Uit de facturen behorend bij de aangiften 2 en 3 blijkt dat deze aangiften ook betrekking hebben op producten die niet van Canadese oorsprong zijn. Voor deze aangiften is reeds daarom niet voldaan aan de in artikel 18, eerste lid, van het CETA-Protocol gestelde voorwaarden.
Wat betreft de aangiften 1 en 2 is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 21, eerste lid, letter a, van het CETA-Protocol, omdat daarvoor in het geheel geen verklaringen over oorsprong zijn overgelegd.
Voor de aangiften 3 tot en met 8 stelt verweerder dat de losse bladen met de tekst van een oorsprongsverklaring niet voldoen aan de eisen van artikel 18, tweede lid, van het CETA-Protocol. Uit die bepaling vloeit namelijk voort dat een oorsprongsverklaring op de factuur moet staan of op een ander handelsdocument waarop het product van oorsprong voldoende duidelijk is omschreven. Op de losse bladen worden de producten niet vermeld en zijn ook verder geen commerciële gegevens zichtbaar. Afzonderlijk kunnen die losse bladen met een tekst van een oorsprongsverklaring dan ook niet worden aangemerkt als een handelsdocument. Verweerder stelt op basis van de losse bladen ook niet te kunnen vaststellen of de tekst van de oorsprongsverklaringen door de Canadese exporteur werd opgesteld. Kort na de beslissing op bezwaar is op de website van de Europese Commissie een nieuwe versie gepubliceerd van de richtsnoeren inzake oorsprongsregels in het kader van preferentiële handel (REV.7 richtsnoeren). Daaruit kan worden opgemaakt dat een oorsprongsverklaring kan worden opgesteld op een los blad indien daarop wordt verwezen naar de factuur dan wel op de factuur naar die bijlage wordt verwezen. Op het losse blad bij aangifte 3 staat geen verwijzing naar de factuur en op de factuur staat geen verwijzing naar het losse blad. Ook op de overige facturen wordt niet verwezen naar een bijlage. De handgeschreven verwijzingen naar de factuurnummers op de bijlagen acht verweerder niet toereikend omdat niet vaststaat dat die door de exporteur zijn aangebracht. Zij kunnen door ieder willekeurig persoon op een later moment zijn toegevoegd, zelfs na invoer in de EU. Ook verschillen de handtekeningen op de verklaringen, terwijl alle verklaringen zouden zijn opgesteld door één en dezelfde persoon. De REV.7 richtsnoeren geven verweerder geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen.
Op de correctiefacturen wordt weliswaar wel verwezen naar afzonderlijke oorsprongsverklaringen, maar de factuurprijzen op de correctiefacturen verschillen van die op de oorspronkelijk overgelegde handelsfacturen en er staan deels ook andere goederen op. Met die correctiefacturen is volgens verweerder daarom nog steeds niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het preferentieel tarief.
Verweerder stelt dat hij terecht de verlengde verjaringstermijn heeft toegepast, omdat in de aangiften ten onrechte aanspraak is gemaakt op preferentiële tariefbehandeling, waardoor eiser onjuiste aangiften heeft gedaan. Het doen van een onjuiste aangifte is een handeling die strafrechtelijk vervolgbaar is (artikel 10:5, lid 1, onderdeel a, van de Adw), ook indien geen sprake is van opzet of verwijtbaarheid. De stelling van eiser dat de toepassing van artikel 103, eerste lid, van het DWU in alle gevallen door de Nederlandse wetgever wordt uitgesloten, is onjuist. De driejaarstermijn wordt immers niet verlengd als sprake is van een juiste en volledige douaneaangifte.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.