Uitspraak
1.De procedure
- de brief van 6 januari 2025 van de gemachtigde van [gedaagde] met een eis in reconventie en producties
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2025.
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak staat centraal of de zoon zonder recht of titel in de woning verblijft die zijn overleden moeder huurde. De moeder was huurder van de woning, maar zij is overleden op 11 september 2024. De zoon betoogt dat hij recht heeft op voortzetting van de huurovereenkomst omdat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder voerde.
De verhuurder, Wooncompagnie, vordert ontruiming van de woning omdat de huurovereenkomst door het overlijden van de moeder is geëindigd en de zoon niet heeft aangetoond dat hij aan de wettelijke vereisten voor voortzetting voldoet. De rechtbank oordeelt dat de zoon onvoldoende heeft bewezen dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De samenwoning was vooral gericht op zorgverlening aan de ernstig zieke moeder, wat een contra-indicatie vormt voor een duurzame huishouding.
Daarnaast is van belang dat er een voorgeschiedenis is waarbij de zoon eerder geen toegang tot de woning mocht hebben vanwege hennepkwekerijen. De financiële bijdragen van de zoon aan de huishouding waren onvoldoende onderbouwd en niet toereikend om van een gezamenlijke huishouding te spreken.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst door de zoon waarschijnlijk zal worden afgewezen in een bodemprocedure en wijst daarom de ontruimingsvordering van de verhuurder toe. De ontruimingstermijn wordt gesteld op één maand en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De zoon wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De zoon wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen één maand wegens ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.