Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:9769

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 augustus 2025
Publicatiedatum
21 augustus 2025
Zaaknummer
11031837 \ CV EXPL 24-2201
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230o BWArt. 6:230s lid 5 sub a BWArt. 6:230v lid 3 BWArt. 6:230v lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling cursusgeld na ontbinding onderwijsovereenkomst binnen verlengde herroepingstermijn

De zaak betreft een onderwijsovereenkomst tussen een opleidingsinstituut en een consument die zich inschreef voor een vastgoedopleiding. De consument heeft de overeenkomst ontbonden binnen de verlengde herroepingstermijn, omdat het opleidingsinstituut niet voldeed aan essentiële precontractuele informatieplichten, waaronder het niet duidelijk informeren over het herroepingsrecht en een onduidelijke bestelknop.

De kantonrechter stelt vast dat de primaire vordering tot betaling van het volledige cursusgeld niet toewijsbaar is vanwege de ontbinding binnen de verlengde herroepingstermijn. Wel is het opleidingsinstituut op grond van ongerechtvaardigde verrijking gerechtigd tot een vergoeding voor de lessen die de consument heeft gevolgd of had kunnen volgen en het geleverde lesmateriaal.

Vanwege de schending van informatieplichten, waaronder het ontbreken van een duidelijke betalingsverplichting op de bestelknop, past de kantonrechter een korting van 40% toe op het verschuldigde bedrag. De annuleringskosten en te hoge rente worden afgewezen. De consument wordt veroordeeld tot betaling van € 941,85 plus wettelijke rente vanaf de dagvaarding, en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Consument moet na ontbinding binnen verlengde herroepingstermijn 60% van cursusgeld en lesmateriaal betalen met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11031837 \ CV EXPL 24-2201
Uitspraakdatum: 27 augustus 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.handelend onder de naam
[bedrijf]
te [plaats 1]
de eisende partij
hierna te noemen: [bedrijf]
gemachtigde: M.P.A. Roelands
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek.
1.2.
[gedaagde] heeft niet meer gereageerd. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Feiten

2.1.
[bedrijf] biedt via haar website opleidingen aan. [bedrijf] en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten. [gedaagde] heeft zich ingeschreven voor de opleiding Basistheorie Vastgoed + Specialisatie Wonen (KRMT). [bedrijf] heeft de aanmelding voor dit opleidingspakket per e-mail bevestigd.
2.2.
De totale prijs van het opleidingspakket inclusief lesmateriaal is € 5.525,00. [gedaagde] heeft ervoor gekozen om dit bedrag te betalen in 24 maandelijkse termijnen van € 230,21.
2.3.
De opleiding is op 3 juni 2022 aangevangen met de module publieksrecht. Deze module liep tot 1 juli 2022.
2.4.
Op 20 augustus 2022 heeft [gedaagde] de onderwijsovereenkomst opgezegd.

3.Het geschil

3.1.
[bedrijf] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.152,50 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten. De hoofdsom bestaat uit het lesgeld van de module publieksrecht, het ter beschikking gestelde lesmateriaal en de annuleringskosten.
3.2.
[gedaagde] betwist de vordering gedeeltelijk. Hij stelt dat hij maar enkele lessen heeft gevolgd, en alleen voor die lessen wil betalen.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat Richtlijn 93/13/EEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) en Richtlijn 2011/83/EU (betreffende consumentenrechten) van toepassing zijn op de onderhavige onderwijsovereenkomst. Het betreft hier namelijk een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Op de onderhavige overeenkomst zijn dus consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, ook ambtshalve, consequenties aan verbinden.
Ambtshalve toetsing van de overige precontractuele informatieplichten
4.2.
[bedrijf] heeft niet voldaan aan de essentiële precontractuele informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder h BW. Weliswaar heeft zij verwezen naar schermafdrukken van haar website, maar hieruit blijkt niet dat zij [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gewezen op het herroepingsrecht en het recht op ontbinding (overeenkomstig artikel 6:230o BW e.v.). [bedrijf] stelt dat de informatie over het ontbindingsrecht is opgenomen in de toepasselijke algemene voorwaarden. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hiermee niet op duidelijke en begrijpelijke wijze op de hoogte is gebracht van deze informatie. [gedaagde] had er vóór het sluiten van de overeenkomst tenminste expliciet op gewezen moeten worden dát deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Niet gesteld of gebleken is dat daaraan is voldaan. Voor deze schending zal een sanctie worden toegepast.
Welke sanctie hoort hierbij?
4.3.
De schending met betrekking tot het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, maar ten hoogste met twaalf maanden. [1] Gesteld noch gebleken is dat [bedrijf] [gedaagde] op enig ander moment op het herroepingsrecht heeft gewezen.
4.4.
Uit de opzegging door [gedaagde] van 20 augustus 2022 is gebleken dat hij de overeenkomst heeft herroepen binnen de verlengde herroepingstermijn. Daarom kan een betalingsverplichting voor het geleverde ingevolge artikel 6:230s lid 5 sub a onder 1 of 2 BW niet worden vastgesteld.
4.5.
Dit betekent dat de vordering op de primaire grondslag niet toewijsbaar is.
Ongerechtvaardigde verrijking
4.6.
[bedrijf] heeft subsidiair een beroep op ongerechtvaardigde verrijking gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat [bedrijf] recht heeft op een vergoeding van de waarde van de prestatie die zij op basis van de overeenkomst heeft geleverd. Oftewel, [gedaagde] moet [bedrijf] een vergoeding betalen voor het lesmateriaal dat zij heeft ontvangen en de lessen die hij heeft gevolgd of had kunnen volgen. De kantonrechter vindt het echter niet redelijk als [bedrijf] een vergoeding zonder enige korting voor de prestatie zou ontvangen, omdat zij (naast de schending van artikel 6:230m lid 1 sub h BW) ook niet heeft voldaan aan enkele andere essentiële informatieplichten die op haar rusten. Het gaat om de volgende verplichtingen.
De bestelknop
4.7.
Artikel 6:230v lid 3 BW bevat een bijzondere verplichting voor overeenkomsten die op elektronische wijze worden gesloten, zoals de onderhavige overeenkomst. Deze verplichting houdt in dat de handelaar het elektronische bestelproces zo moet inrichten dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat zijn bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Indien de overeenkomst wordt aanvaard door gebruik van een knop of soortgelijke functie, moet die knop of soortgelijke functie worden uitgerust met een goed leesbare, ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt.
4.8.
Om te beoordelen of de handelaar aan deze verplichting heeft voldaan, moet alleen rekening worden gehouden met de woorden op de bestelknop (of soortgelijke functie) waarmee de consument het bestelproces afrondt. Er mag geen acht worden geslagen op de verdere omstandigheden van het bestelproces. [2]
4.9.
Uit de toelichting en stukken blijkt dat op de bestelknop die [bedrijf] hanteert, “aanmelden” en vervolgens na invullen van het aanmeldformulier “versturen” staat. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter geen duidelijke mededeling gedaan dat [gedaagde] met het aanklikken van die knop een betalingsverplichting aangaat. Er is dan ook niet voldaan aan de verplichting van artikel 6:230v lid 3 BW.
De contractuele informatieplicht
4.10.
[bedrijf] heeft ook niet voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230v lid 7 BW. In de bevestigingse-mail staat namelijk niet alle in artikel 6:230m lid 1 BW genoemde informatie, zoals het herroepingsrecht.
Wat is toewijsbaar?
4.11.
De kantonrechter moet aan de schending van de informatieplichten, inclusief artikel 6:230v lid 3 BW, gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. [3] De kantonrechter zal daarom in lijn met de sanctierichtlijn [4] een korting van 40% toepassen.
4.12.
[gedaagde] heeft de overeenkomst herroepen na afloop van de module publieksrecht. Dat betekent dat hij deze lessen in het geheel had kunnen volgen en daarvoor ook het lesgeld verschuldigd is. IDP heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het lesgeld voor de module publieksrecht € 675,00 bedraagt. Daarnaast heeft [gedaagde] voor € 690,00 aan lesmateriaal (boeken) ontvangen. Daarmee is [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter ongerechtvaardigd verrijkt.
4.13.
De gevorderde annuleringskosten worden afgewezen, aangezien deze voortvloeien uit de overeenkomst die op 20 augustus 2022 rechtsgeldig is herroepen. Bovendien heeft [bedrijf] niet onderbouwd welke verdere schade zij door de opzegging/herroeping van [gedaagde] heeft geleden.
4.14.
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 819,00 aan hoofdsom toewijsbaar
(€ 1.365,00 (= € 675,00 + € 690,00) x 0.6).
4.15.
De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 122,85.
4.16.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de [bedrijf] die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
Conclusie en proceskosten
4.17.
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
4.18.
Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [bedrijf] van € 941,85, te vermeerderen met de wettelijke over dat bedrag vanaf 14 maart 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 6:230o lid 2 BW.
2.HvJ EU 7 april 2022, ECLI:EU:C:2022:269 (Fuhrmann), punt 28.
3.Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1366 en Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
4.Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten (https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/richtlijn-sanctiemodel-informatieplichten.pdf), te vinden op rechtspraak.nl.