ECLI:NL:RBNHO:2025:6
Rechtbank Noord-Holland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Voortzetting huurovereenkomst door zoon na overlijden moeder bij duurzame gemeenschappelijke huishouding
Deze civiele zaak betreft de voortzetting van een huurovereenkomst door de zoon van een overleden huurster. De zoon stond sinds 2002 ingeschreven op het adres en voerde met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Na het overlijden van de moeder op 25 december 2023 verzocht hij om voortzetting van de huur, wat door de verhuurder Pré Wonen werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een duurzame huishouding en het ontbreken van een huisvestingsvergunning.
De kantonrechter stelde vast dat de zoon zijn hoofdverblijf in de woning had en dat hij en zijn moeder een duurzame en wederkerige gemeenschappelijke huishouding voerden, ondersteund door verklaringen van zussen en bewijs van financiële bijdragen en huishoudelijke taken. De verhuurder kon niet aantonen dat de zoon onvoldoende financiële waarborg bood. Hoewel de verhuurder zich beriep op het ontbreken van een huisvestingsvergunning, werd dit verweer verworpen omdat de verhuurder zelf de aanvraag behandelde en nog geen beslissing had genomen.
De kantonrechter wees de vordering van de zoon tot voortzetting van de huurovereenkomst toe en veroordeelde de verhuurder in de proceskosten. De vordering van de verhuurder tot ontruiming werd afgewezen. De vordering tot medewerking aan het verkrijgen van een huisvestingsvergunning werd afgewezen omdat dit een bestuursrechtelijke kwestie betreft.
Uitkomst: De zoon mag de huurovereenkomst voortzetten vanwege een duurzame gemeenschappelijke huishouding en het ontbreken van een huisvestingsvergunning vormt geen afwijzingsgrond.