De zaak betreft het beroep van een moeder tegen twee schorsingsbesluiten van haar zoon door het schoolbestuur. De eerste schorsing betrof één dag na grensoverschrijdend gedrag in de les op 20 juni 2024. De tweede schorsing vond plaats tijdens de verwijderingsprocedure van de zoon, vanwege de handelingsverlegenheid van de school en de noodzaak tot bescherming van het onderwijsklimaat.
De rechtbank oordeelt dat het bestuur de eerste schorsing redelijk heeft gemotiveerd, vooral vanwege het gedrag in de les en eerdere incidenten, hoewel het bestuur onvoldoende heeft toegelicht wat zich buiten de les (op de gang of opvanglokaal) heeft afgespeeld. Dit motiveringsgebrek wordt gepasseerd omdat het niet doorslaggevend was voor de schorsing. De rechtbank veroordeelt het bestuur wel tot vergoeding van de griffiekosten.
Voor de schorsing tijdens de verwijderingsprocedure is geoordeeld dat het bestuur in redelijkheid een zwaarwegend belang kon toekennen aan de bescherming van het onderwijsklimaat. De zoon had een lange voorgeschiedenis van incidenten en extra ondersteuningsbehoeften, waarbij de school handelingsverlegen was. De schorsing was niet onevenredig, mede omdat de school een alternatief onderwijsprogramma bood en de zoon zijn toetsen kon maken.
De rechtbank begrijpt de moeilijke positie van de zoon en zijn moeder, maar ziet geen reden om de besluiten te vernietigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en de schorsingen blijven in stand.