ECLI:NL:RBNHO:2026:1094

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
11872359 \ CV EXPL 25-3206
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230o BWArt. 6:231 BWArt. 22 RvArt. 139 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing oneerlijk prijswijzigingsbeding en precontractuele informatieplicht in consumentenovereenkomst

In deze civiele zaak vordert de eisende partij betaling van een bedrag van €687,42 plus bijkomende kosten van de gedaagde partij. De gedaagde is verstek gebleven. De kantonrechter toetst ambtshalve of de eisende partij heeft voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten die gelden bij overeenkomsten tussen handelaar en consument, zoals voorgeschreven in Boek 6 BW.

De eisende partij heeft nagelaten concreet toe te lichten hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en hoe zij aan haar informatieplicht heeft voldaan. Hierdoor kan de rechter niet vaststellen of de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze is geïnformeerd. De kantonrechter wijst erop dat het ontbreken van deze toelichting in een vervolgprocedure kan leiden tot afwijzing van de vordering.

Daarnaast onderzoekt de kantonrechter of het prijswijzigingsbeding in de overeenkomst oneerlijk is. Dit beding geeft de exploitant het recht om tarieven per kalenderjaar of bij tussentijdse verhoging van leveranciers te verhogen, zonder nadere motivering of transparantie. Dit voldoet niet aan de eisen van Richtlijn 93/13/EEG en vaste jurisprudentie, waardoor het beding voorlopig als oneerlijk wordt aangemerkt.

De kantonrechter stelt de eisende partij in de gelegenheid om bij akte te reageren op het oordeel over het beding en de informatieplicht. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat deze toelichting is ontvangen.

Uitkomst: De kantonrechter houdt de zaak aan en geeft de eisende partij gelegenheid tot nadere toelichting over de informatieplicht en het oneerlijke prijswijzigingsbeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11872359 \ CV EXPL 25-3206
Uitspraakdatum: 4 februari 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: mr.drs. J.J.F.M. Konings
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
De procedure
1.1. De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 687,42, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.3.
De eisende partij heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten. De eisende partij heeft namelijk nagelaten een concrete toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst en hoe zij in die situatie heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en of aan de gedaagde partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de hiervoor bedoelde essentiële informatie is verstrekt.
2.4.
Weliswaar heeft de eisende partij producties bij de dagvaarding overgelegd, maar zonder toe te lichten welke delen daarvan relevant zijn voor welk standpunt. Producties kunnen stellingen enkel ondersteunen en niet vervangen. Het is niet aan de kantonrechter om eigenhandig op zoek te gaan naar informatie. [2] Het is dus aan de eisende partij om concreet aan te geven welke informatie in welke productie te vinden is (bijvoorbeeld door de relevante onderdelen in de producties te onderstrepen of te arceren).
De kantonrechter wijst erop dat het ontbreken van deze toelichting in eventuele vervolgzaken [3] kan leiden tot afwijzing van de vordering.
2.5.
In dit geval en bij wijze van uitzondering zal de eisende partij echter in de gelegenheid gesteld worden om bij akte toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en hoe aan de gedaagde partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de hiervoor bedoelde essentiële informatie is verstrekt.
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
2.6.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. [4] Algemene voorwaarden kunnen ook in de overeenkomst zelf zijn opgenomen. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.7.
In de artikel 4 van Pro de overeenkomst staat een prijswijzigingsbeding. Dat luidt als volgt:
‘Het tarief voor het gebruikte water bedraagt op dit moment (…) en voor het elektra (…). De exploitant is gerechtigd de tarieven per kalenderjaar en bij tussentijdse verhoging van de tarieven van zijn leverancier te verhogen;’
2.8.
Dit beding valt onder punt 1 onder j en l en punt 2 sub b en d van de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG. Deze bijlage bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. [5] Op grond van deze punten in samenhang met vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie [6] is een prijswijzigingsbeding slechts aanvaardbaar wanneer de gronden voor de prijswijziging in de overeenkomst of algemene voorwaarden worden genoemd en deze een geldige reden voor wijziging vormen. Het beding moet ook voldoen aan het transparantievereiste. Dit transparantievereiste moet ruim worden uitgelegd, en impliceert dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument bij het sluiten van de overeenkomst in staat moet worden gesteld om de concrete werking van het beding te begrijpen, en op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van het beding voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen. De bedingen dienen duidelijk en begrijpelijk te zijn opgesteld. [7] Het betrokken beding moet voor de consument niet alleen grammaticaal duidelijk en begrijpelijk zijn, maar de economische redenen voor de toepassing van het contractuele beding en het verband van dat beding met andere bedingen van de overeenkomst moeten voor die consument eveneens duidelijk en begrijpelijk zijn. De consument dient verder een reële mogelijkheid te hebben om de overeenkomst op te zeggen in het geval van een eenzijdige wijziging.
2.9.
Aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet onderhavig prijswijzigingsbeding niet; de gronden voor prijswijziging staan niet in het beding vermeld en de economische gevolgen van het beding zijn onduidelijk. De eisende partij kan op grond van dit beding de prijs immers in onbeperkte mate verhogen. Daarmee is het beding oneerlijk.
2.10.
De kantonrechter is daarom voornemens om dit artikel, voor zover dat ziet op wijziging van de prijs, te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter. Alvorens daartoe over te gaan, wordt de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich bij akte over dat voornemen en de eventuele gevolgen voor de vordering uit te laten.
Conclusie
2.11.
De eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld bij akte toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen (op afstand, buiten de verkoopruimte of binnen de verkoopruimte) en hoe aan de gedaagde partij op duidelijke en begrijpelijke wijze de hiervoor bedoelde essentiële informatie is verstrekt en zich uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel omtrent de oneerlijkheid van het hiervoor genoemde beding.
2.12.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 4 maart 2026 om de eisende partij in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het voorshands uitgesproken oordeel zoals hiervoor is overwogen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.
3.Ingeleid met een dagvaarding vanaf 1 maart 2026.
4.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
5.Artikel 3 lid 3 Richtlijn Pro 93/13/EEG.
6.HvJ EU 26 april 2012, C-472/10, ECLI:EU:C:2012:242 en HvJ EU 21 maart 2013 (RWE Vertrieb), C-92/11, ECLI:C:EU:2013:180; zie ook het Rapport Ambtshalve Toetsing III pag. 35 en 36.
7.Artikel 5 Richtlijn Pro 93/13/EEG.