurele stijging van de werkgeverslasten. Deze compensatie zou bedrijfseconomisch onhoudbaar zou zijn, zeker wanneer dit voor alle werknemers zou moeten gelden. Een consistent, niet-discriminerend beleid en het voorkomen van disproportionele brutering vormen volgens Artemis zwaarwegende bedrijfsbelangen om de arbeidsvoorwaarde van de huisvestingsvergoeding stop te zetten.
4.11.
De kantonrechter overweegt als volgt. Het vervallen van de huisvestingsvergoeding zou ertoe leiden dat [eiser] een groot deel van haar inkomen aan huisvestingskosten zou moeten besteden. Dat zou betekenen dat zij er financieel substantieel op achteruitgaat. Daar staat tegenover dat Artemis niet heeft onderbouwd en niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de hogere kosten die met brutering gemoeid gaan zódanig problematisch zijn dat deze een zwaarwegend bedrijfsbelang opleveren. Het is niet gebleken dat de continuïteit van de onderneming daardoor in gevaar zou komen. Het enkele feit dat de COO in het gesprek met [eiser] heeft aangegeven dat het bedrijf een financiële klap heeft gekregen door de naheffingen van de Belastingdienst als gevolg van de foutieve aangiften, is in dit verband onvoldoende. Ook de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden vormt op zichzelf geen zwaarwichtig belang. De voorlopige conclusie is dan ook dat de belangen van Artemis niet zodanig zwaar wegen, dat het belang van [eiser] daarvoor moet wijken. Dat betekent dat Artemis de huisvestingsvergoeding niet eenzijdig mocht stopzetten.
Geen rechtsverwerking en schending klachtplicht
4.12.
Artemis heeft verder nog aangevoerd dat sprake zou zijn van rechtsverwerking en/of schending van de klachtplicht. Volgens Artemis heeft [eiser] na februari 2025 gedurende vier à vijf maanden geen enkele klacht of vraag geuit over de beëindiging van de huisvestingskostenvergoeding. [eiser] heeft elders woonruimte gevonden en haar leven daarop ingericht zonder ook maar één signaal af te geven dat zij de wijziging niet accepteerde, aldus Artemis.
4.13.
De kantonrechter volgt deze stelling niet. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ook ná februari 2025 (op 10 maart 2025 en 23 mei 2025) expliciet om een oplossing voor de huisvestingskosten heeft verzocht. Hoewel het in de periode juli tot september stil is gebleven aan de zijde van [eiser], heeft zij daarvoor een goede verklaring gegeven. Partijen waren gedurende die periode verwikkeld in mediation, en het uitwisselen van juridische standpunten ligt daarbij niet voor de hand. Na het afbreken van de mediation heeft [eiser] begin september onverwijld schriftelijk bevestigd nog steeds aanspraak te maken op de huisvestingsvergoeding. Onder deze omstandigheden kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden geoordeeld dat sprake is van rechtsverwerking en/of schending van de klachtplicht.
Conclusie
4.14.
De conclusie is dat [eiser] recht heeft op (een structurele brutering van) de overeengekomen huisvestingsvergoeding. [eiser] maakt primair aanspraak op een bedrag van € 3.180,67 bruto per maand. Dit bedrag heeft Artemis ook in januari en februari 2025 aan haar betaald. Hoewel Artemis heeft aangevoerd dat dit bedrag niet bedoeld was als brutering van de maandelijkse huisvestingsvergoeding (maar slechts als compensatie), blijkt uit haar e-mail van 11 februari 2025 het tegenovergestelde. Daarin staat namelijk dat de loonstroken van januari en februari 2025 zowel de huisvestingsvergoeding als de 30%-regeling weergeven, met hogere kosten als gevolg van dubbele belasting. Het is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook aannemelijk dat het betaalde bedrag een brutering van de maandelijkse huisvestingskosten (€ 1.601,58 netto) betreft.
4.15.
De huurovereenkomst van de woning waarin [eiser] verbleef is per 1 maart 2025 van rechtswege geëindigd. [eiser] heeft in de periode daarna noodgedwongen bij vrienden moeten verblijven en heeft hen gecompenseerd door middel van betaling van de boodschappen en andere dagelijkse kosten. Sinds 24 september 2025 heeft zij een nieuwe huurwoning in [plaats], waarin zij samen met een huisgenoot woont. De kosten voor deze nieuwe huurwoning (€ 1.430,81 netto exclusief nutsvoorzieningen) zijn nagenoeg gelijk aan de kosten van de vorige huurwoning. Bij gebreke aan andere aanknopingspunten zal de kantonrechter voor de brutering van de huidige woonlasten daarom aansluiten bij het eerder uitgekeerde bedrag van € 3.180,67 bruto per maand. De vordering tot betaling van dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. Artemis moet van deze betalingen ook deugdelijke bruto/netto specificaties aan [eiser] verstrekken.
4.16.
De wettelijke rente over de huisvestingsvergoeding zal worden toegewezen vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid.
4.17.
Artemis is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.325,40

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Artemis tot betaling aan [eiser] van € 3.180,67 bruto per maand aan huisvestingsvergoeding vanaf 1 maart 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de betreffende betaling had moeten plaatsvinden tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt Artemis om correcte bruto/netto-specificaties van de betalingen aan [eiser] te verstrekken;
5.3.
veroordeelt Artemis in de proceskosten van € 1.325,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Artemis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Hoge Raad 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1864 (Fair Play).