In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland op 4 maart 2025 uitspraak gedaan over een beroep tegen een verkeersboete die verhoogd is met 10% per 1 maart 2024. Betrokkene stelde dat deze algemene verhoging in strijd is met de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en het beginsel van evenredigheid, en verzocht om verlaging van de boete naar het oude tarief.
De kantonrechter overwoog dat de verhoging van de boetes via een algemene maatregel van bestuur is vastgesteld binnen de wettelijke kaders van de Wahv, met een maximum van € 515,00. Politieke en bestuurlijke kritiek op de verhoging, zoals rapporten en moties, tast de rechtsgeldigheid van het besluit niet aan. Ook financiële motieven voor de verhoging zijn niet strijdig met het doel van de Wahv.
Verder werd geoordeeld dat het beginsel van evenredigheid niet in algemene zin een grond is om de verhoging te matigen, maar dat individuele toetsing aan dit beginsel mogelijk is. In deze zaak zijn echter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die matiging rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.