AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging last onder dwangsom wegens overtreding artikel 2:74 APV Zaanstad met verhoogd dwangsombedrag
De zaak betreft een last onder dwangsom die aan eiser is opgelegd wegens overtreding van artikel 2:74 vanPro de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad 2013, gericht op het verbod van het kennelijke doel softdrugs te verhandelen op openbare plaatsen. Eiser werd op 14 april 2023 aangehouden en op basis van een bestuurlijke rapportage van 17 april 2023 stelde de burgemeester vast dat eiser de APV had overtreden.
Eiser voerde aan dat de bestuurlijke rapportage onvoldoende aanknopingspunten bood om te concluderen dat hij drugs verhandelde en dat het standaardbedrag van €2.500 voor de dwangsom voldoende was. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was de last op te leggen en dat uit de rapportage, waaronder de vondst van 68,85 gram hennep, contant geld en een post-it met verwijzingen naar softdrugs, voldoende blijkt dat het kennelijke doel van eiser was softdrugs te verhandelen.
De rechtbank stelt vast dat de burgemeester terecht heeft afgeweken van het standaardbedrag van €2.500 en een verhoogde dwangsom van €5.000 heeft opgelegd, gelet op de omvang van de aantoonbare drugshandel en de hoeveelheid contant geld. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, waardoor de last onder dwangsom in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en de dwangsom van €5.000 per overtreding blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/819
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg),
en
de burgemeester van de gemeente Zaanstad, de burgemeester
(gemachtigde: mr. Y. Kliphuis).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die aan eiser is opgelegd in verband met een overtreding van de Algemene plaatselijke verordening Zaanstad 2013 (APV). Eiser is het niet eens met deze beslissing. Volgens eiser heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd dat hij in strijd heeft gehandeld met de APV. Verder voert eiser aan dat de burgemeester ook had kunnen volstaan met een waarschuwing en dat de burgemeester niet heeft gemotiveerd waarom voor de hoogte van de dwangsom is afgeweken van het standaardbedrag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd dat eiser het kennelijke doel had om softdrugs te verhandelen en dat in dit geval het standaardbedrag van € 2.500,- onvoldoende afschrikkende werking heeft .Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is op 14 april 2023 aangehouden door de politie.
2.1.
Op 17 april 2023 heeft de burgemeester van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen. In de bestuurlijke rapportage is geconcludeerd dat eiser artikel 2:74 vanPro de APV heeft overtreden. Verder wordt de burgemeester in de rapportage geadviseerd om aan eiser een bestuurlijke maatregel op te leggen.
2.2.
Op 1 juni 2023 heeft de burgemeester eiser geïnformeerd dat hij voornemens is om aan hem een last onder dwangsom op te leggen.
2.3.
Op 14 juni 2023 heeft eiser een zienswijze ingediend.
2.4.
Op 11 augustus 2023 heeft de burgemeester aan eiser een last onder dwangsom opgelegd.
2.5.
Op 20 september 2023 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.
2.6.
Op 12 december 2023 is een hoorzitting gehouden.
2.7.
Met het bestreden besluit van 15 januari 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij het opleggen van de last onder dwangsom gebleven.
2.8.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.9.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig namens de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. In het bestreden besluit handhaaft de burgemeester de last onder dwangsom die aan eiser is opgelegd in het primaire besluit van 11 augustus 2023. De last houdt in dat eiser een dwangsom van € 5.000,- verbeurt elke keer als hij opnieuw artikel 2:74 vanPro de APV overtreedt. Dat wil zeggen dat hij op of aan de weg of op een andere openbare plaats postvat of zich daar heen en weer beweegt of zich in of op een voertuig bevindt of daarmee heen en weer beweegt of rondrijdt met het kennelijke doel om drugs, of daarop gelijkende waar al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn dan wel hierin te bemiddelen. De dwangsom heeft een maximum van € 20.000,-. De aanleiding voor het opleggen van de last is gelegen in de bestuurlijke rapportage van 17 april 2023 waaruit volgens de burgemeester voldoende duidelijk blijkt dat eiser artikel 2:74 vanPro de APV heeft overtreden. Uit de rapportage blijk dat in de auto van eiser 68,85 gram hennep en meerdere lege doorzichtige tassen met hennepgeur zijn aangetroffen. In de woning van eiser is vervolgens € 4.575,- aan contant geld aangetroffen in losse biljetten van € 50, € 10 en € 5. Ook is op de koelkast in de woning van eiser een post-it aangetroffen met daarop verwijzingen naar geldbedragen en softdrugs. Verder volgt uit het rapport dat eiser antecedenten heeft uit 2013 en 2020 voor handel in harddrugs en dat er registraties zijn uit 2020 en 2021 in verband met vermoedelijke drugshandel. Gelet op deze omstandigheden acht de burgemeester het aannemelijk dat eiser artikel 2:74 vanPro de APV heeft overtreden en dat er een kans op herhaling van deze overtreding bestaat. Gelet op de grote hoeveelheid contant geld die in de woning van eiser is aangetroffen, acht de burgemeester het verder noodzakelijk om een dwangsom van € 5.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,- op te leggen in plaats van het standaardbedrag van €2.500,- zoals dat volgt uit het Uitvoeringsbeleid hoogte dwangsommen en lengte begunstigingstermijnen gemeente Zaanstad 2023.
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg of op een andere openbare plaats post te vatten of zich heen en weer te bewegen of zich in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 enPro 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Lid 8 van artikel 6 vanPro het Uitvoeringsbeleid hoogte dwangsommen en lengte begunstigingstermijnen gemeente Zaanstad 2023
Is voldoende vast komen te staan dat eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 2:74 vanPro de APV?
4. Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met artikel 2:74 vanPro de APV. Volgens eiser geeft de bestuurlijke rapportage van 17 april 2023 hiervoor te weinig aanknopingspunten. Eiser ontkent niet dat er hennep is aangetroffen in zijn auto maar volgens hem is deze enkele constatering niet voldoende voor de conclusie dat de hennep bestemd was voor handel. Volgens artikel 2:74 vanPro de APV is het namelijk niet verboden om softdrugs aanwezig te hebben. Hoewel eiser erkent dat de burgemeester in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage, blijkt in dit geval uit de rapportage niet dat eiser daadwerkelijk drugs heeft verhandeld. Dat er geringe hoeveelheden contant geld in de auto zijn aangetroffen en dat eiser een zenuwachtige indruk maakte tijdens de arrestatie maakt dit niet anders. Ook de informatie die is gevonden op een post-it op de koelkast van eiser betekent niet dat eiser op dat moment drug aan het verhandelen was. Eiser wijst voorts op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 april 2020 [1] en 9 februari 2022 [2] waaruit volgens hem blijkt dat er meer aanleiding nodig is te kunnen spreken van een overtreding van artikel 2:74 vanPro de APV.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals eiser in zijn beroepschrift heeft erkend, mag de burgemeester is beginsel uitgaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage van 17 april 2023. De vraag is of uit deze bestuurlijke rapportage voldoende blijkt dat eiser het “kennelijke doel” heeft gehad om softdrugs te verhandelen in de zin van artikel 2:74 vanPro de APV. De zinsnede “met het kennelijke doel” niet is gedefinieerd in de APV en zal daarom per geval moeten worden onderbouwd. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij aanwezigheid van meer 5 gram softdrugs in beginsel wordt uitgegaan van een handelshoeveelheid drugs en dat het daarmee aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. [3] Uit de bestuurlijke rapportage volgt dat in de auto van eiser 68,85 gram softdrugs zijn aangetroffen. Dit is 14 maal de toegestane gebruikershoeveelheid waardoor aannemelijk is dat de drugs niet alleen voor eigen gebruik bestemd waren maar eerder bedoeld waren om te verhandelen. Alleen al daarom is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat eiser in strijd heeft gehandeld met artikel 2:74 vanPro de APV. Daar komt nog bij dat eiser antecedenten heeft in verband met het verhandelen van drugs, dat er in de auto van eiser naast de drugs ook nog meerdere lege, doorzichtige tassen met hennepgeur zijn aangetroffen, dat er een grote hoeveelheid contant geld is aangetroffen in de woning van eiser en dat er een post-it is aangetroffen met daarop verwijzingen naar geldbedragen en softdrugs. Ook heeft eiser geen enkele andere verklaring gegeven voor deze omstandigheden. Dit alles maakt naar het oordeel van de rechtbank dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser in strijd heeft gehandeld met artikel 2:74 vanPro de APV. De door eiser aangehaalde jurisprudentie doet hier niet aan af omdat hieruit niet volgt waaraan de motivering van de burgemeester minimaal moet voldoen om te kunnen spreken van een overtreding van artikel 2:74 vanPro de APV. Dat er in de door eiser aangehaalde jurisprudentie meer omstandigheden waren die aannemelijk maakten dat sprake was van een overtreding van artikel 2:74 vanPro de APV maakt nog niet dat er in dit geval onvoldoende aanleiding is. De burgemeester was dus bevoegd een last onder dwangsom op te leggen.
Heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd waarom niet wordt volstaan met een waarschuwing en wordt afgeweken van het standaardbedrag voor de dwangsom?
5. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat de burgemeester had moeten volstaat met een waarschuwing in plaats van het opleggen van een dwangsom. Verder stelt eiser dat niet voldoende is gemotiveerd waarom is afgeweken van het standaardbedrag van € 2.500,- voor dwangsommen bij overtredingen van artikel 2:74 vanPro de APV zoals blijkt uit het Uitvoeringsbeleid.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Uit het Uitvoeringsbeleid van de burgemeester volgt dat bij een overtreding van Artikel 2:74 vanPro de APV direct een dwangsom van € 2.500,- wordt opgelegd. Gelet hierop hoeft de burgemeester niet te motiveren waarom in dit geval niet eerst een waarschuwing is gegeven. De rechtbank overweegt verder dat uit artikel 3:32b van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de hoogte van de dwangsom in een redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Het doel van de last onder dwangsom is om een herhaling van de overtreding van artikel 2:74 vanPro de APV te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd waarom in dit geval is afgeweken van het standaardbedrag van € 2.500,- zoals volgt uit het Uitvoeringsbeleid. De burgemeester heeft in het bestreden besluit betoogd dat een bedrag van € 5.000,- in dit geval in verhouding staat tot de overtreding omdat er ook een geldbedrag van € 4.575,- bij eiser thuis is aangetroffen en het aannemelijk is dat dit bedrag afkomstig is uit de handel in softdrugs. Omdat het standaardbedrag voor dwangsommen bij overtredingen van artikel 2:74 vanPro de APV slechts de helft is van het bedrag dat bij eiser thuis is aangetroffen, zou een dwangsom van € 2.500,- volgens de burgemeester onvoldoende prikkel opleveren om herhaling te voorkomen. Omdat eiser geen andere verklaringen heeft gegeven voor de herkomst van het bedrag van € 4.575,- en omdat dit bedrag is aangetroffen in losse biljetten van € 50, € 10 en € 5, acht de rechtbank het met de burgemeester aannemelijk dat dit bedrag afkomstig is uit de handel in softdrugs. Mede de overige omstandigheden in aanmerking genomen heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dwangsom van € 5.000,- in dit geval in redelijke verhouding staat tot de overtreding. De burgemeester heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom in dit geval is afgeweken van het standaardbedrag en in plaats daarvan een hogere dwangsom is opgelegd.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de last onder dwangsom in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.