Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 5 juni 1980 betreffende de hem opgelegde aanslag in het recht van schenking ter zake van na te melden bevoordeling;
f 8.200,--
Hoge Raad
In deze zaak stond de waardering centraal van een renteloze lening dan wel een lening tegen een onzakelijk lage rente die door een oom aan zijn neef was verstrekt ter financiering van de aankoop van een woning. De inspecteur had een aanslag opgelegd wegens schenking, die na bezwaar was verminderd, maar het hof bevestigde de aanslag op basis van een bevoordeling berekend als het verschil tussen de zakelijke rente en de overeengekomen rente.
Het hof oordeelde dat de lening tegen 3% rente niet als vruchtgebruik in de zin van artikel 18 Successiewet Pro kon worden aangemerkt, omdat het geen renteloze lening betrof, maar een wezenlijk andere situatie. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en stelde dat ook een lening tegen een onzakelijk lage rente als schenking van vruchtgebruik moet worden gewaardeerd volgens artikel 18 lid 1 Successiewet Pro en artikel 10 Uitvoeringsbesluit Pro.
De Hoge Raad benadrukte dat het verschil tussen de zakelijke rente (ongeveer 9%) en de overeengekomen rente (3%) als materiële bevoordeling moet worden beschouwd en dat deze bevoordeling forfaitair moet worden vastgesteld met toepassing van de tabel in artikel 6 lid 1 van Pro het Uitvoeringsbesluit. De aanslag werd dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van f 49.800.
De uitspraak bevestigt dat leningen uit vrijgevigheid, ook indien niet renteloos maar tegen een te lage rente verstrekt, fiscaal als schenking van vruchtgebruik worden behandeld, waarmee het gelijkheidsbeginsel en de strekking van de Successiewet worden gerespecteerd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en stelt de aanslag vast op basis van een forfaitaire waardering van het rentevoordeel van 2% over f 200.000 gedurende 20 jaar, zijnde f 49.800.