Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:8600

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
25 juli 2025
Zaaknummer
HAA 25/2580
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening handhaving en omgevingsvergunning wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekers hebben een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen besluiten van 28 april 2025 (handhaving) en 21 mei 2025 (omgevingsvergunning) met betrekking tot een perceel te [plaats]. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting en stelt vast dat het verzoek kennelijk ongegrond is.

De omgevingsvergunning betreft de legalisatie van een aanbouw die al sinds 2012 aanwezig is, en er wordt geen nieuw gebouw gerealiseerd. Verzoekers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van onverwijlde spoed, zoals acuut gevaar of ernstige inbreuk op hun rechten, die onmiddellijke verandering van de situatie rechtvaardigt.

Daarom ontbreekt het aan een rechtens te honoreren spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter benadrukt dat een afzonderlijk verzoek nodig is voor de omgevingsvergunning, maar ook daar ontbreekt het spoedeisend belang.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2580

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college
(gemachtigde: mr. Y. Kliphuis).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de besluiten van 28 april 2025 (handhaving) en 21 mei 2025 (omgevingsvergunning O20210664) ten aanzien van het perceel [adres] te [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Bij besluit van 5 september 2022 heeft verweerder besloten niet te handhaven. Bij besluit van 13 juni 2023 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen dat besluit ongegrond verklaard.
3. Op 17 augustus 2023 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan in de zaak 22/4102. Daarin is geoordeeld dat de omgevingsvergunning voor de aanbouw bij [adres] te [plaats] tot stand is gekomen zonder voldoende onderzoek. De omgevingsvergunning is herroepen. Naar aanleiding daarvan kwam de aanvraag tot omgevingsvergunning weer ‘open te liggen’. Bij besluit van 31 mei 2025 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de aanbouw. Verzoekers hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
4. Bij besluit van 28 april 2025 heeft verweerder het verzoek tot handhaving deels toegewezen. Daarbij is gelast de dakkapel te verwijderen of aan te passen. Het beroep van verzoekers in de zaak 23/4772 tegen het besluit van 13 juni 2023 richt zich van rechtswege ook tegen het besluit van 28 april 2025. [1]
5. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter bij brief van 29 mei 2025 verzocht om in verband met beide besluiten een voorlopige voorzienig te treffen.
6. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
8. De zaken betreffen een aanbouw en een dakkapel. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanbouw ten minste sinds 2012 aanwezig is. De omgevingsvergunning ziet op (gedeeltelijke) legalisatie van een bestaande situatie. Er wordt geen nieuw gebouw gerealiseerd. Eisers stellen dat zij last hebben van dit gebouw. Zij hebben echter geen onderbouwing gegeven van de stelling dat onverwijlde spoed, zoals acuut gevaar of een ernstige inbreuk in hun rechten, vereist dat de situatie onmiddellijk verandert.
9. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat verzoekers geen rechtens te honoreren (spoedeisend) belang hebben bij hun verzoek om een voorlopige voorziening. En wijst het verzoek af.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
11. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat hij het verzoek heeft aangemerkt als te zijn gedaan hangende het beroep tegen het besluit van 28 april 2025. Dus in de handhavingszaak. Indien verzoekers óók in de zaak om de omgevingsvergunning, dus hangende het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2025 een verzoek tot voorlopige voorziening willen doen, moeten zij dat afzonderlijk doen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van 29 mei 2025 niet aangemerkt als tweeledig (en dus niet twee zaken aangemaakt), omdat verzoekers in dat geval tweemaal griffierecht zouden moeten betalen en het verzoek in de omgevingsvergunning-zaak waarschijnlijk tot eenzelfde uitspraak zou leiden. Ook daar ontbreekt namelijk een spoedeisend belang.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.