In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of rente op achterstallen over btw bij invoer verschuldigd is, ook als de ondernemer voor wie de goederen bestemd zijn recht heeft op aftrek van die btw. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een uitnodiging tot betaling (utb) van de Inspecteur van de Douane, waarin rente op achterstallen was opgenomen. Na afwijzing van het bezwaar stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van rente op achterstallen en de relevantie van het aftrekrecht van de ondernemer. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 22, eerste lid, van de Wet OB in samenhang met artikel 114, tweede lid, van het Douanewetboek van de Unie (DWU) een rechtsgrond biedt voor het heffen van rente op achterstallen over btw bij invoer, ongeacht het aftrekrecht van de ondernemer.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke beslistermijn niet was overschreden en dat het interne beleid van de Belastingdienst/Douane om rente op achterstallen in rekening te brengen rechtsgeldig is. De stelling van eiseres dat de Hoge Raad het Unierecht zou hebben geschonden werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de rentebeschikking gehandhaafd.