Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
mr. [naam 4] een document ondertekend (hierna: ‘de huurverklaring’) waarin, voor zover hier relevant, het volgende is opgenomen:
Geschil8. In geschil is de hoogte van de belaste verkrijging. Meer specifiek is in geschil of bij het bepalen van de omvang van de fictieve erfrechtelijke verkrijging rekening moet worden gehouden met:
V-N3 oktober 1981, punt 16) en een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst (KGSW 15.0003). Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een vastgestelde verkrijging van € 98.869.
V-N3 oktober 1981, punt 16) stelt de rechtbank deze waardedrukkende factor op 25 procent van de waarde van het vruchtgebruik zonder de metterwoonclausule. De door verweerder aangehaalde omstandigheid dat in casu sprake is van een persoonlijk recht en niet van een zakelijk recht, vormt geen reden anders te oordelen.
€ 96.625 (€ 131.826 x 0,75 = € 98.870, verminderd met een vrijstelling van € 2.244).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging van
- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.868, en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres te vergoeden.
mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.