AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Geheimhoudingskamer bevestigt gerechtvaardigde geheimhouding van persoonsgegevens in belastingzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Belastingdienst (verweerder) gevraagd om geheimhouding van bepaalde passages in stukken die aan eiser zijn overgelegd in een geschil over motorrijtuigenbelasting. Deze passages bevatten persoonsgegevens van derden, zoals namen en fiscale nummers van een eerdere kentekenhouder en een niet-betrokken persoon.
De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 8:29 AwbPro geheimhouding mogelijk is indien gewichtige redenen dit rechtvaardigen. De belangenafweging wees uit dat het privacybelang en de bescherming van persoonsgegevens, mede onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zwaarder wegen dan het belang van eiser bij volledige openbaarmaking. Bovendien wordt eiser door de geheimhouding niet wezenlijk in zijn procesvoering beperkt.
De rechtbank heeft daarom de geheimhoudingskamer ingeschakeld en uiteindelijk beslist dat de gevraagde geheimhouding gerechtvaardigd is. Tegen deze beslissing kan alleen in hoger beroep worden gegaan samen met het hoger beroep tegen de hoofdzaak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de gevraagde geheimhouding van persoonsgegevens gerechtvaardigd vanwege privacybescherming en AVG.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht (geheimhoudingskamer)
zaaknummer: HAA 24/381
beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 21 augustus 2023 aan eiser een rekening motorrijtuigenbelasting (de rekening) gezonden.
Eiser heeft tegen de rekening bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2023 het bezwaar tegen de rekening niet-ontvankelijk verklaard.
Op 21 november 2023 heeft eiser daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 26 augustus 2024 een verweerschrift ingediend met bijlagen. In de bijlagen 1.1 en 6.2 heeft verweerder passages onleesbaar gemaakt, zonder daarbij een beroep te doen op artikel 8:29 vanPro de Awb.
De rechtbank heeft verweerder op 9 januari 2025 verzocht mee te delen of hij heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 8:29 vanPro de Awb en, zo ja, daarvoor een motivering in te dienen en de desbetreffende stukken, zonder dat daarin gegevens onleesbaar zijn gemaakt in een gesloten envelop aan de rechtbank te sturen. In reactie hierop heeft verweerder op 22 januari 2025 meegedeeld dat de onleesbaar gemaakte passages zien op gegevens van een andere belastingplichtige en dat die gegevens geen stukken van het geding zijn als bedoeld in artikel 8:42 vanPro de Awb. Hij heeft de stukken daarom niet in ongelakte vorm bijgevoegd (de ongelakte stukken) en niet bedoeld een beroep te doen op artikel 8:29 vanPro de Awb.
De rechtbank heeft verweerder op 13 maart 2025 meegedeeld het weglakken van passages in gedingstukken op te vatten als een artikel 8:29-verzoek en de reactie van verweerder van 22 januari 2025 op te vatten als een weigering om de ongelakte stukken te overleggen. Verweerder heeft daarbij nogmaals de gelegenheid gekregen de ongelakte stukken alsnog aan de rechtbank te zenden. In zijn reactie van 26 maart 2025 heeft verweerder herhaald dat volgens hem geen sprake is van 8:42-gegevens en van mening te zijn dat hij de ongelakte stukken niet behoeft over te leggen.
Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 3 april 2009 [1] en 4 mei 2018 [2] , heeft de rechtbank verweerder een laatste gelegenheid gegeven de ongelakte stukken te overleggen aan de rechtbank.
Op 22 april 2025 heeft verweerder alsnog de ongelakte bijlagen 1.1 en 6.2 aan de rechtbank gezonden en herhaald dat de reden voor het onleesbaar maken van passages is gelegen in de privacybescherming van derden.
De rechtbank heeft voor de beoordeling van het 8:29-verzoek de zaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van de rechtbank.
Eiser heeft zich op 31 januari 2025 uitgelaten over het 8:29-verzoek. De rechtbank heeft daaruit afgeleid dat eiser bezwaar heeft tegen het feit dat passages in de stukken onleesbaar zijn gemaakt.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken door verweerder aan de rechtbank en aan de wederpartij ter beschikking moeten worden gesteld.
2. Het bepaalde in artikel 8:29 vanPro de Awb biedt de mogelijkheid (delen van) een op de zaak betrekking hebbend stuk voor belanghebbende geheim te houden indien daartoe gewichtige redenen bestaan. Slechts indien de door verweerder voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
3. De geheimhoudingskamer stelt vast dat verweerder in de producties 1.1 en 6.2 namen en fiscaal nummers heeft weggelakt van derden. Het betreft in 1.1 de gegevens van een eerdere kentekenhouder. In bijlage 6.2 gaat het om gegevens in een voorbeeldbrief die is geadresseerd aan een persoon die verder niet betrokken is bij deze zaak.
4. Gelet op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is de geheimhoudingskamer van oordeel dat dit belang aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van eiser bij openbaarmaking. Daarbij heeft de geheimhoudingskamer meegewogen dat eiser, gelet op de aard van het geschil, doordat hij van de betreffende delen geen kennis neemt, niet wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd.
5. De geheimhoudingskamer zal beslissen dat de gevraagde geheimhouding gerechtvaardigd is.
Beslissing
De geheimhoudingskamer bepaalt dat de door verweerder gevraagde geheimhouding gerechtvaardigd is.
Deze beslissing is genomen op 9 mei 2025 door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenbeslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.