Uitspraak
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen
de inspecteur van de Douane, verweerder.
Inleiding
13 mei 2023 uitgereikt voor een bedrag van € 9.483,62, bestaande uit € 9.074,27 aan douanerechten en € 409,35 aan rente op achterstallen.
6 mei 2025.
30 oktober 2025 per gewone postzending aan eiseres toegezonden.
Feiten
Geschil
Volgens het arrest van het Hof van Justitie EG van 12 juli 1984, Zaak 218/83, ‘Les Rapides Savoyards’ is “de bepaling van oorsprong van goederen overeenkomstig Protocol nr. (...) gebaseerd op een verdeling van bevoegdheden tussen de douanediensten van partijen bij de vrijhandelsovereenkomst in die zin, dat de oorsprong wordt vastgesteld door de autoriteiten van het land van uitvoer; (...). Deze regeling vindt haar rechtvaardiging in de omstandigheid dat de autoriteiten van het land van uitvoer het best in staat zijn om rechtstreeks de feiten te controleren die bepalend zijn voor de oorsprong;(...).” Voorts heeft het Hof van Justitie EG in dit arrest overwogen dat “de werking van deze regeling – die, zoals gezegd, is gebaseerd op een taakverdeling tussen de douanediensten van de landen die partij zijn bij de vrijhandelsovereenkomst en op het vertrouwen dat moet worden gesteld in de door deze diensten in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden verrichte handelingen – de fiscale autonomie zowel van de gemeenschap en haar lidstaten als van de betrokken derde landen onverkort laat; de in protocol nr. (...) neergelegde regeling is immers gebaseerd op wederzijdse verplichtingen, die partijen in hun onderlinge handelsbetrekkingen op voet van gelijkheid stellen.”
Juridisch kader
Beoordeling van het geschil
(e-bikes onder GN-post 8711) onderdelen/materialen uit Taiwan, Singapore, Indonesië en China heeft gebruikt, welke onderdelen/materialen volgens eiseres zijn ingedeeld onder de GN-posten 8714, 8501 en 8507 zal door de rechtbank worden gepasseerd, nu eiseres voor deze stelling onvoldoende bewijs heeft bijgebracht. De bevindingen van het Zuid-Koreaanse Ministerie van Handel uit een door haar op verzoek van de exporteur van eiseres uitgevoerd onderzoek en het antwoord van dit ministerie op een door de exporteur van eiseres gestelde vraag, vormen onvoldoende bewijs, omdat dit ministerie in de Vrijhandelsovereenkomst niet de aangewezen douaneautoriteit is om de preferentiële oorsprong van de e-bikes vast te stellen. Daarnaast blijkt uit de reactie van dit ministerie dat zij geen specifiek onderzoek heeft uitgevoerd naar de in geschil zijnde e-bikes, maar heeft volstaan met een algemeen onderzoek. Dat de ingevoerde onderdelen bewerkingen hebben ondergaan die uitstijgen boven de in het Protocol benoemde ontoereikende bewerkingen is, wat daar verder ook van zij, niet relevant voor het criterium van de tariefpostverspringing.