Eiser trad op 17 januari 2025 in dienst bij Carrier met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na ziekmelding op 11 maart 2025 ontstond een conflict over de re-integratie, waarbij eiser stelde dat er sprake was van pesterijen en discriminatie op het werk. Carrier stelde dat eiser niet meewerkte aan redelijke re-integratievoorschriften en legde op 9 juli 2025 een loonstop op.
De bedrijfsarts adviseerde op 19 mei 2025 een fundamenteel gesprek over de werkgerelateerde problematiek, maar eiser was op dat moment nog volledig arbeidsongeschikt. De kantonrechter oordeelde dat het gesprek van 9 juli 2025, gericht op passende arbeid, te vroeg was en dat Carrier onvoldoende rekening hield met de door eiser ervaren discriminatie en pesterijen.
De loonstop werd daarom onterecht geacht. Carrier werd veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon met een gematigde wettelijke verhoging van 20% en de proceskosten. De kantonrechter benadrukte het belang van een nader onderzoek naar de klachten van eiser en een passend vervolgtraject voor re-integratie.