ECLI:NL:RBNHO:2025:15518

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
HAA 22/1052
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en bewijsvoering aansprakelijkstelling

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiseres] B.V. en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, over een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2017. Eiseres, vertegenwoordigd door haar dga, werd in 2019 door een derde aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 1,5 miljoen, wat aanleiding gaf tot de vraag of zij een voorziening kon vormen in haar jaarrekening. De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aan haar bewijslast had voldaan, aangezien zij geen bewijs had geleverd dat zij op de relevante balansdatum (31 december 2017) een aansprakelijkstelling kon verwachten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat eiseres niet overtuigend had aangetoond dat de navorderingsaanslag onjuist was. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de inspecteur ten onrechte een boete in rekening had gebracht die al eerder was verminderd, en dat dit bedrag in mindering moest worden gebracht op het te betalen bedrag. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/1052

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. [dga] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 159.131 (de navorderingsaanslag). Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Eiseres heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 23 mei 2024 te Haarlem. Namens eiseres is [naam 1] verschenen, vergezeld van [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] , [naam 4] en mr. [naam 5] .
Verweerder heeft voorafgaand aan de tweede zitting een aangepast verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 13 november 2025 te Haarlem. Namens eiseres is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[naam 3] , [naam 6] en mr. [naam 5] .

Overwegingen

Feiten
1. De activiteiten van eiseres bestaan uit het houden van deelnemingen. Er is sprake van een fiscale eenheid voor de vpb met eiseres als moedermaatschappij en
[dochtermaatschappij 1] B.V., [dochtermaatschappij 2] B.V. en [dochtermaatschappij 3] B.V. als gevoegde dochtermaatschappijen. [dga] (directeur-grootaandeelhouder, hierna: de dga) is directeur en 100%-aandeelhouder van eiseres.
2. Middels [dochtermaatschappij 1] B.V. was de dga tot 2013 partner bij het advocatenkantoor [bedrijf 1] LLP en daarna partner bij het advocatenkantoor [bedrijf 2] N.V.
3. Op 13 maart 2019 heeft de dga via WhatsApp een bericht ontvangen van een natuurlijke persoon die de rechtbank hierna zal aanduiden als de aansprakelijksteller. In het bericht staat onder meer het volgende:
“In de periode van februari 2009 tot oktober 2014 heeft u middels gebruik van de Stichting Derdengeldenrekeningen van de advocatenkantoren waar u werkte en buitenlandse vennootschappen gebruikt om vermogen en inkomsten en uitgaven van de heer (…) tijdens zijn faillissement in die periode buiten de failliete boedel te houden.
Hierover is aangifte tegen u gedaan bij het functioneel parket van het Openbaar Ministerie wegens onder andere (gewoonte) witwassen.
Hiermee stel ik u namens mij in privé en (…) BV en diens werkmaatschappij (...) BV (aan de holding gecedeerde vordering) aansprakelijk voor de schade wegens het door uw daden niet hebben kunnen incasseren van de bij het faillissement ingediende vorderingen.
In het faillissementsverslag van de curator leest u dat u de heer (…) tijdens zijn faillissement naar de curator toe adviseerde en derhalve constateer ik dat u bekend bent met de vorderingen en dienaangaande bedragen en hoef ik u geen nadere stukken te sturen.
Één en ander wordt ook correct uitgelegd in een artikel gepubliceerd 12 juli 2018 dat in het financieel dagblad.
De totale schade bedraagt inclusief rente tot heden €1,5 miljoen en is het bedrag waarvoor ik u namens hier genoemde partijen aansprakelijk stel.”
4. Eiseres heeft voor het jaar 2017 niet binnen de gestelde termijn aangifte vpb gedaan. Verweerder heeft met dagtekening 27 juli 2019 de primitieve aanslag vpb voor het jaar 2017 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 100.000 en gelijktijdig een verzuimboete opgelegd.
5. Bij brief van 4 september 2019 heeft eiseres daartegen bezwaar gemaakt en het aangifteformulier vpb 2017 ingediend. Daarbij heeft eiseres haar negatieve resultaat berekend op € 1.347.826.
6. Met dagtekening 8 mei 2021 heeft verweerder op het bezwaar tegen de primitieve aanslag vpb beslist. In de uitspraak op bezwaar is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:
“Op grond van het bovenstaande stel ik de belastbare winst en het belastbare bedrag als volgt vast:
Aangegeven belastbare winst € 1.344.178 -/-
Correctie winst (afschrijving + andere kosten) € 1.503.309 +
Nieuw vastgestelde belastbare winst/ belastbaar bedrag € 159.131
(…)

Navordering

Zoals hierboven is weergegeven stel ik de belastbare winst en het belastbaar bedrag vast op € 159.131. Op grond hiervan leg ik een navorderingsaanslag op voor een belastbare winst en een belastbaar bedrag van € 159.131. U ontvangt de navorderingsaanslag binnen enkele weken.
(…)
Ik kom gedeeltelijk aan uw bezwaar tegemoet en matig de boete naar een passend en geboden te achten bedrag van € 500.”
7. De door verweerder aangekondigde en thans in geschil zijnde navorderingsaanslag is vastgesteld op 22 mei 2021.
8. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 28 juni 2021, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

Betreft:Pro forma beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar van 5 juni 2021 van belastingdienst Amsterdam met aanslagnummer (…). Navorderingsaanslag vennootschapsbelasting.
Edelachtbare vrouwe/heer,
Hierbij teken ik beroep aan tegen de uitspraak van de inspecteur van de belastingdienst Amsterdam . De aanslag voeg ik bij.”

Geschil9.In geschil is of de bewijslast moet worden verzwaard en of eiseres een voorziening kon vormen in verband met de aansprakelijkstelling.

Beoordeling van het geschil
10. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat het haar om de navorderingsaanslag gaat en dat zij van de rechtbank geen uitspraak wenst over de uitspraak op bezwaar inzake de primitieve aanslag en de verzuimboete. Zij heeft verder verklaard dat zij thans alleen nog bestrijdt dat zij geen voorziening kon vormen en niet meer opkomt tegen de weigering van afschrijvingskosten (gebouwen). Nu in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mogelijkheid is opgenomen van rechtstreeks beroep, zal de rechtbank het beroepschrift om redenen van proceseconomie inhoudelijk behandelen als ware het gericht tegen de navorderingsaanslag, hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Awb is voldaan. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat in het beroepschrift ook is gesproken van “navorderingsaanslag” en het beroepschrift bij de rechtbank is ingekomen binnen zes weken na de dagtekening van de navorderingsaanslag. Verder heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting heeft verklaard ermee te kunnen instemmen dat de rechtbank het beroep tegen de navorderingsaanslag inhoudelijk zou behandelen en daarop uitspraak zou doen.
11. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het inhoudelijke geschilpunt over de voorziening, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de bewijslast moet worden verzwaard.
12. Niet in geschil is dat eiseres is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte vpb voor het jaar 2017. Verder staat vast dat eiseres geen aangifte heeft gedaan. Dit betekent dat eiseres niet de vereiste aangifte in de zin van artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft gedaan. Dat brengt mee dat het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij eiseres doet blijken dat en in hoeverre de navorderingsaanslag onjuist is (vgl. artikel 27e, eerste lid, van de AWR). Anders dan eiseres veronderstelt, is hierbij niet relevant dat eiseres naar haar eigen zeggen “niet bewust onjuist heeft gehandeld”. Als omkering en verzwaring van de bewijslast het gevolg is van het feit dat geen aangifte is gedaan, hoeft er niet te worden getoetst of de belastingplichtige van een bepaalde omstandigheid wist of zich daarvan bewust moest zijn. Hierbij merkt de rechtbank op dat niet valt in te zien dat eiseres niet wist van de op haar rustende verplichting om (tijdig) aangifte te doen, gelet op de uitnodiging, de herinnering en de aanmaning alsmede de (fiscale) kennis die bij de dga aanwezig is. De stelling van eiseres dat zij door inbeslagneming door de FIOD van een deel van haar administratie niet over alle documentatie kon beschikken om aangifte te doen, leidt gelet op het voorgaande evenmin tot een ander oordeel. Overigens heeft verweerder ter zitting betwist dat de inbeslagneming mede zag op de administratie van eiseres.
13. Uit het voorgaande volgt dat eiseres de verzwaarde bewijslast heeft en dus moet doen blijken (overtuigend aantonen) dat en in hoeverre de navorderingsaanslag onjuist is en – meer in het bijzonder – dat zij een voorziening kan vormen.
14. Voor de bepaling of en zo ja, tot welk bedrag de vorming van een voorziening mogelijk is, moet worden getoetst aan de criteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in het zogenoemde baksteenarrest van 26 augustus 1998 (ECLI:NL:HR:1998:AA2555). Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet erin geslaagd overtuigend aan te tonen dat daaraan is voldaan. Dat de aansprakelijksteller de vermeende onrechtmatige daad door eiseres heeft gebaseerd op werkzaamheden van de dga voor een derde en dat die werkzaamheden in – naar eiseres stelt – 2013 en 2014 zijn verricht, acht de rechtbank niet van belang. Het gaat erom of eiseres op 31 december 2017 (de relevante balansdatum) een aansprakelijkstelling kon verwachten. Eiseres heeft daarvan geen enkel bewijs geleverd. De stukken die door eiseres zijn overgelegd en waarvan zij stelt dat deze verband houden met de aansprakelijkstelling, dateren alle van na 31 december 2017.
15. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan verweerder is. Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.
16. De rechtbank heeft overigens ambtshalve vastgesteld dat verweerder op het aanslagbiljet van de navorderingsaanslag bij de berekening van het te betalen bedrag ten onrechte het bedrag van de boete (€ 2.639), die tegelijk met de primitieve aanslag was opgelegd, in aanmerking heeft genomen. Verweerder neemt hierdoor feitelijk tweemaal de verzuimboete in aanmerking, aangezien de boete – zoals die was verminderd na bezwaar tegen de primitieve aanslag – ook is begrepen in het bedrag van € 22.639, zijnde het op
5 juni 2021 vastgestelde te betalen bedrag. Verweerder dient daarom op het bedrag dat is vermeld als het nog door eiser te betalen bedrag van € 13.983, een bedrag van € 2.639 in mindering te brengen.
Proceskosten
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mr. J. Snitker en
mr. C. Huisman, leden, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof [vestigingsplaats] (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof [vestigingsplaats] (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH [vestigingsplaats] .
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).