ECLI:NL:RBNHO:2025:4849

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
AWB 25/1819
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt tijdige beslissing en legt dwangsom op bij overschrijding beslistermijn kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag door de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft niet tijdig beslist op dit bezwaar, waardoor eiseres een ingebrekestelling heeft gestuurd en vervolgens beroep heeft ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op het bezwaar is verstreken en dat verweerder daarmee in gebreke is gebleven. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn alsnog een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een bestuurlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor iedere dag dat de termijn wordt overschreden.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van de proceskosten van eiseres en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en draagt verweerder op binnen 60 weken alsnog een besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Salim),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift van 11 september 2024 gericht tegen de beslissing van verweerder van 30 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHO inzake de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft op 3 april 2025 een verweerschrift en de daarbij behorende stukken ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van
artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn in bezwaar is verstreken en dat de beslistermijn dus is overschreden. Bij brief van 6 maart 2025, door verweerder ontvangen op 7 maart 2025, is verweerder in gebreke gesteld. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 26 maart 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschrift. Omdat tot op heden nog geen beslissing is genomen heeft verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurd ter grootte van het wettelijke maximum van € 1.442. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaarschrift van eiseres.
4. Gelet op het voorgaande is sprake van overschrijding van de beslistermijn. Het beroep is daarom (kennelijk) gegrond.
5. Aangezien het beroep gegrond is en er nog steeds geen besluit is bekendgemaakt, moet de rechtbank het bestuursorgaan opdragen om in principe binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d van de Awb). In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301 r.o. 14 en 15) heeft de beslistermijn voor zaken als de onderhavige bepaald op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken. Indien deze beslistermijn van 60 weken na de wettelijke beslistermijn op bezwaar al verstreken is op het moment van doen van uitspraak op het beroep door de rechtbank geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop uitspraak op het beroep wordt gedaan. Het bezwaar is ingediend op 11 september 2024. De wettelijke beslistermijn is, gelet op artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Awb verstreken op 3 januari 2025. Dit betekent dat verweerder binnen 60 weken na 3 januari 2025 alsnog een beslissing moet nemen op het bezwaar van eiseres.
7. In dezelfde hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 maart 2025 van de Raad van State is bepaald dat er geen reden is om in zaken als de onderhavige af te wijken van het landelijk vastgelegde uitgangspunt met betrekking tot de hoogte van de dwangsom.
8. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij voor de beroepsmatig verleende bijstand heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht toegekend voor een bedrag van € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 bij een wegingsfactor 0,5 voor het lichte gewicht van deze zaak, omdat het geschil beperkt is tot formele aspecten van niet tijdig beslissen en de dwangsom).
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 53 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een bestuurlijke dwangsom moet betalen van € 1.442;
  • draagt verweerder op binnen 60 weken na 3 januari 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van Z.G. Ramsaroep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.