ECLI:NL:RBNHO:2026:1300

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
HAA 25/4489
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt binnen 60 weken beslissing op bezwaar kinderopvangtoeslag en legt dwangsom op

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift tegen de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Verweerder ontving het bezwaar op 24 december 2024, maar heeft tot op heden geen beslissing genomen, ondanks ingebrekestelling op 2 mei 2025 en een dwangsombeschikking van €1.442.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en wijst het verzoek van verweerder tot uitstel van de zitting af. De rechtbank volgt niet het standpunt van eiseres dat de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vastgestelde beslistermijn van 60 weken onredelijk lang is. Verweerder moet binnen 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn alsnog een besluit nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €934 en het griffierecht van €53 aan eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter J. Snitker op 12 februari 2026.

Uitkomst: Verweerder wordt opgedragen binnen 60 weken alsnog te beslissen op bezwaar en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/4489

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.T. Poort),
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres op 15 oktober 2025 heeft ingesteld omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar bezwaarschrift gericht tegen de beslissing van verweerder inzake de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het verzoek van verweerder om de geplande mondelinge behandeling van het beroep uit te stellen, is door de rechtbank afgewezen.
Verweerder heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026 te Haarlem. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] .

Overwegingen

Feiten
1. Op 11 november 2024 heeft verweerder een definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag afgegeven aan eiseres. Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder op 24 december 2024 ontvangen.
2. Eiseres heeft verweerder op 2 mei 2025 in gebreke gesteld.
3. Op 4 juli 2025 heeft verweerder een dwangsombeschikking van € 1.442 afgegeven aan eiseres, omdat verweerder te laat heeft beslist op het hiervoor genoemde bezwaarschrift.
4. Tot en met heden heeft verweerder niet op het bezwaar van eiseres beslist.

Geschil

5. In geschil zijn de duur van de nadere beslistermijn en de hoogte van de dwangsom.
6. Eiseres verzoekt de rechtbank een nadere beslistermijn vast te stellen op twee weken na de uitspraak van de rechtbank en te bepalen dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, tot een maximum van € 15.000. Eiseres verzoekt de rechtbank af te wijken van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1301), omdat de door de Afdeling genoemde termijn van 60 weken inmiddels onredelijk lang is geworden. Tenslotte verzoekt eiseres om een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7. Verweerder verzoekt de rechtbank een nadere beslistermijn vast te stellen op zestig weken na afloop van de wettelijke beslistermijn, danwel het deel hiervan dat nog niet is verstreken. De rechterlijke dwangsom en de proceskostenvergoeding dienen volgens verweerder vastgesteld te worden conform de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1301).
8. Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting
9. Op 5 januari 2026 heeft verweerder de rechtbank verzocht om hem via een videoverbinding aan de zitting te laten deelnemen. Dit verzoek is volgens verweerder ingegeven door de voorspelde weersomstandigheden en de daarmee samenhangende onzekerheid omtrent de reisverbinding (van [stad] naar Haarlem), alsmede de daarmee gepaard gaande veiligheidsrisico’s. Indien deelname via videoverbinding niet mogelijk zou zijn, heeft verweerder de rechtbank verzocht om uitstel van het onderzoek ter zitting. Per e-mail van eveneens 5 januari 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het uitstelverzoek wordt afgewezen en de zitting fysiek zal worden gehouden op de in de uitnodiging vermelde locatie en tijdstip.
10. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting terecht afgewezen, omdat een gewichtige reden ontbreekt. De weersomstandigheden op de dag van de zitting waren niet zodanig slecht dat zij verweerder verhinderden bij de zitting aanwezig te zijn, het verzoek was in zoverre prematuur.
Overschrijding van de beslistermijn
11. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
12. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn in bezwaar is overschreden. Op 2 mei 2025 is verweerder door eiseres in gebreke gesteld. Omdat tot op heden geen beslissing is genomen, heeft verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurd ter grootte van het wettelijk maximum van € 1.442. Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling, te weten op 15 oktober 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
13. Naar het oordeel van de rechtbank dient het beroep reeds daarom gegrond te worden verklaard.
14. Aangezien het beroep gegrond is en er nog steeds geen besluit is bekendgemaakt, moet de rechtbank het bestuursorgaan opdragen om in principe binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d van de Awb). In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
15. De Afdeling heeft in de uitspraak van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1301 r.o. 14 en 15) de beslistermijn voor zaken als de onderhavige bepaald op 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar is verstreken. Indien deze beslistermijn van 60 weken na de wettelijke beslistermijn op bezwaar al verstreken is op het moment van doen van uitspraak op het beroep door de rechtbank geldt een nadere beslistermijn van twee weken na de dag waarop uitspraak op het beroep wordt gedaan.
16. In dezelfde hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 maart 2025 van de Raad van State is bepaald dat er geen reden is om in zaken waarin nog geen 60 weken zijn verstreken na ommekomst van de beslistermijn op bezwaar, af te wijken van het landelijk vastgelegde uitgangspunt met betrekking tot de hoogte van de dwangsom.
17. Het bezwaar is door verweerder ontvangen op 24 december 2024. De wettelijke beslistermijn is verstreken op 16 mei 2025, gelet op artikel 7:10, eerste en derde lid, van de Awb. De beslistermijn van 60 weken na de wettelijke beslistermijn op bezwaar verstrijkt op 10 juli 2026.
18. Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat de door de Afdeling genoemde termijn van 60 weken onredelijk lang is. Eiseres wijst erop dat de uitspraak inmiddels meer dan een halfjaar oud is en dat verweerder in de tussentijd grote sprongen heeft kunnen maken in de afhandeling van bezwaren. Volgens eiseres worden veel bezwaren via schikkingen afgedaan en is de fase van de integrale beoordeling nagenoeg afgerond, waardoor veel medewerkers van verweerder vanuit de primaire beoordelingsfase nu op de bezwaarafdeling kunnen worden ingezet, hetgeen versnelling van de bezwaarprocedure mogelijk maakt.
19. Verweerder heeft standpunt van eiseres betwist en voert aan dat in het jaar 2025 de uitspraak op bezwaar gemiddeld werd gedaan binnen 91 weken (640 dagen) na indiening van het bezwaarschrift. Daarnaast wijst verweerder er op dat er zich ook meer dan 7000 zaken in de werkvoorraad bevinden. Verweerder verwijst hierbij naar de door hem als nader stuk overgelegde interne ‘BBI&WS Rapportage’ van week 52, 2025. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de doorlooptijd in het jaar 2025 ten opzichte van het jaar 2024 (waarin de doorlooptijd 81 weken was) verder is opgelopen, omdat het aantal beschikbare arbeidskrachten bij verweerder is afgenomen als gevolg van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties.
20. De rechtbank ziet in het door eiseres aangevoerde, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, geen aanleiding om af te wijken van de lijn die de Afdeling in de jurisprudentie heeft uitgezet. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat klaarblijkelijk niet is voldaan het uitgangspunt van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen, dat het bestuursorgaan over voldoende middelen beschikt om de aan haar opgedragen taken binnen de wettelijke termijn uit te voeren. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder binnen 60 weken na 16 mei 2025 alsnog een beslissing moet nemen op het bezwaar van eiseres. Voorts zal de rechtbank bepalen dat verweerder, met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
Proceskosten
21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij voor de beroepsmatig verleende bijstand heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht toegekend voor een bedrag van € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 bij een wegingsfactor 0,5 voor het lichte gewicht van deze zaak, omdat het geschil beperkt is tot formele aspecten van niet tijdig beslissen en de dwangsom).
22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 53 vergoeden.
23. Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen 60 weken na 16 mei 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Snitker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.