Eiseres heeft op 22 februari 2024 een aanvraag ingediend voor de integrale herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft de beslistermijn op 18 juli 2024 met zes maanden verlengd, waardoor uiterlijk op 22 februari 2025 een besluit genomen had moeten zijn. Dit is niet gebeurd. Eiseres stelde verweerder op 26 februari 2025 in gebreke en diende op 25 april 2025 beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder nog steeds niet heeft beslist. De rechtbank draagt verweerder op binnen twaalf weken na 8 mei 2025 een vooraankondiging te verzenden en binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze of het verstrijken van zes weken een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd.
Daarnaast krijgt eiseres een vergoeding van €453,50 voor proceskosten en wordt het betaalde griffierecht van €53 aan haar vergoed. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de landelijk vastgestelde uitgangspunten voor de dwangsom en benadrukt dat eiseres door het indienen van een zienswijze invloed kan uitoefenen op de termijnverkorting.