Verweerder legde op 17 mei 2024 een naheffingsaanslag/boetebeschikking motorrijtuigenbelasting op aan eiser. Eiser maakte bezwaar, dat bij uitspraak op bezwaar op 2 september 2024 ongegrond werd verklaard. Eiser stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank. Tijdens de procedure maakte verweerder in een bijlage passages onleesbaar zonder aanvankelijk een beroep op artikel 8:29 AwbPro te doen. De rechtbank verzocht verweerder dit te motiveren, waarop verweerder aangaf dat het ging om gegevens van een andere belastingplichtige die geen onderdeel van het geding zijn. De rechtbank interpreteerde het onleesbaar maken als een verzoek tot geheimhouding en gaf verweerder meerdere kansen om de ongelakte stukken te overleggen, wat uiteindelijk op 24 april 2025 gebeurde.
De geheimhoudingskamer stelde vast dat de weggelakte passages betrekking hadden op een eerdere kentekenhouder en dat het belang van privacybescherming en de AVG zwaarder woog dan het belang van eiser bij openbaarmaking. Tevens werd geoordeeld dat eiser door het ontbreken van deze gegevens niet wezenlijk in zijn procesvoering werd belemmerd.
De geheimhoudingskamer besloot daarom dat de gevraagde geheimhouding gerechtvaardigd is en wees het verzoek toe. Tegen deze beslissing kan alleen in hoger beroep worden gegaan tegelijk met het hoger beroep tegen de hoofdzaak.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de gevraagde geheimhouding van gegevens van een andere belastingplichtige gerechtvaardigd is.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht (geheimhoudingskamer)
zaaknummer: HAA 24/6701
beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 mei 2024 aan eiser een naheffingsaanslag/boetebeschikking motorrijtuigenbelasting opgelegd met aanslagvolgnummer Y.4.95001 (de naheffingsaanslag/boetebeschikking).
Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag/boetebeschikking motorrijtuigenbelasting bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 september 2024 het bezwaar tegen de naheffingsaanslag/boetebeschikking motorrijtuigenbelasting ongegrond verklaard.
Bij brief van 6 oktober 2024, ontvangen door de rechtbank op 14 oktober 2024, heeft eiser daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 4 november 2024 een verweerschrift ingediend met bijlagen. In bijlage 1.2 heeft verweerder passages onleesbaar gemaakt, zonder daarbij een beroep te doen op artikel 8:29 vanPro de Awb.
De rechtbank heeft verweerder op 12 februari 2025 verzocht mee te delen of hij heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 8:29 vanPro de Awb en, zo ja, daarvoor een motivering in te dienen en de desbetreffende stukken, zonder dat daarin gegevens onleesbaar zijn gemaakt in een gesloten envelop aan de rechtbank te sturen. In reactie hierop heeft verweerder op 24 februari 2025 meegedeeld dat de onleesbaar gemaakte passages zien op gegevens van een andere belastingplichtige en dat die gegevens geen stukken van het geding zijn als bedoeld in artikel 8:42 vanPro de Awb. Hij heeft de stukken daarom niet in ongelakte vorm bijgevoegd (de ongelakte stukken) en niet bedoeld een beroep te doen op artikel 8:29 vanPro de Awb.
De rechtbank heeft verweerder op 13 maart 2025 meegedeeld het weglakken van passages in gedingstukken op te vatten als een artikel 8:29-verzoek en de reactie van verweerder van 24 februari 2025 op te vatten als een weigering om de ongelakte stukken te overleggen. Verweerder heeft daarbij nogmaals de gelegenheid gekregen de ongelakte stukken alsnog aan de rechtbank te zenden. In zijn reactie van 25 maart 2025 heeft verweerder herhaald dat volgens hem geen sprake is van 8:42-gegevens en van mening te zijn dat hij de ongelakte stukken niet behoeft over te leggen. Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 3 april 2009 [1] en 4 mei 2018 [2] , heeft de rechtbank verweerder op 9 april 2024 een laatste gelegenheid gegeven de ongelakte stukken te overleggen aan de rechtbank.
Op 24 april 2025 heeft verweerder alsnog de ongelakte bijlage 1.2 aan de rechtbank gezonden en herhaald dat de reden voor het onleesbaar maken van passages is gelegen in de privacybescherming van derden.
De rechtbank heeft voor de beoordeling van het 8:29-verzoek de zaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van de rechtbank.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken door verweerder aan de rechtbank en aan de wederpartij ter beschikking moeten worden gesteld.
2. Het bepaalde in artikel 8:29 vanPro de Awb biedt de mogelijkheid (delen van) een op de zaak betrekking hebbend stuk voor belanghebbende geheim te houden indien daartoe gewichtige redenen bestaan. Slechts indien de door verweerder voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang bij onbeperkte kennisneming van de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
3. De geheimhoudingskamer stelt vast dat verweerder in productie 1.2 gegevens heeft weggelakt die horen bij een andere belastingplichtige, namelijk van een eerdere kentekenhouder.
4. Gelet op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is de geheimhoudingskamer van oordeel dat dit belang aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van eiser bij openbaarmaking. Daarbij heeft de geheimhoudingskamer meegewogen dat eiser, gelet op de aard van het geschil, doordat hij van de betreffende delen geen kennis neemt, niet wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd.
5. De geheimhoudingskamer zal beslissen dat de gevraagde geheimhouding gerechtvaardigd is.
Beslissing
De geheimhoudingskamer bepaalt dat de door verweerder gevraagde geheimhouding gerechtvaardigd is.
Deze beslissing is genomen op 8 mei 2025 door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van R.D. Brasser, griffier.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenbeslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.