ECLI:NL:RBNHO:2026:1294

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
11608626 \ CV EXPL 25-1911 (hoofdzaak) en 11864161 \ CV EXPL 25-5768 (vrijwaring)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230g BWArt. 6:230l BWArt. 6:265 BWArt. 6:271 BWArt. 6:272 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen bij geschil over aannemingsovereenkomst en vrijwaring

In deze civiele zaak stond een geschil centraal over twee aannemingsovereenkomsten voor renovatiewerkzaamheden aan een woning. Eiseres stelde dat de aannemer tekort was geschoten in de nakoming, waardoor zij schade had geleden en ontbinding van de overeenkomsten vorderde. De aannemer vorderde betaling van openstaande termijnen en stelde dat de overeenkomst was opgezegd.

De rechtbank oordeelde dat de vorderingen tot gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding onvoldoende waren onderbouwd en wees deze af. Ook de tegenvordering van de aannemer tot betaling van resterende termijnen en meerwerkfacturen werd afgewezen, omdat het werk niet was opgeleverd en de aannemer niet had voldaan aan zijn verplichtingen.

In de vrijwaringszaak werd de vordering van de aannemer tegen zijn onderaannemer eveneens afgewezen, omdat de aannemer niet was veroordeeld in de hoofdzaak. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd, behalve in de vrijwaringszaak waar de aannemer werd veroordeeld tot betaling van de kosten van de onderaannemer.

De uitspraak benadrukt het belang van een goede onderbouwing van schade en nakoming, het onderscheid tussen ontbinding en opzegging, en de gevolgen van niet-oplevering van werk in aannemingsovereenkomsten.

Uitkomst: Alle vorderingen van partijen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, behalve in de vrijwaringszaak waar de aannemer de proceskosten moet betalen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummers: 11608626 \ CV EXPL 25-1911 (hoofdzaak) en 11864161 \ CV EXPL 25-5768 (vrijwaring)
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.A. Eysink,
tegen
[gedaagde 1],handelend onder de naam
[bedrijf 1],
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
gemachtigde: mr. R.J. van de Leur,
en in de vrijwaringszaak van
[gedaagde 1],handelend onder de naam
[bedrijf 1],
te [plaats],
eisende partij in vrijwaring,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
gemachtigde: mr. R.J. van de Leur,
tegen
[gedaagde 2], handelend onder de naam
[bedrijf 2]
te [plaats],
gedaagde partij in vrijwaring,
hierna te noemen: [gedaagde 2],
gemachtigde: mr. S. Ettalhaoui.
De zaken in het kort
Gedaagde in de hoofdzaak (aannemer) heeft volgens eiseres de overeengekomen werkzaamheden ondeugdelijk verricht, waardoor zij schade heeft geleden. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiseres tot gedeeltelijke ontbinding van de aanneemovereenkomsten en vergoeding van geleden schade af, omdat eiseres deze vorderingen onvoldoende (juridisch en feitelijk) heeft onderbouwd. De tegenvordering van de aannemer tot betaling van de resterende overeengekomen termijnbedragen wordt eveneens afgewezen, omdat de aannemer de daartegenover staande werkzaamheden niet heeft verricht en het werk niet is opgeleverd. Ook de vordering tot betaling van een meerwerkfactuur wordt afgewezen bij gebrek aan onderbouwing. Omdat de vorderingen van eiseres in de hoofdzaak worden afgewezen, wordt ook de vordering in vrijwaring van de aannemer tegen het bedrijf dat hij had ingeschakeld voor het verrichten van (een deel van) de overeengekomen werkzaamheden afgewezen.

1.De procedure

in de hoofdzaak
1.1.
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, tevens incidenteel verzoek, met producties;
- de conclusie van antwoord in het incident;
- het vonnis in het incident van 6 augustus 2025 waarbij de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is toegewezen;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- het tussenvonnis van 10 september 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.
in de vrijwaringszaak
1.2.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord;
- de akte overleggen producties van [gedaagde 1];
- het tussenvonnis van 8 oktober 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.
in beide zaken
1.3.
Beide zaken zijn gelijktijdig behandeld op de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden. [gedaagde 1] heeft in beide zaken gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.
1.4.
Vervolgens is in beide zaken een datum voor vonnis bepaald.

2.Feiten in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak

2.1.
[gedaagde 1] heeft een bouwonderneming/klussenbedrijf onder de naam [bedrijf 1].
2.2.
Op 11 januari 2024 is [eiser] akkoord gegaan met een offerte van [gedaagde 1] (offertenummer 2021/67) die ziet op de uitvoering van werkzaamheden aan haar woning aan de [adres] in [plaats]. In de offerte staat dat het gaat om “
aanbouw renovatie +badkamer” voor een aanneemsom van € 44.000,00. Betaling zal plaatsvinden in vijf termijnen, van respectievelijk € 6.600,00, € 15.400,00, € 17.600,00 en tweemaal € 2.200,00.
2.3.
Op 29 januari 2024 heeft [gedaagde 1] een begin gemaakt met de werkzaamheden. [gedaagde 1] heeft (zijn oom) [gedaagde 2] ingeschakeld voor het uitvoeren van (een deel van) de werkzaamheden.
2.4.
Op 4 maart 2024 is [eiser] akkoord gegaan met een tweede offerte (offertenummer 2021/72) van [gedaagde 1] die ziet op werkzaamheden “
aanbouw renovatie + dak” voor een aanneemsom van € 15.967,99. Betaling zal plaatsvinden in vier termijnen van respectievelijk € 7.983,99, € 3.992,00, € 3.193,60 en € 798,40.
2.5.
Per e-mail van 3 juni 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde 1] een “
afwerklijst” gestuurd met werkzaamheden die nog moeten worden uitgevoerd. In de e-mail staat: “
Dit is de lijst voor nu, inclusief opmerkingen en foto’s. Ik heb zaken waar [gedaagde 2][[gedaagde 2]]
niet bij betrokken is zoals de vloer, elektra en badkamer eraf gelaten. Ik hoor graag zsm precies van jou wanneer alles gaat plaatsvinden (weeknummer of startdatum en hoe lang het gaat duren), dus ook de badkamer, etc, en wanneer we naar Hornbach/Bouwmaat gaan om materialen aan te schaffen.
2.6.
Op 26 juli 2024 heeft [eiser] telefonisch contact opgenomen met [gedaagde 1] en een voicemailbericht ingesproken waarin zij aangeeft dat de gemaakte afspraken uit de overeenkomsten niet worden nagekomen.
2.7.
[gedaagde 1] heeft dezelfde dag per WhatsApp als volgt gereageerd:
“Heb je belletje net gemist helaas ben ik niet gelegen en zit ik op dit moment in het buitenland zodra we terug zijn nemen we contact met je op. Fijne vakantie alvast (..) zal even [gedaagde 2] doorgeven dat ie contact met je opneemt. ”
2.8.
Vervolgens heeft die dag via WhatsApp de volgende conversatie plaatsgevonden:
[eiser]:
“Te laat. Ik probeer je al weken te bereiken, jij had mij begin juli zullen bellen en mijn badkamer had er nu in zullen zitten. [gedaagde 2] heeft zijn spullen opgehaald, die heb ik al gezegd dat hij niet meer hoeft te komen.”
[gedaagde 1]:
“Te laat zo dat zijn wel rare antworden maarja ik wens je een fijn vakantie hierbij”
[eiser]: “
Ik heb geen vakantie, ik was er nlk vanuit gegaan dat ik midden in een verbouwing zou zitten. Zoals was afgesproken. Jij bent blijkbaar op vakantie gegaan zonder mij in te lichten en zonder je aan de afspraken te houden. Dus ja, tijd voor harde taal. Ik ben er wel klaar mee nu. Fijne vakantie.”
[gedaagde 1]:
“Volgens mij hebben wij heel lang op jou gewacht en konden we steeds niet door en nog steeds zo werkt t niet dat de klant onze werkzaamheden bepaald hoe en wanneer we t doen vind dit heel apart en als je in harde taal wilt praten prima laat me niet zo behandelen. En vooralsnog laat ik het hierbij en wens ik nogmaals een fijne vakantie.
[eiser]:
“Pardon? Waarop heb jij gewacht dan? Als er hier iemand lang gewacht heeft elke keer ben ik het. Gaat nu al 6,5 maand zo. Die badkamer zou er tweede helft april in gaan, maar toen moest ik eerst 6 weken wachten tot ie geaard was, omdat jullie dat waren vergeten. Ik heb je op 26 mei laten weten dat de badkamer gedaan kon worden, sindsdien zit ik op jou te wachten.”
2.9.
Per brief van 5 augustus 2024 met opschrift “Ingebrekestelling” heeft [eiser] bij [gedaagde 1] geklaagd over de kwaliteit van het geleverde werk, de vakbekwaamheid van de medewerkers en de taalbarrière. Verder heeft zij onder meer het volgende geschreven:
“(…) Ik heb u op vrijdag 26 juli in een voicemailbericht over mijn bevindingen bericht en aangegeven u op grond hiervan in gebreke te stellen. Deze brief geldt enkel als formele bevestiging hiervan. In bijlage 1 vindt u een gedetailleerde uiteenzetting van bovenstaande feiten. Ik gaf u in het bericht van 26 juli twee weken de tijd de werkzaamheden persoonlijk te hervatten, conform de opdracht zoals door u in handen gekregen, te beginnen met het herstellen van de werkzaamheden die niet juist zijn uitgevoerd. Voorts dienen alle werkzaamheden binnen een redelijke termijn te zijn afgerond, te weten vier weken na verstrijken van de eerste termijn van twee weken. Indien u hieraan niet wilt of kunt voldoen, verzoek ik verrekening van openstaande bedragen c.q. restitutie van de teveel betaalde bedragen op mijn bankrekening, conform bijgaande kostenspecificatie die ik op basis van overleg met twee andere partijen heb opgemaakt (bijlage 2). (…)
2.10.
Van de overeenkomst met offertenummer 2021/67 heeft [eiser] de laatste termijn van € 2.200,00 niet betaald. Volgens de overeenkomst is deze termijn verschuldigd bij oplevering. Van de overeenkomst met offertenummer 2021/72 heeft [eiser] de derde en vierde termijn van respectievelijk € 3.193,60 en € 798,40 onbetaald gelaten. Deze termijnen zijn respectievelijk verschuldigd bij het “
ophogen van woonkamer uitvullen” en bij oplevering.
2.11.
Op 30 augustus 2024 heeft [eiser] I-MS Interieurmakers ingeschakeld om werkzaamheden in de woning te verrichten.
2.12.
Bij brief van 1 oktober 2024 per aangetekende e-mail heeft (de gemachtigde van) [eiser] de overeenkomsten met [gedaagde 1] ontbonden en een schadevergoeding gevorderd van € 15.018,00. In de brief staat onder meer:
“(…) Vaststaat dat de overeenkomsten niet, niet volledig dan wel niet deugdelijk zijn nagekomen. [bedrijf 1] is reeds in verzuim komen te verkeren. Nu cliënte een redelijke termijn heeft gesteld en na verloop van deze termijn vier weken zijn versteken waarbinnen u alsnog niet bent overgegaan tot het volledig en deugdelijk voldoen aan uw contractuele verplichtingen, is cliënte genoodzaakt om de beide overeenkomsten, 2021/067 en 2021/072, te ontbinden. Tevens vordert zij betaling van de door haar geleden schade ad € 15.018.-, zie bijlagen 3 en 4 voor de onderbouwing. (…)”
2.13.
Omdat deze brief [gedaagde 1] niet had bereikt is deze op 1 november 2024 (nogmaals) aan hem verzonden.
2.14.
Op 12 december 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] per post een aangetekende brief verzonden met het verzoek te reageren op de ontbinding van de overeenkomsten en de vordering van geleden schade. Deze brief is op 16 december 2024 retour gekomen.
2.15.
[gedaagde 1] heeft niet gereageerd en heeft niets aan [eiser] (terug)betaald.
2.16.
Op 22 januari 2025 heeft I-MS Interieurmakers een offerte van € 4.803,70 uitgebracht voor - naar [eiser] stelt - door [gedaagde 1] niet uitgevoerde werkzaamheden, (dakgoot ombouw, woonkamervloer aanpassen en egaliseren keukenvloer).
2.17.
Naar aanleiding van de aansprakelijkstelling door [eiser] heeft (de gemachtigde van) [gedaagde 1] per brief van 11 april 2025 [gedaagde 2] verzocht uitdrukkelijk te bevestigen dat hij zal instaan voor de uitkomst van de procedure tussen [eiser] en [gedaagde 1] en [gedaagde 1] aldus schadeloos zal stellen.

3.Het geschil

in de hoofdzaak
in conventie
3.1.
[eiser] vordert primair gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten en veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 22.935,13. Subsidiair vordert [eiser] alleen veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 22.935,13. Daarnaast vordert [eiser] wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Volgens [eiser] beschikken de uitgevoerde werkzaamheden en de daarvoor opgeleverde zaken niet over de eigenschappen die zij op grond van de overeenkomsten mocht verwachten. [1] [eiser] stelt dat de werkzaamheden voornamelijk zijn uitgevoerd door familie/medewerkers van [gedaagde 1] die daarvoor niet gekwalificeerd en/of gecertificeerd waren. Ondanks een verzoek daartoe heeft [gedaagde 1] nagelaten om de werkzaamheden alsnog deugdelijk en conform overeenkomst uit te voeren binnen een redelijke termijn. [eiser] was daardoor genoodzaakt om een derde herstelwerkzaamheden te laten verrichten en de werkzaamheden af te maken. Zij stelt dat zij daardoor voor een bedrag van € 22.935,13 schade heeft geleden. Dit bedrag bestaat uit € 17.798,68 voor door I-MS en haar onderaannemers uitgevoerde werkzaamheden, € 4.803,70 voor door I-MS geoffreerde en door [gedaagde 1] niet uitgevoerde werkzaamheden en € 332,75 voor het slaan van een aardpen.
3.3.
[gedaagde 1] voert verweer. Hij betwist dat hij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomsten. Hij voert aan dat [eiser] hem en [gedaagde 2] de toegang tot het werk heeft ontzegd, waardoor hij niet de gelegenheid heeft gekregen om het werk te herstellen en/of te voltooien. Daarmee is volgens [gedaagde 1] sprake van schuldeisersverzuim, waardoor hij zelf niet in verzuim is geraakt. Voor ontbinding van de overeenkomsten bestond dan ook geen grond. Volgens [gedaagde 1] heeft [eiser] de overeenkomsten feitelijk opgezegd. Daarnaast betwist [gedaagde 1] de inhoud en de omvang van de vordering. Voor het geval de ontbinding wel rechtsgeldig is, stelt [gedaagde 1] zich op het standpunt dat enkel de “aan hem te wijten zaken” voor herstel in aanmerking komen, waarbij uitgegaan moet worden van realistische herstelkosten. Dat bedrag dient bovendien verminderd te worden met de nog openstaande betalingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde 1] vordert bij wijze van tegenvordering – samengevat – dat de kantonrechter:
- voor recht verklaart dat [eiser] de overeenkomst met [gedaagde 1] heeft opgezegd per 26 juli 2024 en zij op grond van artikel 7:764 lid 2 BW Pro gehouden is om de geldende prijs te betalen;
- voor recht verklaart dat [gedaagde 1] niet in verzuim heeft kunnen komen doordat de overeenkomst al was opgezegd en de ingebrekestelling(en) niet voldoen aan de vereisten van de wet, althans dat [eiser] in schuldeisersverzuim verkeerde;
- [eiser] veroordeelt tot betaling van € 11.589,36 te vermeerderen met wettelijke rente,
- [eiser] veroordeelt in de proceskosten.
3.6.
[gedaagde 1] legt aan de tegenvordering ten grondslag dat [eiser] de overeenkomst heeft opgezegd en zij daarom op grond van artikel 7:764 lid 2 BW Pro gehouden is de voor de werkzaamheden geldende prijs te betalen, verminderd met de eventuele besparingen die voor [gedaagde 1] uit de opzegging voortvloeien. Verder stelt [gedaagde 1] dat hoewel het werk niet is opgeleverd door [gedaagde 1] [eiser] het werk als zodanig heeft geaccepteerd door de nieuwe aannemer daarop werkzaamheden te laten verrichten. Deze acceptatie moet worden gezien als oplevering, zodat [eiser] gehouden is tot betaling van de laatste termijnbedragen.
3.7.
Volgens [gedaagde 1] is [eiser] de volgende bedragen aan hem verschuldigd:
- € 2.200,00 ( de laatste termijn van overeenkomst met offertenummer 2021/67);
- € 3.992,00 ( de laatste twee termijnen van de overeenkomst met offertenummer 2021/72);
- € 5.397,36 ( voor aanvullende uitgevoerde opgedragen werkzaamheden, gedeclareerd per factuur van 21 juni 2024).
3.8.
[eiser] voert verweer.
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
3.10.
[gedaagde 1] vordert in de vrijwaringzaak - samengevat - dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld om aan [gedaagde 1] te betalen datgene waartoe [gedaagde 1] in de hoofdzaak jegens [eiser] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van alle kosten van het geding.
3.11.
[gedaagde 1] legt aan de vordering ten grondslag dat de uitvoering van de met [eiser] overeengekomen werkzaamheden is opgedragen aan [gedaagde 2], die als onderaannemer van [gedaagde 1] heeft gewerkt. [gedaagde 2] is door [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld voor eventuele gebreken. [gedaagde 2] heeft verklaard dat hij de werkzaamheden zorgvuldig en bouwkundig correct heeft uitgevoerd en dat, mocht blijken dat kosten van herstel verschuldigd zijn, deze op hem kunnen worden verhaald. [gedaagde 1] verwijst hierbij naar een volgens hem door [gedaagde 2] ondertekend handgeschreven document met die strekking.
3.12.
[gedaagde 2] voert verweer. Hij voert onder meer aan dat hij op geen enkele wijze aansprakelijkheid heeft aanvaard en dat het handgeschreven document niet door hem is ondertekend.
3.13.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in de hoofdzaak
Juridisch kader aannemingsovereenkomst
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten tot renovatie van de woning kwalificeren als overeenkomsten tot aanneming van werk. Op deze overeenkomsten zijn de artikelen 7:750 e.v. BW van toepassing.
4.2.
De kern van het geschil betreft de vraag of [eiser] recht heeft op een schadevergoeding wegens een tekortkoming van [gedaagde 1] in de nakoming van de overeenkomsten of dat zij alsnog (een deel van) de openstaande facturen van [gedaagde 1] moet betalen.
in conventie
Gedeeltelijke ontbinding niet toewijsbaar
4.3.
[eiser] vordert in de eerste plaats gedeeltelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomsten met betaling van € 22.935,13. Die vordering is niet toewijsbaar. De kantonrechter licht dat als volgt toe.
4.4.
Artikel 6:265 BW Pro bepaalt dat een overeenkomst kan worden ontbonden indien de wederpartij tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen. Iedere tekortkoming geeft in beginsel recht op ontbinding, tenzij de tekortkoming van te geringe betekenis is. Indien de nakoming niet blijvend onmogelijk is, is voor ontbinding verzuim vereist.
4.5.
Partijen hebben uitvoerig gedebatteerd over (de kenbaarheid van) de door [eiser] gestelde gebreken en of [gedaagde 1] rechtsgeldig in gebreke is gesteld. Aan een beslissing op deze punten komt de kantonrechter echter niet toe. Zoals ter zitting ook met partijen besproken, is daarbij van belang dat [eiser] bij brief van 1 oktober 2025 de overeenkomst al buitengerechtelijk geheel heeft ontbonden. Dan zijn er twee situaties mogelijk; de buitengerechtelijke ontbinding was rechtsgeldig, of niet. Ingeval de gebreken en het verzuim van [gedaagde 1] komen vast te staan, dan heeft die buitengerechtelijke ontbinding doel getroffen. De overeenkomst is dan al geheel ontbonden, zodat een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst in rechte niet meer mogelijk is. Maar als de gebreken en/of het verzuim niet komen vast te staan, ontbreekt de bevoegdheid tot ontbinding. Voor een gedeeltelijke ontbinding in rechte bestaat ook in dat geval geen grond.
4.6.
Omdat de gevorderde ontbinding niet toewijsbaar is, strandt ook de daarop gebaseerde vordering tot betaling. De primaire vordering wordt daarom afgewezen.
Vordering tot betaling van € 22.935,13 wordt afgewezen
4.7.
[eiser] vordert subsidiair betaling van € 22.935,13. De kantonrechter begrijpt - gelet op de toelichting die [eiser] desgevraagd ter zitting heeft gegeven - de juridische grondslag van de vordering aldus dat [gedaagde 1] dit bedrag aan [eiser] verschuldigd is als gevolg van de buitengerechtelijke ontbinding van de aannemingsovereenkomsten.
4.8.
Deze vordering wordt afgewezen. Als wordt aangenomen dat [eiser] de overeenkomsten rechtsgeldig heeft ontbonden, dan geldt dat door de ontbinding over en weer ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan [2] . Uitgangspunt daarbij is dat [gedaagde 1] de betalingen die hij van [eiser] heeft ontvangen moet terugbetalen en dat [eiser] de ontvangen prestatie moet retourneren. Omdat de door [gedaagde 1] geleverde prestatie naar haar aard niet ongedaan gemaakt kan worden, treedt hiervoor een verbintenis tot waardevergoeding in de plaats. [3] Dit betekent dat tegenover de terugbetalingsverplichting van [gedaagde 1] de verplichting van [eiser] staat om aan [gedaagde 1] de waarde te vergoeden van de verrichte werkzaamheden. Het verschil tussen die beide verplichtingen moet dan tussen partijen worden afgerekend. Als sprake is van gebrekkig werk zijn voor de bepaling van de hoogte van de waardevergoeding ook de herstelkosten van belang die [eiser] heeft moeten maken om de gebreken ongedaan te maken.
4.9.
Zoals ter zitting besproken rust op [eiser] de last om te stellen en te onderbouwen wat de waarde van de verrichte werkzaamheden is
enwelke herstelkosten zij heeft moeten maken om de gebreken te herstellen. Dat heeft zij niet gedaan. Over de waarde van het door [gedaagde 1] verrichte werk heeft zij geen concreet standpunt ingenomen. Zij heeft in dit verband ter zitting enkel aangegeven dat een deel van de door I-MS en haar onderaannemers aan haar in rekening gebrachte kosten (bij elkaar € 17.798,68) zagen op werkzaamheden die [gedaagde 1] nog niet had uitgevoerd, maar waarvoor zij [gedaagde 1] wel al had betaald. Voor het overige zien deze kosten volgens [eiser] op herstel van door [gedaagde 1] ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden. Aan de hand van de overgelegde facturen is echter niet te achterhalen welke werkzaamheden door de ingeschakelde aannemers zijn verricht. Grotendeels is volstaan met een algemene omschrijving, een verklaring van de betrokken aannemer(s) ontbreekt en [eiser] heeft dit ook ter zitting niet verder kunnen toelichten. In hoeverre en tot welke bedragen het hier niet uitgevoerde/wel betaalde werkzaamheden en/of herstelwerkzaamheden betreft kan de kantonrechter dan ook niet vaststellen. Daarmee ontbreekt enig aanknopingspunt voor begroting van de waarde van het verrichte werk.
4.10.
Voor wat betreft de overgelegde offerte van € 4.803,70 geldt daarbij nog dat dit bedrag volgens [eiser] ziet op het afmaken van de overeengekomen werkzaamheden, die door [gedaagde 1] niet (meer) zijn verricht. [eiser] heeft de tegenover deze werkzaamheden staande met [gedaagde 1] overeengekomen termijnbedragen niet betaald en hoeft die (zoals hierna onder 4.14 wordt overwogen) ook niet meer te betalen. Voor vergoeding van die kosten door [gedaagde 1] bestaat ook daarom geen grondslag. Ten slotte wordt ook de vordering tot betaling van € 332,75 voor het slaan van een aardpen afgewezen. [eiser] heeft niet gesteld op grond waarvan [gedaagde 1] gehouden is dit bedrag aan haar te betalen, en zij heeft dit tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde 1] ter zitting ook niet alsnog gedaan.
4.11.
De subsidiaire vordering wordt geheel afgewezen. De overige verweren van [gedaagde 1] behoeven daarom geen bespreking meer.
in reconventie
Ambtshalve toetsing consumentenrecht
4.12.
De tegenvordering van [gedaagde 1] tot betaling van € 11.589,36 door [eiser] is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument [4] . Gesteld noch gebleken is dat de uitzondering uit artikel 6:230h lid 2 onder g BW van toepassing is. Er is in dit geval immers geen sprake van zo’n grondige verbouwing dat alleen de gevel van de woning bewaard blijft. Uit de stukken leidt de kantonrechter af dat de overeenkomst is gesloten ‘anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte’, waardoor de handelaar – ter bescherming van de consument – voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst moet voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten [5] . Of [gedaagde 1] aan die verplichting heeft voldaan kan in het midden blijven. Hierna wordt namelijk geoordeeld dat de vordering van [gedaagde 1] niet toewijsbaar is, zodat oplegging van een eventuele sanctie (bestaande uit een vermindering van de betalingsverplichting) niet aan de orde is.
Geen opzegging overeenkomstig artikel 7:764 lid 2 BW Pro
4.13.
[gedaagde 1] vordert bij wijze van tegenvordering allereerst een verklaring voor recht dat [eiser] de overeenkomst met [gedaagde 1] heeft opgezegd per 26 juli 2024 en zij op grond van artikel 7:764 lid 2 BW Pro gehouden is om de geldende prijs te betalen. Deze vordering wordt afgewezen. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat het bericht dat [eiser] op 26 juli 2024 aan [gedaagde 1] heeft gestuurd niet als een opzegging kan worden aangemerkt. [eiser] heeft toegelicht dat zij, zoals ook blijkt uit de hiervoor onder 2.5 tot en met 2.8 weergegeven correspondentie, op 26 juli 2024 al langere tijd met [gedaagde 1] in contact probeerde te komen vanwege niet (deugdelijk) uitgevoerde werkzaamheden, maar dat zij van hem telkens geen reactie kreeg. Dat [eiser] in dat kader tegen [gedaagde 2] heeft gezegd dat hij voorlopig niet meer hoefde terug te komen omdat zij eerst met [gedaagde 1] wilde spreken, is door [gedaagde 1] niet gemotiveerd betwist. Hieruit volgt dan ook niet dat [eiser] de overeenkomsten op dat moment al wilde beëindigen. Integendeel, uit haar brief van 5 augustus 2024 blijkt dat [eiser] [gedaagde 1] nog gelegenheid heeft gegeven de werkzaamheden persoonlijk te hervatten. [gedaagde 1] heeft daar echter geen gehoor aan gegeven. Van een opzegging door [eiser] is dan ook geen sprake geweest.
De als tweede gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 1] niet in verzuim heeft kunnen komen wordt eveneens afgewezen, omdat die mede gebaseerd is op de stelling dat [eiser] de overeenkomst heeft opgezegd en voor het overige daarbij geen belang bestaat.
Tegenvordering tot betaling van € 11.589,36 wordt afgewezen
4.14.
[gedaagde 1] vordert allereerst betaling van € 6.192,00 aan overeengekomen termijnbedragen, die [eiser] niet heeft betaald. Voor zover deze vordering is gebaseerd op de stelling dat [eiser] zelf de overeenkomst heeft opgezegd, houdt deze grondslag gelet op het voorgaande geen stand. Ook anderszins is de vordering niet toewijsbaar. Daarbij geldt in de eerste plaats dat, zoals [gedaagde 1] ook erkent, geen (door [eiser] geaccepteerde) oplevering van het werk in de zin van de wet [6] heeft plaatsgevonden. Het was [gedaagde 1] zonder meer duidelijk dat [eiser] niet akkoord was met (de kwaliteit van) het door hem geleverde werk. Alleen al daarom kan het werk ook anderszins niet als opgeleverd worden beschouwd. Dat betekent dat [eiser] de laatste termijnen van beide overeenkomsten niet verschuldigd is. Verder staat vast dat [gedaagde 1] de vloer in de woonkamer niet heeft opgehoogd zodat [eiser] ook de derde termijnbetaling van overeenkomst 2021/72 niet verschuldigd is.
4.15.
De vordering tot betaling van € 5.397,36, die ziet op de meerwerkfactuur, wordt eveneens afgewezen. Voor zover op de factuur al werkzaamheden staan die [gedaagde 1] heeft uitgevoerd en die nog niet door [eiser] zijn betaald (hetgeen [eiser] heeft betwist), gold voor die extra werkzaamheden een wettelijke waarschuwingsplicht [7] . [gedaagde 1] moet stellen en onderbouwen dat hij [eiser] tijdig heeft gewezen op de met het (mogelijk) meerwerk gepaard gaande prijsverhoging. Tegenover de betwisting door [eiser] heeft [gedaagde 1] dit niet gedaan. Het gevolg hiervan is dat [gedaagde 1] geen recht heeft op een vergoeding van deze kosten, tenzij [eiser] de noodzaak tot de prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is.
4.16.
De conclusie is dat de tegenvordering van [gedaagde 1] geheel zal worden afgewezen.
in conventie en reconventie
Proceskosten
4.17.
Nu partijen in conventie en reconventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in de vrijwaringszaak
4.18.
[gedaagde 1] wordt in de hoofdzaak niet veroordeeld om enig bedrag aan [eiser] te betalen. De vordering van [gedaagde 1] jegens [gedaagde 2] is reeds daarom niet toewijsbaar. Wat partijen verder in het kader van de vrijwaringszaak naar voren hebben gebracht behoeft daarom geen bespreking.
Proceskosten
4.19.
De proceskosten in de vrijwaringszaak komen voor rekening van [gedaagde 1] omdat hij ongelijk krijgt. Het salaris van de gemachtigde van [gedaagde 2] zal worden bepaald aan de hand van het liquidatietarief dat van toepassing is op de in de hoofdzaak gevorderde hoofdsom.

5.De beslissing

De kantonrechter
in de hoofdzaak:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
in reconventie
5.2.
wijst de vorderingen van [gedaagde 1] af,
in conventie en reconventie
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de vrijwaringszaak
5.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde 1] af,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde 2] worden vastgesteld op een bedrag van € 1.154,00 (2x € 577,00) aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde 2],
5.6.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 7:17 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 6:271 BW Pro.
3.Artikel 6:272 BW Pro.
4.Zoals bedoeld in artikel 6:230g BW.
5.van artikel 6:230l BW.
6.Als bedoeld in art 7:758 BW Pro.
7.Art 7:755 BW Pro.