Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op een bezwaar ingediend op 13 september 2023. Na eerdere uitspraak van de rechtbank op 23 augustus 2024, waarin verweerder werd opgedragen binnen zes weken te beslissen en een dwangsom werd opgelegd, heeft verweerder nog steeds niet beslist. Eiser diende daarop op 29 maart 2025 een herhaald beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de maximale dwangsom uit de eerdere uitspraak was bereikt en dat de beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn inmiddels is verstreken. Op grond daarvan is het beroep gegrond en wordt verweerder opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.
De rechtbank legt een dwangsom van €250 per dag op, met een maximum van €37.500, als sterke prikkel om verdere vertraging te voorkomen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€453,50) en het betaalde griffierecht (€53).