ECLI:NL:RBNHO:2025:5190

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
13 mei 2025
Zaaknummer
25/1868
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens overschrijding beslistermijn kinderopvangtoeslag bezwaar

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een beslissing van de Dienst Toeslagen over de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Verweerder heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op dit bezwaar beslist, waarop eiseres een ingebrekestelling stuurde en vervolgens beroep instelde.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen 60 weken na 3 oktober 2024 alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor verdere overschrijding.

Daarnaast krijgt eiseres vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De rechtbank volgt hierbij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen 60 weken alsnog een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1868

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.F.M. Deijkers),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift van 30 mei 2024 gericht tegen de beslissing van verweerder van 18 april 2024 met kenmerk UHT-DCHO inzake de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft op 22 april 2025 een verweerschrift en de daarbij behorende stukken ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van
artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn in bezwaar is verstreken en dat de beslistermijn dus is overschreden. Bij brief van 29 januari 2025 is verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft de ingebrekestelling op 30 januari 2025 ontvangen. Eiseres heeft meer dan twee weken daarna, te weten bij brief van 1 april 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaarschrift. Bij besluit van 28 maart 2025 heeft verweerder aan eiseres de maximale dwangsom van € 1.442 toegekend. Tot op heden heeft verweerder niet beslist op het bezwaarschrift van eiseres.
4. Gelet op het voorgaande is sprake van overschrijding van de beslistermijn. Het beroep is daarom (kennelijk) gegrond.
5. Aangezien het beroep gegrond is en er nog steeds geen besluit is bekendgemaakt, moet de rechtbank het bestuursorgaan opdragen om in principe binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d van de Awb). In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
6. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301 r.o. 14 en 15) heeft de beslistermijn voor zaken als de onderhavige bepaald op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken. Indien deze beslistermijn van 60 weken na de wettelijke beslistermijn op bezwaar al verstreken is op het moment van doen van uitspraak op het beroep door de rechtbank geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop uitspraak op het beroep wordt gedaan. De wettelijke beslistermijn is, gelet op artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Awb verstreken op 3 oktober 2024. Dit betekent dat verweerder binnen 60 weken na 3 oktober 2024 alsnog een beslissing moet nemen op het bezwaar van eiseres.
7. In dezelfde hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 maart 2025 van de Raad van State is bepaald dat er geen reden is om in zaken als de onderhavige af te wijken van het landelijk vastgelegde uitgangspunt met betrekking tot de hoogte van de dwangsom.
8. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die hij voor de beroepsmatig verleende bijstand heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht toegekend voor een bedrag van € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 bij een wegingsfactor 0,5 voor het lichte gewicht van deze zaak, omdat het geschil beperkt is tot formele aspecten van niet tijdig beslissen en de dwangsom).
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 53 vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen 60 weken na 3 oktober 2024 alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van
S. Spaan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.