ECLI:NL:RBNHO:2025:3635

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 maart 2025
Publicatiedatum
2 april 2025
Zaaknummer
AWB - 24 _ 795
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetbelasting en verzuimboeten bij niet indienen aangiften via eHerkenning

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 27 maart 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V., en de inspecteur van de Belastingdienst. Eiseres kreeg naheffingsaanslagen en verzuimboeten opgelegd omdat zij geen aangifte omzetbelasting wilde doen via eHerkenning. De rechtbank oordeelt dat de verplichting om eHerkenning te gebruiken niet onrechtmatig is en dat de kosten daarvan niet onevenredig hoog zijn. De rechtbank stelt vast dat eiseres als ondernemer verplicht is om per kwartaal aangifte te doen voor de omzetbelasting. Eiseres had geen aangiften ingediend voor de tijdvakken van het derde kwartaal 2022 tot en met het vierde kwartaal 2023, wat leidde tot de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen. Eiseres betoogde dat de behandeling van rechtspersonen en natuurlijke personen ongelijk is, omdat natuurlijke personen gebruik kunnen maken van DigiD, terwijl rechtspersonen verplicht zijn eHerkenning te gebruiken. De rechtbank volgt eiseres hierin niet en verwijst naar een arrest van de Hoge Raad dat bevestigt dat de kosten voor eHerkenning gerechtvaardigd zijn. De rechtbank verklaart de beroepen van eiseres niet-ontvankelijk voor een deel en ongegrond voor de overige verzuimboetes. De rechtbank concludeert dat de opgelegde verzuimboetes terecht zijn en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenvergoeding.

Uitspraak

Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/795 tot en met HAA 24/799 en HAA 24/2314

proces-verbaal van de mondelinge uitspraken van de enkelvoudige kamer van27 maart 2025 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 5 januari 2024, 16 februari 2024 en 26 april 2024 tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting voor de tijdvakken derde kwartaal 2022 tot en met vierde kwartaal 2023 (de naheffingsaanslagen) en de boetebeschikkingen die daarbij zijn opgelegd wegens niet betalen van de verschuldigde omzetbelasting (betaalverzuimboetes) en wegens het niet doen van aangifte (de aangifteverzuimboetes).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2025.
Namens eiseres is haar directeur [naam 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voor zover ze zijn gericht tegen de naheffingsaanslagen;
 verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voor zover ze zijn gericht tegen de betaalverzuimboete voor het tijdvak derde kwartaal 2022 en tegen de aangifteverzuimboetes voor de tijdvakken derde kwartaal 2022 en tweede kwartaal 2023;
 verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de overige verzuimboetes ongegrond.

Overwegingen

1. Eiseres is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) en moet per kwartaal aangifte voor de omzetbelasting doen.
2. Per brief van 22 december 2021 is eiseres erop gewezen dat met ingang van
1 januari 2021 nog uitsluitend aangifte omzetbelasting kan worden gedaan via Mijn Belastingdienst Zakelijk (MBD-Z), via administratiesoftware dan wel via een fiscaal dienstverlener. Verweerder heeft eiseres alsnog gelegenheid gegeven de aangiften omzetbelasting voor het eerste en tweede kwartaal van 2022 in te dienen via het oude portaal.
3. Eiseres heeft geen aangiften ingediend voor de tijdvakken derde kwartaal 2022 tot en met vierde kwartaal 2023. Verweerder heeft daarom de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen opgelegd.
4. Volgens eiseres zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen onrechtmatig opgelegd omdat sprake is van rechtsongelijkheid. Natuurlijke personen kunnen voor het doen van aangiften omzetbelasting via MBD-Z gebruik maken van hun DigiD, terwijl van rechtspersonen zoals eiseres wordt geëist dit te doen met gebruikmaking van eHerkenning waarvoor kosten moeten worden gemaakt.
5. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 2 december 2022 [1] heeft geoordeeld, vormt artikel 3a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een wettelijke basis voor de Regeling elektronisch berichtenverkeer belastingdienst (de Regeling). Verder heeft de Hoge Raad in dat arrest geoordeeld dat aan het gebruik van eHerkenning kosten voor de belastingplichtige mogen zijn verbonden, mits die niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de Regeling te dienen doelen. Dat dit arrest is gewezen voor de loonbelasting, maakt niet dat dit voor de omzetbelasting niet relevant is. Dat gebruik moet worden gemaakt van eHerkenning volgt ook voor de omzetbelasting immers uit de bijlage bij de Regeling. De reden voor de eis van eHerkenning kan worden gevonden in het Europeesrechtelijk vereiste beveiligingsniveau op grond waarvan moet kunnen worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die namens de rechtspersoon optreedt. Dat probleem doet zich niet voor bij de natuurlijke persoon die gebruik maakt van zijn DigiD, omdat die natuurlijke persoon samenvalt met de onderneming en daarmee per definitie bevoegd is op te treden namens die onderneming.
6. De kosten voor eHerkenning bedroegen in 2022 en 2023 volgens verweerder tussen de € 25 en € 35. Gesteld noch gebleken is dat die bedragen onevenredig zijn in verhouding tot de gerechtvaardigde veiligheidsdoelen die met de Regeling worden nagestreefd. De rechtbank merkt daarbij op dat er een compensatieregeling was waarbij een deel van de kosten kon worden vergoed. Dat natuurlijke personen en rechtspersonen verschillend worden behandeld in die zin dat rechtspersonen geen gebruik kunnen maken van een DigiD, maakt niet dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden reeds omdat een rechtspersoon, anders dan een natuurlijke persoon, geen DigiD heeft. Inloggen met de DigiD van bijvoorbeeld de directeur van de rechtspersoon, zoals eiseres bepleit, is onvoldoende om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van die persoon vast te stellen. Dat de Belastingdienst wellicht ook voor andere methoden had kunnen kiezen, maakt niet dat de keuze voor eHerkenning onrechtmatig is. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar stelling dat de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen onrechtmatig zijn opgelegd en daarom moeten worden vernietigd.
7. Bij de uitspraken op bezwaar heeft verweerder voor het derde kwartaal 2022 beide boetebeschikkingen vernietigd en voor het tweede kwartaal 2023 de aangifteverzuimboete vernietigd. Eiseres heeft daarom geen processueel belang bij de beroepen voor zover deze zijn gericht tegen die boetebeschikkingen. De beroepen zijn daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.
8. Bij ambtshalve beslissingen van 12 juli 2024, 26 juli 2024 en 6 september 2024 heeft verweerder de nageheven belasting verlaagd overeenkomstig de opgave van eiseres en de betaalverzuimboetes verlaagd naar € 50 per naheffingsaanslag. Gezien die ambtshalve verminderingen heeft eiseres niet langer een processueel belang bij de beroepen tegen de naheffingsaanslagen. De beroepen zijn daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.
9. Voor de resterende boetebeschikkingen overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat eiseres over de onderhavige tijdvakken geen aangiften heeft ingediend en de over die tijdvakken verschuldigde omzetbelasting niet, althans niet tijdig, heeft voldaan. De beboetbare feiten hebben zich dus voorgedaan en de aangifteverzuimboetes en de betaalverzuimboetes zijn daarom terecht opgelegd. Dat sprake is van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt op grond waarvan de verzuimboetes zouden moeten worden vernietigd, is gesteld noch gebleken. Eiseres wist dat zij aangifte moest doen en zij heeft dat ook kunnen doen. Het enkele gegeven dat daaraan kosten zijn verbonden betekent niet dat het onmogelijk is om aangifte te doen. De beboetbare feiten (geen aangifte doen en niet de verschuldigde belasting betalen) hebben zich voor ieder aangiftetijdvak steeds opnieuw voorgedaan zodat verweerder bij elke naheffingsaanslag de verzuimboetes heeft kunnen en mogen opleggen. Gesteld noch gebleken is dat de verzuimboetes zijn opgelegd in strijd met het bepaalde in de artikelen 67b en 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. De rechtbank acht de opgelegde verzuimboetes ook passend en geboden. De beroepen zijn daarom in zoverre ongegrond verklaard.
10. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding. Weliswaar zijn de naheffingsaanslagen na indiening van het beroepschrift verminderd, maar eiseres heeft de daarvoor benodigde informatie pas verstrekt ruim na indiening van het beroepschrift. Het is dan ook aan haar te wijten dat die verminderingen niet reeds bij de uitspraken op bezwaar hebben plaatsgevonden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2025.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de datum van verzending;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
e redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).