Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
40K en een Roley toch?). [medeverdachte 3] antwoordt bevestigend. [medeverdachte 1] overlegt daarna met [medeverdachte 2] over de plek (station Halfweg Zwanenburg) waar hij en [de verdachte] zullen worden opgehaald. Om 01.09 uur laat [medeverdachte 2] weten dat ‘zijn man’ daar staat.
De rechtbank overweegt het volgende.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
6.Motivering van de sanctie
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 13 januari 2025 van [reclasseringswerker] , als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland. De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen en het toezicht door de volwassenenreclassering (adolescenten-aanpak) te laten uitvoeren. De reclassering ziet meerdere indicaties voor de toepassing van het jeugdstrafrecht; de verdachte komt impulsief en beïnvloedbaar over, mede doordat hij een grote behoefte heeft om aansluiting te vinden. Daarbij toont hij onvoldoende inzicht in de gevolgen van zijn handelen. De reclassering ziet voldoende mogelijkheden voor een pedagogische aanpak. De verdachte is thuiswonend en is ontvankelijk voor de beïnvloeding door zijn ouders. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt een contactverbod met de medeverdachten niet meer nodig, daar zij geen aanwijzingen heeft dat er nog risico’s zijn op dat gebied. De reclassering ziet contra-indicaties voor het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie die langer is dan de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, nu de verdachte in dat geval zijn onderneming kan verliezen en de ingezette behandeling bij De Waag zou worden onderbroken.
7.Vrijheidsbeperkende maatregelen
8.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
VIJFTIEN MAANDEN.
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.
€ 21.729,94, bestaande uit € 13.729,94 als vergoeding voor de materiële en € 8.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over:
- € 20.978,94 vanaf 16 juni 2023; en
- € 751,00 vanaf 3 juli 2023;
€ 7.000,00, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.