Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van Cocensus, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 (hierna: de waardepeildatum).
- hij is niet gehoord door verweerder, ondanks een schriftelijk verzoek daartoe;
- hij heeft tevergeefs verzocht om het volledige taxatierapport; als dit bestaat dan wil hij alsnog een kopie ontvangen;
- verweerder heeft geen onderbouwing van de KOUDV-factoren en de waarden van de deelobjecten verstrekt;
- de WOZ-beschikking is gedateerd op 31 december 2023; nu deze datum zowel een feestdag als een zondag was, is wellicht sprake van antidateren;
- door de WOZ-beschikking te dateren op 31 december 2023 is eiser benadeeld, omdat eiser een kortere termijn heeft gekregen voor de motivering van zijn bezwaar, namelijk minder dan twee weken in plaats van de gebruikelijke drie weken;
- de foto op het taxatieverslag is niet van de woning en als de foto van de woning niet eens klopt, dan is het de vraag of de door verweerder gegeven onderbouwing van de waarde wel klopt;
- het taxatieverslag vermeldt ten onrechte een dakopbouw, een dakkapel uit 1988 en een overkapping/veranda bij de woning; in de beslissing op bezwaar is dat weliswaar gecorrigeerd, maar de daarbij door verweerder gegeven conclusie, dat het “woonoppervlak van de woning hierdoor … groter wordt” is onbegrijpelijk en deze conclusie wordt door eiser bestreden;
- het taxatieverslag vermeld ten onrechte 307 m² als grond bij de woning; de totale oppervlakte van het perceel is 307 m², maar dat is inclusief de grond waar de woning op is gesitueerd;
- bij de waardebepaling is geen rekening gehouden met de ligging van de woning; deze ligging is niet gemiddeld;
- de vergelijkingsobjecten worden met een standaardoverweging voldoende vergelijkbaar met de woning geacht, zonder verdere onderbouwing;
- het is onduidelijk op welke manier rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten;
- de vergelijkingsobjecten zijn te ver van de waardepeildatum verkocht;
- er is onvoldoende onderbouwing gegeven van de indexering van de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten;
- de waarde van de woning is onvoldoende verminderd; de enige vermindering die verweerder heeft toegepast is “omdat er door haar onvoldoende rekening was gehouden met de staat van de woning”;
- verweerder is ten onrechte niet ingegaan op het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel;
- verweerder heeft onvoldoende verkoopprijzen van vergelijkingsobjecten vermeld.
15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009: BI3751 en van 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2829) dat indien blijkt dat de rechtbank – indien zij tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan de belanghebbende in de bezwaarfase niet (op de juiste wijze) heeft gehoord alvorens uitspraak op bezwaar te doen in haar uitspraak met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb aan dat verzuim kan voorbijgaan mits de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Van een dergelijke benadeling zal in de regel geen sprake zijn wanneer het verzuim is hersteld doordat de belanghebbende zijn bezwaren in beroep en in hoger beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten, omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen het bestuursorgaan en de belanghebbende (uiteindelijk) geen verschil van mening bestaat, en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij het bestuursorgaan geen beleidsvrijheid toekomt. Reeds omdat er tussen eiser en verweerder wel verschil van mening bestaat over de relevante feiten en de waardering daarvan, kan aan de schending niet met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb voorbij worden gegaan.
€ 5.671, € 5.285 en € 5.840. Voor de woning heeft dit geleid tot een waarde per vierkante meter gebruiksoppervlakte van € 3.717, waarbij de kwaliteit van de woning als matig is aangeduid. De voor de woning gehanteerde vierkantemeterprijs is aanzienlijk lager dan de vierkantemeterprijzen van de vergelijkingsobjecten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het voorgaande aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardering van de woning voldoende rekening is gehouden met deze verschillen tussen de woning ten opzichte van die van de vergelijkingsobjecten.
- de woning grenst aan de voorzijde aan een groot parkeerterrein van een kantoor met alle overlast van dien;
- voor de bewoners is weinig tot geen parkeergelegenheid;
- de woning is vanaf de openbare weg slechts aan de voorzijde bereikbaar via een smal grindpad en aan de achterzijde helemaal niet ontsloten;
- aan de achterzijde staat de bebouwing van de [straat 4] en deze geeft inkijk in de woning en belemmert intreden van zonlicht en vrij uitzicht;
- er wordt overlast ervaren van een naast gelegen verzorgingshuis en verkeersoverlast van een verderop gelegen kinderopvang.
€ 1.183.000 en het beroep gegrond verklaren.
Beslissing
mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
8 juli 2025.